Hoofdstuk uit The
Gospel of Buddha door Paul Carus. Uitgave Samata Books, India 1987.
Vertaling
Bert Leguijt.
Kutadanta,
het hoofd van de brahmanen uit het dorp Danamati, benaderde de gezegende
respectvol, groette hem en zei: “Mij is verteld, o shramana, dat u de
Boeddha, de heilige, de alwetende bent, de heer van de wereld. Maar als u de
Boeddha bent, waarom komt u dan niet als een koning in al zijn glorie en
kracht?”
De gezegende zei: “Uw ogen zijn ongeopend.
Als het oog van uw geest helder was, zou u de glorie en kracht van de waarheid
kunnen zien.”
Kutadanta zei: “Toon me de waarheid en ik
zal haar zien. Maar uw leer is zonder samenhang. Als het vastheid heeft, blijft
het bestaan; maar als het dat niet heeft, gaat het voorbij.”
De gezegende antwoordde: “Ik zal de
waarheid nooit verlaten.”
Kutadanta
zei: “Mij is verteld dat u de wet onderwijst, maar u breekt met religie. Uw
discipelen kijken neer op riten en offeren niet meer; maar verering voor de
goden kan alleen getoond worden door offers. In essentie bestaat religie uit
aanbidding en het plegen van offers.”
Boeddha zei: “Belangrijker dan het offeren
van ossen is het opofferen van het zelf. Hij die aan de goden zijn zondige
verlangens offert, zal de nutteloosheid van het geslachte dier op het altaar
zien. Bloed heeft geen reinigende kracht, maar de uitroeiing van verlangen
maakt het hart puur. Beter dan het aanbidden van goden is het gehoorzamen aan
de wetten van rechtvaardigheid.”
Kutadanta,
een religieus man en bezorgd over de toekomst van zijn ziel, had ontelbare
dieren geofferd. Nu zag hij de dwaasheid in van de verzoening door bloed. Nog
niet helemaal tevreden met de leringen van de Tathaga, ging Kutadanta
verder: “U gelooft, o meester, dat wezens zijn wedergeboren; dat zij verhuizen
in de evolutie van het leven; en dat – onderhevig aan de wet van karma – we
moeten oogsten wat we hebben gezaaid. En u leert het niet-bestaan van de ziel!
Uw volgelingen prijzen de term zelfuitdoving als het hoogste gelukzaligheid van
het nirvana. Als ik alleen een combinatie van de samskaras ben, zal mijn
bestaan ophouden als ik sterf. Als ik alleen een verzameling ben van
gewaarwordingen, ideeën en verlangens, waarheen kan ik gaan na het uiteenvallen
van het lichaam?”
Toen zei de gezegende: “O, brahmaan,
u bent religieus en serieus. U bent werkelijk bezorgd om uw ziel. Uw werk is
echter tevergeefs omdat u één belangrijk ding vergeet. Er is wedergeboorte van
persoonlijkheid , maar geen verhuizing van het zelf. Uw gedachtevormen herverschijnen, maar er is geen zelfentiteit
verplaatst.
Een stanza uitgesproken door een
leraar wordt herboren in de student die de woorden herhaalt. Alleen door
onwetendheid en zelfbedrog geven mensen zich over aan de droom dat hun zielen
gescheiden en zelfbestaande entiteiten zijn.
Uw hart, brahmaan, valt evengoed uiteen tot
het zelf. U bent bezorgd over de hemel, en u zoekt in de hemel de genoegens van
het zelf; daardoor kunt u de gelukzaligheid en de onsterfelijkheid van de
waarheid niet zien.
Zeker, ik zeg u: de gezegende is niet
gekomen om de dood te onderwijzen, maar het leven. En u kent het onderscheid
tussen de aard van dood en leven niet.
Dit lichaam zal oplossen en niets van een
offer zal het kunnen bewaren. Daarom: zoek het leven dat van de geest is.
Waar het zelf is, kan de waarheid niet
zijn; maar als de waarheid komt, dan verdwijnt het zelf.
Daarom: laat uw geest in de waarheid
rusten, draag de waarheid uit, zet uw hele wil in het teken van de waarheid en
spreid het uit. In de waarheid zult u voor altijd leven.
Het zelf is dood en de waarheid is leven.
