Dossier Vos (Vulpes vulpes)
Vos, bejagen of behagen ?

Met de komst van de nieuwe Flora- en Faunawet gaat er ook wat veranderen wat betreft de jacht op de Vos (Vulpes vulpes). Voortaan mag de vos alleen nog maar bejaagd worden bij aantoonbare schade. De jagers zijn niet te spreken over de maatregel, voor sommige dierenbeschermers gaat-ie zelfs niet ver genoeg. We verzamelden voor U een aantal artikelen en uitspraken in dit dossier. Ter lering ende vermaak!

DE VOS WEER DE GEBETEN HOND ?

Vorig jaar werden natuurliefhebbers opgeschrikt door het bericht dat er in Limburg enkele dode vossen waren aangetroffen met de vossenlintworm Echinococcus multilocularis in hun ingewanden. Deze lintworm kan dodelijk zijn voor de mens. Er zijn drie besmette vossen gevonden in het gebied rond Noorbeek, Margraten en Gulpen en twee in de omgeving van het Groningse Midwolda. Dierenbeschermers en jagers kruisen weer de degens met elkaar over de vraag of de jacht op de vos nu wel of niet zinnig is.

De vos is geen zeldzame verschijning in ons land. Hij geldt niet als een bedreigde diersoort en is momenteel niet beschermd. In België is de vos te allen tijde verdelgbaar, maar daar geldt een schoontijd in het voorjaar. Bovendien zijn de burchten van vossen bij onze zuiderburen beschermd. In Nederland is de vos zo goed als vogelvrij verklaard. Het afschieten van jonge vossen voor hun hol en het dichtgooien van vossenburchten, waardoor vossen soms levend worden begraven, krijgt echter steeds minder waardering van de publieke opinie.

Soort

De vos meet van kop tot romp 56 tot 78 centimeter. De staart kan 34 tot 49 centimeter lang worden. Een vos kan 3 ½ tot 10 kilo wegen. De mannetjes zijn iets groter dan de vrouwtjes. De vacht is meestal roodbruin van kleur, maar kan variëren tot geelbruin en aan de onderzijde van grijs tot bijna wit. Ook de relatief korte poten zijn een opvallend kenmerk van deze hondachtige. De vos is voornamelijk in de schemer en ‘s nachts actief. Vossen hebben verschillende manieren om te communiceren met hun soortgenoten. Bekend is dat vossen minstens 46 verschillende geluiden produceren, waarmee ze elkaar bijvoorbeeld kunnen waarschuwen, hun territorium afbakenen of met elkaar kunnen communiceren bij ontmoetingen in het veld. Zeer productief zijn de vossen in de periode van december tot februari. Dan zoeken de vossen naar een partner. Dat gaat gepaard met veel geblaf in de nachtelijke uren. Een andere communicatiemiddel is de geur. Aan weerszijden van de staart heeft de vos geurklieren. Een paar geurklieren bevindt zich bij de anus. Boven de staartwortel bevindt zich eveneens een klier. De afscheiding van deze klier zou de geur van viooltjes hebben en wordt daarom viooltjesklier genoemd. Ook tussen de tenen aan de voorpoten heeft de vos klieren. De afscheiding vertelt voorbijkomende vossen iets over het geslacht, de sociale status, de hiërarchische positie en de plaats van de vos, die op deze wijze zijn territorium heeft afgebakend. Vossen markeren hun territorium daarnaast met urine en met uitwerpselen, die op een goed zichtbare plaats worden gedeponeerd. Ook visuele signalen zijn van groot belang. Daarmee kan een vos dreiging, tolerantie of onderwerping uitdrukken. De houding van de kop, hals en oren zijn daarbij van wezenlijk belang.

