Gerrit
Achterberg
geboren te Langbroek 52.01.00
NB, 05.20.00 OL. op 20 mei 1905,
00:30:00 PT, 00:08:40 GMT

Gerrit Achterberg wordt
algemeen beschouwd als een van de grootste,
oorspronkelijkste en belangrijkste dichters
van de Nederlandse literatuur. Zijn talent
wordt door niemand in twijfel getrokken, zijn
thematiek spreekt tot de verbeelding van
velen en is van allerlei kanten bestudeerd,
zijn invloed op dichters na hem is
onmiskenbaar.
Voor deze astrologische biografie, of beter
gezegd, astrologische interpretatie van
Achterbergs dichterschap, is gebruik gemaakt
van:
- Wim Hazeu, 'Gerrit Achterberg, een
biografie', Amsterdam 1988
- Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten,
Amsterdam 1988 (10de druk)
ZON IN STIER IN 3, MERCURIUS CUSP 3;
VENUS HEER 3
Met Zon in Stier lijkt Gerit Achterberg een
aards, op de fysieke werkelijkheid gericht
mens te zijn geweest. Dat is ook in zoverre
waar, dat hij werd geboren in Langbroek (20
mei 1905), een zuidwestelijk van Doorn, op de
Utrechtse heuvelrug gelegen dorpje.
Achterberg groeide dus op in een landelijke
omgeving en was van jongs af vertrouwd met
het boerenbedrijf. De sporen daarvan zijn
zichtbaar in zijn werk. Zo begint zijn
gedicht 'Melknecht' met de volgende strofe:
Hij legt het
spantouw om de poten van het beest,
zet zich neer op het melkblok, plaats de
emmer
onder de uier en omvat de memmen,
waarna de eerste melkstraal op de bodem
sjeest.
Dit is zeer aardse
poëzie. Achterbergs poëzie is echter niet
alleen aards, zoals nog zal blijken.
Zon in 3 en Mercurius in een nauw conjunct
met cusp 3 benadrukken het belang van de taal
voor de dichter. Overigens werd Achterberg
opgeleid tot onderwijzer en heeft hij dat
beroep ook uitgeoefend. Hij kwam er echter
niet toe zijn hoofdakte te halen, omdat de
studie daarvoor ten koste zou gaan van zijn
dichterschap. 'Want 't is toch 't een of 't
ander,' schreef hij in 1925 aan de
letterkundige Roel Houwink, die op het gebied
van de poëzie zijn mentor was. Er is hier
sprake van een duidelijk conflict tussen twee
verschillende uitingsmogelijkheden van
Achterbergs Mercurius. Dat hij voor de
poëzie koos, zal te maken hebben met het
feit dat Venus heer 3 is. Dat wijst op een
meer kunstzinnig gebruik van de taal. In
Achterbergs geval echter ook op het sterk
erotische karakter van zijn poëzie (zie
hierna).
MAAN IN BOOGSCHUTTER IN 10; JUPITER,
HEER 10, in 3
Het schrijven van poëzie was voor Achterberg
een innerlijke behoefte, waaraan hij bijna
dwangmatig vorm gaf (Maan). Hij heeft een
bijzonder groot oeuvre achtergelaten, zo'n
1000 gedichten. Hoewel de thematiek van deze
poëzie telkens dezelfde is (zie hierna),
betrok hij er een groot scala aan
levensterreinen in: van mythologie tot
natuurkunde, van folklore tot filosofie. Er
is bijna geen levensterrein dat Achterberg
niet voor zijn poëzie heeft geannexeerd
(Boogschutter). Met zijn poëzie probeerde
hij ook te voldoen aan zijn behoefte aan
maatschappelijke erkenning, wat hem ook
gelukt is. Zijn werk werd diverse malen
bekroond, onder andere met de prestigieuze
P.C.-Hooftprijs (1950) en de eveneens
belangrijke Constantijn Huygensprijs (1959).
