Luther en de Reformatie (vervolg)
Luther als monnikDe Reformatorische ontdekking
Intussen was ik in dit jaar (niet duidelijk is of hier 1545 wordt bedoeld) tot de Psalmen teruggekeerd, om deze opnieuw uit te leggen, in het vertrouwen daarop, dat ik ervarener zou zijn, nadat ik de brieven van Paulus aan de Romeinen, aan de Galaten, en die aan de Hebreeën is gericht, in voorlezingen behandeld had. Ik was door een wonderlijke ijver gegrepen geweest, Paulus in de Br. a.d. Rom. te kennen. Maar tot dan toe had niet de koude van mijn hart, maar dat ene woord uit het 1e hoofdstuk in de weg gestaan: 'de gerechtigheid Gods wordt erin (nl. in het evangelie) geopenbaard.' Ik haatte dat woord 'gerechtigheid Gods', dat ik volgens de gebruikelijke gewoonte van alle doktoren geleerd had filosofisch op te vatten als de zgn. formele of actieve gerechtigheid, waardoor God rechtvaardig is en de zondaars als onrechtvaardigen straft. Ik hield echter niet van de rechtvaardige en de zondaars straffende God: want hoewel ik als monnik onberispelijk leefde, voelde ik me tegenover God een zondaar en onrustig in mijn geweten, en ik kon niet hopen, dat ik door mijn genoegdoeningen verzoend zou zijn. Ik was ontstemd tegenover God, zo niet met heimelijke lastering, dan toch met een geweldig mokken, terwijl ik sprak: 'alsof het niet genoeg is, dat de ellendigen, door de oerzonde voor eeuwig verdoemde zondaren door een veelvuldig onheil door de Dekaloog worden terneergedrukt. Moet God door het evangelie nog eens lijden op lijden voegen en ook door het evangelie ons met zijn gerechtigheid en zijn toorn bedreigen?' Zo raasde ik in mijn verwarde geweten, maar bleef ook koppig bij deze plaats bij Paulus aankloppen, omdat ik van dorst brandde te weten, wat de heilige Paulus bedoelde. Toen erbarmde God zich over mij. Onophoudelijk dacht ik dag en nacht na, tot ik op de samenhang van de woorden lette, namelijk: 'de gerechtigheid van God wordt in (nl. in het evangelie) geopenbaard, zoals geschreven staat: de rechtvaardige leeft uit het geloof.' Toen begon ik de gerechtigheid van God als die te begrijpen, waardoor de rechtvaardige als door een gave Gods leeft, nl. uit geloof, en begreep ik dat de bedoeling is, dat door het evangelie de gerechtigheid van God geopenbaard werd, nl. de passieve, door welke ons de barmhartige God door het geloof rechtvaardigt, zoals geschreven staat: 'de rechtvaardige leeft uit het geloof.' Hier nu meeende ik, dat ik opnieuw geboren was, dat de deuren zich hadden geopend, en dat ik het paradijs was ingelopen.'
(een zelfgetuigenis uit het jaar 1545)
De Heidelberger Disputatie
Deze disputatie van de Augustijner monniken vindt plaats op 26 April 1518. Luther zet daarin zijn 'nieuwe' theologie uiteen in de vorm van 28 stellingen, die hij van commentaar voorziet.
3. Hoe schoon en goed de werken van de mens ook mogen lijken, het zijn uiteindelijk doodzonden.
De werken van de mensen lijken van buiten mooi, maar van binnen zijn ze vol ongerechtigheid, zoals Christus van de farizeeën zegt (Mt. 23:27). Hen en anderen schijnen ze goed en mooi, maar God richt niet naar de schijn, maar beproeft de nieren en het hart. Zonder genade en geloof is het onmogelijk een zuiver hart te hebben, Hand. 15:9: 'Hij reinigde hun harten door het geloof.'4. De werken van God, hoezeer ze ook luister ontbreken, ja slecht lijken, zijn in waarheid toch van onsterfelijke verdienste.
Dat de werken van God geen luister hebben staat in Jes. 53:2 en in 1 Sam2:6 staat: de Heer dood en maakt levend, Hij doet in de hel neerdalen en brengt daaruit weer terug.' Dat moeten we zo opvatten: de Heer deemoedigt ons en doet ons schrikken door de wet en door de aanblik van ons kwaad, zo dat we voor de mensen en voor onszelf niets lijken, dom en slecht, en dat ook zijn. Wanneer we dat weten en dat ook erkennen, dan hebben we geen luister, maar we leven in de verborgenheid van God, dwz in het simpele vertrouwen op zijn barmhartigheid en we kunnen ons in onszelf op niets beroepen als op zonde, dwaasheid, dood en hel. Dat is het 'vreemde werk' van God.13. De vrije wil is na de zondeval slechts een naam, en als die zijn gang gaat, doet hij de mens slechts doodzonde begaan. Het eerste is duidelijk, want hij is een gevangene en een slaaf van de zonde. Niete dat hij niet vrij is, maar dat hij alleen vrij is tot het boze. Daarom zegt Augustinus: 'de vrije wil zonder de genade heeft slechts de macht om te zondigen.'
19. Niet hij is met recht een theoloog, die Gods onzichtbare wezen door zijn werken waarneemt en verstaat.
Duidelijk is dat wie zulke theologen waren, toch door de apostel dwaas genoemd worden (Ro. 1:22). Het onzichtbare wezen van God is zijn kracht, godheid, wijsheid, gerechtigheid, goedheid, enz. De kennis van die dingen maakt niet wijs en niet waardig.20. Maar die heet met recht een theoloog, die dat wat van Gods wezen zichtbaar is en naar de wereld is gekeerd, in lijden en kruis, begrijpt.
Dat wat naar de wereld is gekeerd van het wezen van God, is tegengesteld aan het onzichtbare, nl. zijn mensheid, zwakheid, dwaasheid (1 Kor. 1:25). Want omdat de mensen de kennis van God op grond van zijn werken misbruikten, wilde God dat hij uit het lijden gekend zou worden...
Met dank aan ds. A.J. Plaisier die mij het materiaal van zijn lezing ter beschikking stelde.
Terug
Luther, korte levensbeschrijving
Luther en der Reformatie 1
Luther en de Reformatie 2
Een vaste burcht