Prooi

Vossen zijn wat voedselkeuze betreft veelzijdig. Uit onderzoek in Zweden en Frankrijk is gebleken dat konijnen en woelmuizen het hoofdbestanddeel van hun voedsel vormen. Daarnaast worden hazen, vogels, regenwormen, kevers, aas, eieren en afval gegeten. Ook bosvruchten en valfruit staan op het menu. Dit laatste voedsel kan tevens de besmettingshaard vormen voor de vossenlintworm. Men wordt daarom ontraden om bijvoorbeeld bramen en valfruit rauw te consumeren. De vos heeft verschillende methoden om zijn prooi te verschalken. Het meest spectaculair is de zogeheten muizensprong. De vos sluipt dan door de begroeiing en springt vervolgens met gestrekt lichaam in de lucht. Vervolgens belandt hij dan met een bewonderenswaardige nauwkeurigheid boven op de niets vermoedende prooi. Deze techniek wordt vooral gehanteerd om muizen en vogels te vangen. Het konijn besluipt hij vanuit een dekking en verschalkt hij in de sprint. Nesten haalt hij uit door in een boom of struik te klimmen. Ook kan hij prooidieren uitgraven, zoals slakken, wespen en muizen. Insekten slaat hij tegen de grond. Gewonde en zieke dieren achtervolgt hij. Regenwormen worden bij vochtig weer uit de grond getrokken. De jachttechniek van de vos geeft aanleiding tot allerlei verhalen. Zo wordt beweerd dat een vos een egel weet te verschalken door op hem te urineren. De egel geeft zijn bekende afweerhouding op en wordt zo het slachtoffer van de sluwe vos. Ook wordt verteld dat een vos wel eens doet alsof hij dood is, waardoor hij nieuwsgierige vogels lokt. Nog onwaarschijnlijker is het verhaal dat de vos zijn prooidieren hypnotiseert. Onzinnige theorieën, die we dan ook naar het rijk der fabelen moeten verwijzen. De vos heeft de naam een notoire kippendief te zijn. Schade aan pluimvee kan echter voorkomen worden door de vogels ‘s nachts in goed afgesloten hokken te houden. Een ander verwijt is dat de vos veel wild doodt. De vos versmaadt inderdaad een konijn of fazant niet. Het klinkt echter hypocriet om de vos te verwijten konijnen te doden, terwijl konijnen als schadelijk wild worden gezien. De vos is eerder een handlanger, dan een tegenstander van jager en landbouwer. De jacht op fazanten door vossen wordt door jagers zelf in de hand gewerkt, doordat zij nauwelijks aan de wilde natuur gewende fazanten uitzetten. In de jagerspropaganda wordt verder aangevoerd dat vossen ook korhoenders doden. De achteruitgang van het korhoen valt de vos niet te verwijten. Hier liggen grotere en minder grijpbare bedreigingen aan ten grondslag, waaronder de terugval van het oorspronkelijke heidegebied waar het korhoen zich thuisvoelt. Predatie is zelden een doorslaggevende oorzaak van achteruitgang van prooidieren. Een uitzondering vormt het Zwanenwater, waar Natuurmonumenten de vossenstand bewust reduceert. In dit gebied is de vos een betrekkelijke nieuwkomer, die het met name de lepelaar erg moeilijk maakte. In 1987 werden op 50 nesten alle jongen en eieren dood- of stukgebeten. De vos vormt dus in zekere zin een bedreiging voor koloniebroeders, die op de bodem broeden, zoals lepelaars en sommige meeuwensoorten. Een onderzoek naar de broedbiologie van de kuifeend in de Amsterdamse Waterleidingduinen heeft aangetoond, dat de sterke terugval van de eendensoort aldaar in het begin van de jaren tachtig in de eerste plaats is toe te schrijven aan predatie door vossen. Op dat moment was er weinig begroeiing aan de oevers van de geulen en drains, waardoor de vos het erg gemakkelijk werd gemaakt om kuifeend te vangen. Nu die begroeiing er wel is, is de predatie van kuifeend sterk afgenomen. Bovendien is het aantal konijnen in de Waterleidingduinen toegenomen, waardoor de vos voldoende alternatieve prooien kan vinden. Ook bij weidevogels is de predatie door de vos aanmerkelijk. Maar de wisselingen in broedvogelaantallen kunnen niet zonder meer alleen aan de vos toegeschreven worden. Er spelen meer factoren een rol bij de achteruitgang van bepaalde vogelsoorten.