We zien hier Achterbergs optimum, Jupiter als
heer 10 in 3, volop aan het werk.
ASCENDANT IN WATERMAN; URANUS, HEER
1, IN 11; SATURNUS IN 1; SATURNUS VIERKANT
ZON
Twee citaten uit Wim Hazeus biografie die
goed weergeven hoe het geheel van deze
posities in Achterbergs leven heeft
uitgewerkt:
Al op jonge leeftijd 'werd Gerrit Achterberg
gezien en beschouwd als een eigenaardige
(Waterman en Uranus in 11), in zichzelf
gekeerde, geremde, terughoudende en schuwe
jongeman' (Saturnus in 1 vierkant Zon).'
'Hij was een eenling en een eenzame in de
meest ijzige betekenis van het woord. [.] Hij
bleef opgesloten binnen een wereld, waar
niemand toegang toe had. Hij was een bewoner
van een andere wereld dan de zichtbare wereld
waarin hij leefde en die hem in wezen matig
interesseerde' (Saturnus in 1 vierkant Zon).
PLUTO IN TWEELINGEN, WERKEND IN 5
(DOMINANTE ENERGIE); NEPTUNUS IN 5
Pluto in Tweelingen is een generatiestand en
is daarom voor de interpretatie van
Achterbergs horoscoop misschien minder
belangrijker. Des te belangrijker is echter
Pluto in 5. Deze positie koppelt Pluto's
transformerende energie, het
dood-wedergeboortethema van die planeet, aan
de scheppingsdrang van het vijfde huis. Dat
is precies waar het in Achterbergs poëzie om
gaat. Hij is bekend geworden als de dichter
die door middel van en in de taal (Tweelingen
op cusp 5) de dood ingaat om hem daardoor te
overwinnen. Daarbij wijst Neptunus in 5 erop
dat deze onderneming metafysisch van aard is.
Wat Achterberg in zijn poëzie telkens weer
probeert, is om in het gedicht de situatie
van voor de zondeval te herstellen. Hij was
opgevoed in het geloof van de Gereformeerde
Bond, een orthodoxe richting binnen de
Hervormde Kerk, echter ook een richting met
een mystieke inslag. Zo leefde binnen de
Gereformeerde Bond de idee dat God zich niet
alleen in 'het Woord', de Bijbel, had
geopenbaard, maar ook in de natuur.
Achterberg verzoent beide opvattingen: in
zijn poëzie probeert hij de dood te
overwinnen en daardoor het paradijs te
herstellen. Dat is uiteraard een stoutmoedige
onderneming, omdat hij zich daarmee als
dichter in feite aan God gelijkstelde Maar
Pluto in 5 is van nature niet bescheiden.
Meer informatie over de inhoud van
Achterbergs poëzie biedt het volgende.
MAAN IN BOOGSCHUTTER IN 10
ANDERHALFVIERKANT VENUS IN RAM IN 2 (MEEST
NAUWKEURIGE ASPECT TUSSEN PLANETEN);
NEPTUNUS, HEER VENUS EN 2, IN 5
De planeten Maan en Venus geven aan dat 'de
vrouw' een belangrijk thema in Achterbergs
poëzie is. In zijn werk figureert dan ook
een 'gij-figuur', die hij voortdurend
toespreekt en die meestal wordt
gekarakteriseerd als 'de gestorven geliefde'.
Deze 'gij' is voor Achterberg een Eurydice.
Hij herschept in zijn werk de mythe van
Orpheus. Zoals deze Griekse halfgod dankzij
zijn zang toegang kreeg tot de onderwereld om
zijn gestorven geliefde Eurydice weer naar
het land der levenden te brengen, zo stelt
Achterberg zich tot doel om door middel van
en in de taal, zijn poëzie, de 'gij' weer
tot leven te wekken. Wie deze 'gij' precies
is, is moeilijk met zekerheid vast te
stellen. Ze neemt de gestalte van een vrouw
aan, echter ook de gestalte van de
dichterlijke muze, van Christus of de Heilige
Geest (binnen de Gereformeerde Bond leeft de
idee van de Heilige geest als vrouw).