Bejagen of behagen ?

Volgens jagers zijn er te veel vossen in ons land. Voor de Tweede Wereldoorlog werd de vos nog fel bejaagd, eerst om zijn vacht, later om zijn vermeende schadelijkheid. Na de oorlog was er inderdaad sprake van een toename. In 1969 werd de klem als legaal vangmiddel afgeschaft. Hierdoor verminderde de jachtdruk op de vos en kon de soort zich uitbreiden. Toch worden er jaarlijks nog zo'n 10.000 vossen geschoten. De vraag is of de populatiegroei van de vos ongezond is. Als norm wordt gehanteerd dat er niet meer dan een vos per vijfhonderd hectare mag voorkomen. Deze norm is gebaseerd op de achterhaalde manier om hondsdolheid te bestrijden door afschot. Tegenwoordig wordt gebruik gemaakt van lokaas met een vaccin, zodat afschot niet meer nodig is. Wetenschappelijk onderzoek van biologen heeft aangetoond dat de vos in de meeste gevallen niet beschouwd kan worden als een schadelijke predator. In sommige gebieden is er echter wel sprake van een onnatuurlijk hoge populatie. De vraag is of deze overbevolking alleen door afschot kan worden tegengegaan. Het beperken van het bijvoeren van de wildstand moet daarbij zeker ook ter discussie worden gesteld. De vos heeft weinig natuurlijke vijanden. Maar ziekte en ouderdom eisen wel hun tol. Bovendien is er maar beperkte ruimte voor vossen beschikbaar. Men schat dat een vos behoefte heeft aan een territorium van 100 tot 400 hectare groot. Overtollige vossen worden continue door hun sterkere soortgenoten verjaagd en sterven uiteindelijk aan voedselgebrek. Reductie van de vossenstand door middel van afschot lijkt dus moeilijk, omdat opengevallen plaatsen weer direct worden opgevuld door andere, zwervende vossen.

Er is een nieuwe flora- en faunawet in de maak. Daarin zal de jacht aanzienlijk aan banden worden gelegd. Alleen bij aantoonbare schade door wild mag dan nog gejaagd worden. Dat opent perspectieven voor de vos, van wie nooit eenduidig aangetoond is kunnen worden dat hij daadwerkelijk schadelijk is voor mens en natuur.

Literatuur

S. Broekhuizen e.a., Atlas van de Nederlandse zoogdieren, Utrecht 1992

Rogier Lange e.a., Zoogdieren van West-Europa, Utrecht 1994

Jaap Mulder, Vossen, 1993 (uitgave van de Stichting Kritisch Faunabeheer)

J. Reichholf e.a., Europese zoogdieren, Weert 1987

Werkgroep Bescherming Kleine Roofdieren (ed.), Dossier Kleine Roofdieren, Rotterdam 1984

Rolf Roos, Vossen: weren, schieten of tolereren? Voorbeeld: Het Zwanenwater, in: Duin 20 (1997), afl. 1, pp. 8-11

S. Siebenga, De vos rukt op, in: De Nederlandse Jager 101 (1996), afl. 17, pp. 6-7

Rob van der Valk, De mogelijke invloed van Vossen Vulpes Vulpes op de broedbiologie van de Kuifeend Aythya fuligula in de Amsterdamse Waterleidingduinen, in: Limosa 69 (1996), afl. 3, 97-102

Dieren in het Wild. Larousse Dierenencyclopedie, nr. 29: De Vos, Amsterdam 1995

Onderzoek naar het voorkomen van de Fuchsbandwurm bij vossen in het Nederlandse grensgebied, in: De Nederlandse Jager 102 (1997) afl. 15, pp. 8-9

Reageren op dit en onderstaande artikelen? Plaats een bericht op het forum van de club Fauna en Faunabeheer in Nederland


De vos moet beschermd worden

Dierenbescherming protesteert tegen jacht:

VOSSEN VERDIENEN MEER BESCHERMING

Vossen zijn nog steeds vogelvrij in Nederland. In de Jachtwet worden middelen 'tot delven en slaan' toegestaan om de dieren gedurende het hele jaar te doden. Ook in de periode dat de moedervossen zwanger zijn of zogen. Zelfs de pasgeboren vossen zijn niet veilig voor de jagers. De jonge dieren worden met behulp van kleine terriërs uit hun burcht gehaald, en vervolgens met knuppels of tegen een boom doodgeslagen. Als hun zogende moeder geschoten wordt buiten de burcht, verhongeren en verdorsten de jongen. Hoewel regiobestuurder C. Temmerman van de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging (KNJV) onlangs in de Telegraaf ontkende dat leden van zijn vereniging zich met dit soort methoden inlaten, blijft de KNJV tegen een verbod op dergelijke walgelijke jachtpraktijken.

Bij de jacht op de burcht spelen zich hartverscheurende taferelen af. Ondergronds speelt zich een 'hondengevecht' op leven en dood af, waarbij de moedervos of de jachthond uiteindelijk wordt doodgebeten. Sneuvelt de jachthond,dan wordt er een andere hond naar binnen gestuurd om het gevecht met de gewonde moedervos af te maken. Jagers beroepen zich erop dat deze activiteiten legaal zijn, evenals het (op speciale vergunning) met lichtbakken verblinden van vossen tijdens de nachtjacht.

Media-hetze

Vossen zijn concurrenten van jagers, en met allerlei loze verdachtmakingen proberen ze in de nieuwe Flora- en faunawet (nog niet van kracht) het dier alsnog landelijk of provinciaal onbeschermd verklaard te krijgen. Nooit tevoren was de haat zo groot en de media-hetze zo zorgvuldig door jagers geregisseerd. Toch zijn er ook steeds meer tegengeluiden te horen. Zoals onlangs van de Haagse boswachter Erik Evers, die zijn kippen verspeelde aan de vos, aanvankelijk naar het geweer greep, maar er al spoedig achter kwam dat afschieten geen zin heeft. Evers leverde zijn jachtakte in en besloot gewoon rekening te gaan houden met de aanwezigheid van de vos. Kippen in het nachthok, geen centje pijn meer. Hij besefte met vele anderen dat door de vos gegeten kippen niet de 'schuld' van de vos zijn, maar van de kippeneigenaar die z'n kippen onvoldoende bescherming heeft geboden.

Jagersfabels

Ook wetenschappers laten zich kritisch uit over de jagersfabels. Zo liet IBN-onderzoeker F. Niewold weten dat een vos fysiek niet eens in staat is een volwassen schaap dood te bijten (zoals jagers en en een enkele boer tegen beter weten in blijven beweren) en prikte vossendeskundige J. Mulder de mythe van de World Health Organisation (WHO) norm door. Er blijkt in het geheel geen WHO norm te bestaan die het maximale aantal vossen per ha. adviseert uit oogpunt van volksgezondheid, zo liet directeur Schneider van het WHO centrum voor hondsdolheid de onderzoeker desgevraagd weten. Desondanks blijft KNJV bioloog Siebenga stug doorgaan met het schermen met deze niet bestaande norm!

Ook de fabels rond de door vossen bedreigde weidevogelstand blijken geen stand te kunnen houden. Duinecoloog G.J. de Bruin uit Leiden en andere deskundigen geven keer op keer aan dat de problemen van de weidevogels te maken hebben met de te lage grondwaterstand, overbeweiding, overbemesting en te vroeg maaien. Als vossen al invloed hebben op de vogelstand, dan is dat hooguit incidenteel, zoals in het geval van de lepelaars in het Naardermeer die hun broed verstoord zagen door vossen. Vervolgens besloten de lepelaars te gaan broeden in bomen en op waddeneilanden, waardoor er inmiddels meer broedgevallen in Nederland zijn dan ooit tevoren! Tot enkele jaren geleden (1994) kregen jagers een beloning wanneer ze een vos gedood hadden. Leverde een jager op het politiebureau een vossenstaart in, dan ontving hij daarvoor 15,-. Acties van dierenbeschermers zorgden ervoor dat het beloningssysteem geschrapt werd.