Achterberg is, zoals gezegd, een metafysisch
dichter. Hij had echter een androgyn
godsbeeld en was als een bezetene op zoek
naar zijn verloren gegane vrouwelijke
'wederhelft'. Haar wil hij weer bezitten
(Venus in Ram in 2), met haar wil hij zich
door middel van zijn dichterlijke
scheppingskracht herenigen om daardoor te
transcenderen, de dualiteit van het bestaan
te helen en terug te keren naar het paradijs
(Neptunus, heer Venus en 2, in 5).
Ter illustratie de cyclus 'Zestien':
Laat mij aan u
ontstaan,
wezen van zestien jaar.
Ik heb nog niet geleefd
Dan enkel maar om dood te gaan,
Als ik mijn naam niet heb gegrift
Onder het vers, dat in u ligt.
Het vangt met deze strofe aan.
II
Wezen buiten de wet.
Afspraken met
sterren en eigen leden
voor eeuwig en zonder reden.
III
Van het meisje van zestien jaar
zijn dit de borsten; neem ze maar
zegt ze, je handen dorsten er naar;
en mij is het even wonderbaar:
hoe door mij heen een verte valt
met een zoetheid zonder oponthoud,
Die zich tot firmament versmalt
's nacht buiten mijn raam.
IV
Nu ik het samenzijn beleef
met het meisje van zestien jaar:
o beginsel des levens, geef
dat ge nog in mij klaar
ligt nu zij het stof wegveegt
uit mijn haar met haar handen en haar.
V
Om het bloed dat in haar parelt,
heilig u, mijn handen.
Dit is het eerste in de wereld.
Hierom is niet veranderd
het paradijs: Adam wandelt
met God; noemt, slaapt en vindt
hetzelfde lichaam dat ik vind.
Dezelfde wondere warande
gloeit buiten in de wind.
Uit deze gedichten
blijkt hoezeer de vrouwelijke en metafysische
component in Achterbergs poëzie met elkaar
verweven zijn.
Verder geeft de nauwe relatie tussen de Maan
en Venus ook aan dat Achterbergs gestorven
geliefde in wezen wordt bepaald door het
beeld dat hij van zijn moeder heeft. In de
commentaren op zijn werk is erop gewezen dat
hij uiteindelijk de symbiotische
verbondenheid die hij ooit met zijn moeder
had, wil herstellen. Illustratief in dit
verband is het gedicht dat hij bij de dood
van zijn moeder schreef:
MIJN MOEDER
STERFT
Er wordt om mij geroepen:
mijn moeder sterft.
Ik moet de valleien opzoeken,
die ik erf.
Bloemen van voor zestig jaren
bloeien over.
Het is niet te gelooven,
o grijze haren,
dat ik er nog niet was,
toen zij neerlag in het gras,
hunkerend naar het leven,
dat ik ben gebleven.
Het is niet te denken,
dat zij me straks niet zal wenken
op het terras
dier andere weide
aan gene zijde
van stof en asch.
'Dier andere weide /
aan gene zijde / van stof en asch' is een
duidelijke toespeling op het paradijs, waarin
de dichter weer met zijn moeder verenigd wil
zijn. Dit maakt de moeder, en daarmee de
geliefde, in Achterbergs poëzie tot een
Eva-figuur, de oermoeder van de mensheid.
VUUR EN AARDE
DOMINANT, DAARNA WATER KRUISEN: VAST DOMINANT
YIN TEKENS DOMINANT
Met de elementen vuur en aarde ongeveer
evenwichtig in de horoscoop verdeeld, was
Achterberg enerzijds op de concrete
werkelijkheid gericht (aarde), maar zocht hij
anderzijds naar een diepere samenhang in de
werkelijkheid (vuur). Het paradijs dat hij
probeerde te herstellen, is wel omschreven
als 'metafysisch doorstraald realisme'. Deze
manier waarop hij naar de werkelijkheid keek,
of beter, de werkelijkheid die hij in zijn
poëzie schiep, maakt hij in sterke mate tot
zijn innerlijk bezit (yin). Het was een
particuliere wereld, die hij zeer intens
beleefde (Mars retrograde in Schorpioen).
STELLIUM VAN
ZON, MERCURIUS EN JUPITER IN STIER IN 3, MET
VENUS ALS HEER.
Dit stellium benadrukt Achterbergs
dichterschap zoals het hiervoor omschreven
is.
HALVE VLIEGER
TUSSEN URANUS IN STEENBOK IN 11, NEPTUNUS IN
KREEFT IN 5 EN MERCURIUS IN STIER CONJUNCT
CUSP 3; BRANDPUNT: MERCURIUS.
MERCURIUS VIERKANT ASCENDANT
De oppositie tussen Uranus en Neptunus is een
generatieaspect, dat in Achterbergs horoscoop
echter een persoonlijke tint krijgt doordat
het wordt overbrugd door Mercurius. De
oppositie tussen Uranus en Neptunus heeft te
maken met begrippen als oorspronkelijkheid,
revolutie en moderne technologie enerzijds en
droom, grenzeloosheid en transcendentie
anderzijds. Nu zijn juist deze begrippen
(mede) kenmerkend voor Achterbergs poëzie.
Zoals gezegd is zijn werk 'metafysisch
doorstraald realisme'. Achterberg is op zoek
naar de oorspronkelijke heelheid van de mens,
en die zoekt hij aan gene zijde van ruimte en
tijd (Neptunus). Als zodanig draagt zijn
poëzie alle kenmerken van de droom. Veel
gedichten worden ook gepresenteerd als een
droom (Neptunus).
Tegelijk hanteert Achterberg in zijn poëzie
een volstrekt eigen en oorspronkelijke
terminologie, die hij voor een deel uitleent
aan de (in zijn tijd) moderne
natuurwetenschap. Ter illustratie het gedicht
'Einstein':
Uw diepe voeten
in de grond
maken mijn gang van gisteren.
Ik voel de aarde knisteren,
onder mijn schoen teruggerold.
Wij zijn draaiing ten achter
en maken helling met de zon.
Bij elke voetstap krimpt de tijd
en trekt de ruimte krom.
Langzamerhand ontkom
ik aan de blinde oneindigheid,
met haar zuigende krachten,
voor uw beweging, die de wet
volgt van de relativiteit.
De 'u' in dit gedicht
is niet de natuurkundige Albert Einstein,
maar de 'gij ', de gestorven geliefde, die
Achterberg hier buiten de begrenzingen van
ruimte en tijd hoopt te vinden. We hebben
hier een duidelijk voorbeeld van een
combinatie van Uranische en Neptunusiaanse
energieën, die door middel van het
dichterlijk scheppingsproces gestalte krijgt
in het gedicht (Mercurius conjunct cusp 3).
Verder maakt Mercurius een vierkant met de
Ascendant, waardoor de energie van de halve
vlieger ook in Achterbergs optreden merkbaar
moet zijn geweest. Opnieuw een citaat uit de
biografie van Hazeu: 'Hij had 'een
eigenaardige wijze van fragmentarisch
spreken, plotselinge aanzetten en soms diepe
en originele formuleringen, waarna hij dan
ineens stamelend zwijgt, zodat die min of
meer in de lucht komen te hangen. Deze
eigenaardige, vaak associatieve, bij vlagen
spontane en soms, ondanks zijn zachte stem
eruptieve manier van spreken, onderbroken
door aarzelingen, is hem altijd min of meer
bijgebleven, tenminste als het niet ging over
de gewone dingen van het dagelijks leven.'