De vos als symbool

Overal duiken op dit moment in de media berichten op over een oprukkende vossenstand, vossen die de weidevogel- en lepelaarstand zouden bedreigen, vossen die schapen zouden aanvallen, vossen die dodelijke ziekten zouden overbrengen, vossen die pas begraven lijken zouden opgraven en vossen die eerzame-meisjes-te-paard zouden achtervolgen, kortom de vos als symbool van alles wat slecht is en die vanuit primitieve angst bestreden dient te worden. Wie op zoek gaat naar een wetenschappelijke onderbouwing van deze vossenhaat, moet constateren dat wetenschappelijk veldonderzoek de jagers niet steunt. Maar hetzes kunnen nu eenmaal heel goed zonder wetenschappelijk bewijs, zeker wanneer het slachtoffer een dier is dat zich op geen enkele wijze tegen de aantijgingen kan verdedigen. Al in de Bijbel komt het Hooglied met de klaagzang dat 'de vossen de wijngaard zouden verderven'. Een stelling die even onzinnig is als alles wat in de loop van de geschiedenis tot en met de hetze van de jagers tegen het dier is ingebracht. Als de vos daadwerkelijk zo schadelijk zou zijn (volgens objectief onderzoek) als de jagers beweren, hebben ze niets te vrezen van de bescherming die de vos zal gaan genieten in de nieuwe Flora- en faunawet. Dan kunnen er op grond van die wetenschappelijke gegevens volop afschotvergunningen worden aangevraagd. Maar jagers willen geen verantwoording afleggen, ze willen een license to kill zonder voorwaarden. Ongecontroleerd hun gang kunnen gaan bij het bejagen van hun concurrent. Zo intensief dat de gemiddelde leeftijd van alle gedode vossen inmiddels tot onder de 2 jaar gedaald is.

Objectief wetenschappelijk onderzoek zou moeten prevaleren boven oerdriften en primitieve angsten. De Tweede Kamer kan in ieder geval met een jachtverbod op alle dieren -waaronder de vos- in draag-, zoog-, leg- en ruitijd, aangeven dat ze zich niet in de luren laat leggen door de jagers met hun vossenhetze.

Matthéüs Bleijenberg, Woordvoerder Dierenbescherming


Over wormen, vossen en mensen ...

JAGERS VERSPREIDEN DODELIJKE INFECTIEZIEKTE

Regelmatig verschijnen berichten in de media over de Trichinella spiralis en de Echinococcus multilocularis, wormen die zich via knaagdieren en hun predatoren verspreiden en die een bedreiging voor de volksgezondheid zouden kunnen vormen. In Duitsland zijn mensen aan de gevolgen van besmetting overleden en jagers willen graag doen geloven dat de vos de boosdoener is bij het overbrengen van de infectieziekte.