Het lijkt erop dat Achterberg in zijn manier
van spreken tastend naar de formuleringen
zocht die hij in zijn poëzie tot
ontwikkeling bracht.
HALVE VLIEGER
TUSSEN URANUS IN STEENBOK IN 11, NEPTUNUS IN
KREEFT IN 5 EN SATURNUS IN VISSEN IN 1;
BRANDPUNT: SATURNUS
Bij de behandeling van Achterbergs Ascendant
is al gebleken dat Achterberg een in zichzelf
gekeerde, geremde, terughoudende en schuwe
man was. Met Saturnus in Vissen in 1 bracht
hij de innerlijke wereld zoals hiervoor
beschreven in het dagelijks intermenselijk
verkeer niet makkelijk naar buiten. Hij
bracht Achterberg bracht deze andere wereld
echter des te sterker tot uiting in zijn
poëzie (halve vlieger Uranus, Neptunus en
Mercurius; Saturnus sextiel Mercurius).
MARS RETROGRADE IN SCHORPIOEN IN 9
OPPOSITIE JUPITER IN STIER IN 3; PLUTO,
HEERSER 9, WERKT IN 5
In Achterbergs innerlijk woedde een sterke
agressie, die vooral ook seksueel was. Met
Mars in Schorpioen had hij een enorme libido,
die zich door de retrogradestand van Mars net
zo lang in hem ophoopte tot het tot een
uitbarsting kwam. Hij verloor twee keer door
bedreigingen en handtastelijk gedrag een
geliefde. De eerste keer dat het gebeurde, in
1927, maakte de secundaire Zon een conjunct
met Pluto (die ook met seksualiteit te maken
heeft). De tweede keer dat het gebeurde, eind
1932, stortte hij in en werd hij enige tijd
psychiatrisch opgenomen. Omstreeks die tijd
ging de secundaire Mars direct lopen, waarmee
de planeet zich dus duidelijker
manifesteerde. Achterberg heeft niet meer
meegemaakt dat de secundaire Mars zijn
geboortepositie passeerde. Kort voordat dat
gebeurde, stierf hij onverwacht aan een
hartaanval, op 17 januari 1962.
In de periode van augustus 1936 tot mei 1938
maakt Pluto-t vijf keer een vierkant met
Venus-r. De spanning die dit bij Achterberg
met betrekking tot 'de geliefde' moet hebben
teweeggebracht, ontlaadde zich op 15 december
1937 in het meest bekende feit uit zijn
leven: hij raakt met een schot uit een
pistool zijn hospita, die kort daarop aan de
gevolgen overlijdt, en verwondt haar
zestienjarige dochter. Hij wordt voor deze
'crime passionel' niet strafrechterlijk
vervolgd, maar krijgt TBR en verblijft
geruime tijd in diverse psychiatrische
inrichtingen (Saturnus op cusp 12). Een van
zijn psychiaters schreef over hem: 'Er was
een suïcide-affiniteit, Hij wilde zijn
sexuele drift, die hij als een gevaar zag en
waar hij niets mee kon beginnen - die drift
was enorm -tenietdoen, 'om zeep helpen',
desnoods zichzelf. Er was geen brug tussen
die drift en zijn omgeving. In deze lacune is
zijn poëzie gevallen.' Dit zou wellicht een
beschrijving kunnen zijn van Achterbergs
oppositie tussen Mars in Schorpioen in 9 en
Jupiter in Stier in 3 alsmede van de positie
van de heerser van 9, Pluto, in 5.
Achterbergs seksuele drift zal door de
'vergrotende' werking van Jupiter nog zijn
aangewakkerd, maar werd daardoor en door
Pluto in 5 tegelijk getransformeerd en
'herschapen' tot poëzie. Deze poëzie heeft
een sterk erotisch karakter, maar tegelijk
een sterk metafysisch. Eigenlijk beschrijft
Achterberg de erotiek als een metafysische
ervaring. Zo lezen we in 'Sexoïde':
Ik ben een man
geworden met twee lijven,
Nl. dat van mij en van mijn vrouw.
Als ik het voor het zeggen hebben zou
moesten zij eeuwig bij elkander blijven
en buiten in de nacht de engel dauw;
moest ik het argloos kunnen
nederschrijven.
Na enkle diepe schokken doet zich blauw
gelukkig licht bij haar naar binnen
drijven.
Niet elke dichter
schrijft op deze manier over de
geslachtsdaad. Overigens wordt deze typische
mengeling van erotiek en metafysica ook
weerspiegeld door het feit dat Mars bijheer
van 2 is, het huis waarover Neptunus
'hoofdheer' is en waarin Venus in Ram staat.
Dat het erotische karakter van zijn poëzie
verder eveneens door Venus heer 3 wordt
aangegeven, kwam al ter sprake.
ZUIDKNOOP IN VISSEN IN 1, NOORDKNOOP
IN MAAGD IN 7 ZON, HEERSER 7, IN 3
Deze posities van de Maansknopen passen bij
iemand die in het verleden erg op zichzelf
was, makkelijk dingen zelfstandig en in zijn
eentje deed. Zo iemand zou moeten leren met
anderen samen te werken en overleg te plegen.
Het is zeer de vraag of Achterberg het
laatste inderdaad heeft geleerd. Zoals al is
gebleken, was hij een eenling die een schuwe,
eigenaardige indruk maakte (Ascendant
Waterman, Saturnus in 1). Hij begaf zich niet
makkelijk in het 'normale' intermenselijke
verkeer. In plaats daarvan heeft hij het
thema 'ik en de ander' (ook aangegeven door
de onderschepte tekens Ram en Weegschaal) in
zijn poëzie uitgeleefd en het daarin
getranscendeerd tot de metafysische
vervulling van de ontmoeting met de 'gij',
zijn gestorven geliefde. Met de Zuidknoop
niet alleen in 1, maar ook in Vissen was hij
daar als het ware toe 'gepredestineerd',
terwijl de Noordknoop in 7 en Maagd aangeeft
dat hij dit doel concreet gestalte gaf in
zijn poëzie. Daarbij gaat het met name ook
om de vele verbeteringen die hij tot in de
drukproeven toe in zijn gedichten aanbracht.
Hij was zeer kritisch over zijn werk en
hechtte erg aan het oordeel van anderen. Maar
deze zelfkritiek diende uiteindelijk een
metafysisch doel. Het ging Achterberg erom
zijn poëzie volledig te zuiveren van alles
wat haar weghield van het pure,
oorspronkelijke goddelijke Woord. Vandaar dat
hij schreef:
Met dit gedicht
vervalt het vorige,
ik blijf mijn eigen onderhorige.
En dat hij zei: 'Ik ben
geen dichter, pas bij het volgende vers moet
dat blijken.' De Noordknoop in Maagd betekent
dienstbaarheid: Achterberg was de
'onderhorige' van zijn poëzie, die hij wilde
vervolmaken, telkens opnieuw. Zijn
voortdurende poging zich met de geliefde in
het vers te herenigen, was de reden van zijn
bestaan (Zon, heer 7, in 3).
Gerrit Achterberg stierf op 17 januari 1962.
Het gedicht dat op zijn grafsteen staat, is
een poëtische uiting van zijn dominante
energie Pluto in 5:
 |
Grafschrift
Van dood in dood gegaan,
totdat hij stierf.
De namen afgelegd, die hij verwierf.
Behoudens deze steen, waarop
geschreven:
De dichter van het vers, dat niet
bedierf.
|
© Arend Jan Bolhuis,
2001.
|