Vooral nu de vos in Nederland een semi-beschermde status gaat krijgen, roeren jagers en enkele hen gunstig gezinde biologen zich om dat “onheil” te elfder ure af te wenden. Zoals de gepensioneerde bioloog Deelder (Algemeen Dagblad 25-11) die ervoor pleit alle vossen uit te roeien. Hij vergelijkt het probleem met dat van BSE koeien. Hoewel ook huisdieren als honden en katten de besmetting over kunnen brengen pleit Deelder er wijselijk niet voor ook die dieren uit te roeien. Kennelijk heeft de (jagende?) bioloog meer tegen vossen. De jagers en hun vrienden hanteren echter een drogredenering. Microscopisch kleine eitjes van de Echinococcus lintworm kunnen via het voedsel van muizen en andere knaagdieren in de darm van deze dieren tot ontwikkeling komen. Uit een eitje ontwikkelt zich het tussenstadium, de blaasworm, die zich in de inwendige organen kan nestelen. De vos (of kat of hond…) die een besmet knaagdier eet, gaat dienst doen als gastheer voor de worm. De vos wordt niet ziek, maar de blaaswormen van de gegeten muis ontwikkelen zich in de darm van de vos tot een volwassen lintworm. Die worm scheidt leden af, gevuld met eitjes. De leden verlaten het lichaam met de uitwerpselen en de vrijkomende eitjes verspreiden zich met de wind en opspattende regen. Zo zouden ze op planten en bosvruchten terecht kunnen komen. Dieren die langslopen kunnen eitjes aan de vacht meekrijgen en via die weg de besmetting met eitjes veroorzaken. Ook zou besmetting rechtstreeks opgelopen kunnen worden bij consumptie van met eitjes besmette planten of vruchten, hoewel de kans daarop miniem is. De blaaswormen kunnen bij de mens dodelijk zijn, zeker wanneer ze uitgroeien in de lever. Dat kan echter pas vele jaren na besmetting kenbaar worden en dan te laat zijn. Hoewel de besmetting in Nederland nog nauwelijks bij vossen is waargenomen, lijkt de besmettingsgrens op te schuiven vanuit België en Duitsland in de richting van ons land. Onderzoek dat de Veterinaire Hoofdinspectie in 1998 onder 272 in de grensstreek geschoten vossen uitvoerde wijst uit dat op dit moment de besmetting sporadisch voorkomt in de grensstreek (2% van de onderzochte dieren in Groningse en Limburgse grensgebieden bleek besmet) terwijl op de Veluwe en in Zuid-Holland geen enkel geval van besmetting werd aangetroffen. Zolang kleine knaagdieren en hun natuurlijke vijanden in Nederland niet of nauwelijks besmet zijn, is er dus geen reden voor paniek. Jagers reageren echter door nog massaler een hetze tegen vossen aan te zwengelen en (niet-besmette) vossen af te schieten. Hierdoor ontstaan open plekken in de leefgebieden van de vossen. Die open plekken trekken juist de besmette dieren van over de grens aan!

Zo beschouwd zijn dus niet de vossen verspreiders van een dodelijke infectieziekte, maar de jagers. Het feit dat de mensen die in Duitsland overleden aan de genoemde lintworminfecties vrijwel zonder uitzondering jagers waren, geeft aan waar de risico’s gezocht moeten worden. Een argeloze natuurliefhebber die het geluk heeft een vos zijn pad te zien kruisen hoeft absoluut niet bang te zijn voor besmetting. Maar jagers die niet van vossen af kunnen blijven, ze doodschieten, laten apporteren of opensnijden, eigenaren van aardhondjes die hun terriërs een vossenburcht in sturen om pasgeboren vossenwelpjes dood te bijten en jagers die vossenburchten uitgraven, dat zijn de potentiële risicogroepen. En niet alleen zij. Ook degenen die hun kleren wassen, die met hen aan tafel zitten of het bed delen lopen risico op besmetting. Wat te denken van de jachthonden die in de grensstreek tijdens een gevecht in een vossenburcht van eitjes voorzien worden. Niet voor niets adviseert het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) dat honden die bij vossenjacht worden ingezet na afloop worden gedoucht en om de vier weken worden ontwormd. En waar vossenjagers als leden van de primaire risicogroep door het RIVM geadviseerd wordt bloedonderzoek te ondergaan ter toetsing van de aanwezigheid van antistoffen tegen de worm, weten leden van de secundaire risicogroep (buren, vrienden, kinderen) niet eens welk risico ze lopen. De dreiging bestaat met name in die kringen dat besmetting te laat wordt opgemerkt. Zou de besmetting als gevolg van intensieve bejaging zich uitbreiden over Nederland dan moeten niet de vossen gevreesd worden, maar de vossenjagers. Zij zijn in dat geval de voornaamste factor voor de verspreiding van de dodelijke lintworm. Contact met jagers en hun honden is dan uit gezondheidsoverwegingen ernstig af te raden.

Mensen zouden vossen niet langer moeten bejagen zonder noodzaak. Er zou een verbod moeten komen op de vossenjacht uit oogpunt van dierenwelzijn en volksgezondheid. Jagers die komend voorjaar in de grensstreek van Limburg en Groningen alsnog vossenburchten uitgraven om de jongen dood te slaan zijn gewaarschuwd. Het inademen van het stof rond en in de burcht kan fatale gevolgen hebben voor jagers en voor mensen die in hun omgeving leven. De natuur slaat terug…

drs Maaike Wermer (Dierenbescherming) en drs Niko Koffeman ( Faunabescherming )


Wormen, vossen en mensen 2

Echinococcus multilocularis is de kleine lintworm van de vos. Eieren van deze lintworm komen via vossenontlasting in het milieu terecht en kunnen door knaagdieren worden opgenomen. In deze knaagdieren ontwikkelen de eieren zich vooral in de lever tot blaaswormen; deze dieren worden ziek en zijn daardoor een gemakkelijke prooi voor vossen. Na door de vos te zijn verschalkt ontwikkelen zich uit de blazen nieuwe volwassen lintwormpjes in de darm van de vos. De mens kan zich besmetten met de eieren van de lintworm, die in het biotoop van besmette vossen voorkomen. Een besmetting kan zich jaren later pas openbaren als een ernstige aandoening, alveolaire echinococcose, genaamd. Daar deze ziekte vaak pas laat wordt onderkend en behandeling dan moeilijk is, is het voorkomen van een besmetting heel belangrijk.

De vossenlintworm is sinds lang in Centraal-Europa bekend en gezien recente studies hij vossen in andere delen van Europa lijkt het of de parasiet zich uitbreidt in noordelijke en westelijke richting. In het najaar van 1996 is in Nederland een onderzoek gestart in de grensgebieden met als doel te inventariseren of deze parasiet ook in Nederland voorkomt. Dit onderzoek werd uitgevoerd door het Rijksinstittuut voor de Volksgezondheid en het Milieu (RIVM) in opdracht van de Veterinaire Hoofdinspectie van de Volksgezondheid. Mede door de goede samenwerking met de KNJV en participerende jagers uit het grensgebied kon in korte tijd een groot aantal vossen worden onderzocht. Uit dit onderzoek bleek dat de vossenlintworm ook in Nederland werd gevonden, echter alleen in Groningen en Zuid-Limburg. Een verslag van dat onderzoek is verschenen in de Nederlandse Jager nr 15 in 1997. Als vervolg op dat onderzoek is in het najaar van 1997 gestart met een onderzoek op de Veluwe met als doel te onderzoeken of de vossenlintworm zich verder door Nederland heeft verspreid. De Veluwe heeft ook een belangrijke recreatieve functie, waarbij het van belang is om te weten of bezoekers preventief moeten worden voorgelicht over deze parasiet.

HET ONDERZOEK OP DE VELUWE

De Veluwe is verdeeld in een groot aantal gebieden waarbij naast de plaatselijke WBE’s ook de medewerking van een aantal andere organisatie belangrijk was om vossen uit een zo groot mogelijk gebied bij het onderzoek te betrekken. De vossenpopulatie werd geschat op zo’n 2000 dieren (zomertelling), voor het onderzoek waren ongeveer 70 dieren nodig. Zoals bij het vorige onderzoek van vossen uit de grensgebieden, werden de geschoten vossen na aanmelding binnen 24 uur per koeriersdienst bij het RIVM afgeleverd en opgeslagen in een -20C diepvriescontainer tot aanvang van het onderzoek. Tijdens het onderzoek werden dezelfde voorzorgsmaatregelen genomen om het risico van besmetting voor de mens te beperken. Deze voorzorgsmaatregelen bestonden uit het invriezen bij –80C van de karkassen gedurende de week voorafgaande aan het onderzoek en het gebruik van beschermende kleding. Tijdens de autopsie werd de gehele dunne darm verwijderd en een gedeelte van de inhoud van de endeldarm. De dunne darm en de darminhoud werden respectievelijk onderzocht op het voorkomen van de volwassen lintwormen en lintwormeieren. In totaal zijn er 81 vossen bij het R1VM aangekomen, waarvan een aantal dieren niet in onderzoek konden worden genomen, b.v. door de (gedeeltelijke) afwezigheid van het darmpakket. In totaal zijn 72 vossen verspreid over de hele Veluwe onderzocht. Bij geen van deze dieren is een besmetting met de vossenlintworm vastgesteld. Hoewel op basis van de resultaten niet mag worden gesteld dat de parasiet absoluut niet op de Veluwe voorkomt, mag wel worden aangenomen, dat de aanwezigheid van de vossenlintworm op de Veluwe minder waar- schijnlijk is. Toch blijft enige voorzichtigheid geboden.

BETEKENIS VAN DE ONDERZOEKSRESULTATEN VOOR DE NEDERLANDSE JAGER

Het risico voor de mens om geïnfecteerd te worden met de eieren van deze parasiet is, zeker in gebieden zoals hierboven beschreven, heel klein, maar kan niet geheel worden uitgesloten. Mensen kunnen zich besmetten door de opname van lintwormeitjes via de mond. Hoewel de eieren van de parasiet worden uitgescheiden via de ontlasting en zo in de buitenwereld komen, kunnen vossen door likken ook de eigen pels weer bevuilen. Het is daarom aan te raden vossen niet met de blote handen aan te pakken. Ook de vacht van jachthonden kan besmet raken met de eieren en door aaien kan de mens zichzelf weer besmetten. Daarnaast zijn honden en katten muizeneters en kunnen zich op die manier besmetten. Een andere mogelijkheid, die zeker niet is aangetoond, maar waarvan gedacht wordt dat een besmetting tot stand zou kunnen komen is opname met een voedingsmiddel, waarop de eieren aanwezig zouden kunnen zijn. Bijvoorbeeld wilde bosvruchten zoals bramen, frambozen of bosbessen waarop de eieren terecht zijn gekomen. Ook het werken met blote handen in besmette aarde kan een mogelijke besmettingsbron zijn.

Ondanks het geringe besmettingsrisico voor de mens, is het voorkomen van een besmetting natuurlijk uitermate belangrijk, omdat dit een ernstige ziekte tot gevolg kan hebben. Daarom is het ook in gebieden waar de lintworm niet is gevonden met name voor mensen, die in aanraking kunnen komen met (geschoten) vossen, raadzaam enige voorzorgsmaatregelen te nemen.

VOORZORGSMAATREGELEN:

Vossen alleen met handschoenen aan beetpakken en alleen vervoeren in plastic zakken. Na afloop, ook na het dragen van handschoenen, de handen wassen; Honden, die bij de jacht worden ingezet, elke 3 maanden ontwormen met een speciaal antiwormmiddel (praziquantel, verkrijgbaar bij de dierenarts). Wandelaars en natuurliefhebbers behoeven niet ongerust te zijn maar het is aan te raden met enkele hieronder genoemde voorzorgsmaatregelen rekening te houden:

Raak geen (dode) vossen of uitwerpselen van vossen aan met de blote handen.

fruit eerst grondig wassen voor consumptie; beter is het nog om dergelijk fruit te koken.

Was de handen goed na tuinieren en andere grondwerkzaamheden.

Met dank aan:

Bernard Arends (Vl), Gerard Visser (VHI), Margiet Montizaan (KNJV), jagers van desbetreffende WBE’s op de Veluwe, De Vereniging Natuurmonumenten, De Kroondomeinen, Nationaal Park de Hoge Veluwe, Het Gelders Landschap, het Ministerie van Defensie en Staatsbosbeheer voor hun medewerking aan het onderzoek.

Bron : KNJV


TERUG