Het uiteen vallen van het zelf is een onophoudelijk sterven, maar beweging in
de waarheid, het deelnemen in nirwana, is het eeuwigdurende leven.”
Kutadanta
zei: “Waar, o eerwaarde meester, is nirwana?”
“Nirwana is waar aan alle voorwaarden is
voldaan,” antwoordde de gezegende.
“Begrijp ik het goed,” reageerde de
brahmaan, “dat nirwana geen plaats is, en het nergens zijn zonder werkelijkheid
is?”
“U
begrijpt me niet goed,” zei de gezegende. “Nu, luister en beantwoordt deze
vraag: Waar houdt de wind zijn verblijf?”
“Nergens,” was het antwoord.
Boeddha ging verder: “Dan, heer, is er niet
zoiets als wind.”
Kutadanta bracht er niets tegen in, en de
gezegende vroeg weer: “Zeg me, o brahmaan, waar woont wijsheid? Heeft wijsheid
een plaats?”
“Wijsheid heeft geen aan te wijzen
verblijfplaats,” antwoordde Kutadanta.
De gezegende zei: “Bedoelt u te zeggen dat
er geen wijsheid, geen verlichting, geen rechtvaardigheid en geen verlossing,
omdat nirwana geen plaats is?
Zoals een grote en krachtige wind, die
waait over de aarde in de hitte van de dag, zo komt de Tathagata om te
waaien over de geesten van de mensheid, met de adem van zijn liefde, zo fris,
zo zoet, zo zacht, zo heerlijk; en degenen met kwellende koorts worden
verlichten van hun lijden en zij verheugen zich op de verfrissende bries.”
Kutadanta
zei: “Ik voel, o heer, dat u een grote leer verkondigt, maar ik kan het niet
begrijpen. Vergeef me dat ik u weer vraag: Vertel me, o heer, als er geen atman
is, hoe kan er dan onsterfelijkheid zijn? De activiteit van de geest dooft
uit en onze gedachten gaan heen als we niet meer denken.”
Boeddha antwoordde: “Ons denken is vergaan,
maar onze gedachten gaan door. Het beredeneren houdt op, maar de kennis
blijft.”
Kutadanta zei: “Hoe is dat? Is het
beredeneren en kennis niet hetzelfde?”
De gezegende legde dit uit aan de hand van
een voorbeeld. “Het is zoals een man die ’s nachts een brief wil sturen. Hij
laat een bediende komen, die ontsteekt een lamp en schrijft de brief. Dan, als
dat klaar is, blaast hij de lamp uit. Als hij de lamp uitgedaan heeft, is de
brief er nog steeds. Zo houdt het beredeneren op te bestaan en blijft de kennis
bestaan. Op dezelfde manier houden de activiteiten van de geest op te bestaan,
maar ervaring, wijsheid en alle vruchten van ons handelen blijven bestaan.”
Kutadanta ging verder: “Vertel me, o heer,
als de samskaras opgelost zijn, waar is dan de identiteit van mijn zelf? Als
mijn gedachten zich verbreiden en mijn ziel verhuist, zullen mijn gedachten
ophouden míjn gedachten te zijn en mijn ziel ophouden míjn ziel te zijn. Geef
me een voorbeeld, ik smeek het u, o heer, vertel me: waar is de identiteit van
mijn zelf?”
De gezegende zei: “Veronderstel: een man
steekt een lamp aan. Zal de lamp de hele nacht branden?”
“Ja, dat zal zo zijn,” was het antwoord.
“Nu: is het dezelfde vlam die brandt
tijdens de eerst wacht van de nacht, als de tweede wacht?”
Kutadanta aarzelde. Hij dacht: “Ja, het is
dezelfde vlam,” maar uit angst voor complicaties van een verborgen betekenis,
en voor de zekerheid zei hij: “Nee, dat is het niet.”
“Dan”, ging de gezegende verder, ”zijn er
twee vlammen: één in de eerste wacht en één in de tweede wacht”.
“Nee, heer,” zei Kutadanta. “Aan de ene
kant is het niet dezelfde vlam, maar aan de andere kant is het wel dezelfde
vlam. Zij brandt van hetzelfde materiaal, zij verspreidt hetzelfde soort licht
en zij brandt met hetzelfde doel.”
“Heel goed,” zei Boeddha, “en zou je deze
vlammen dezelfden willen noemen als die gisteren gebrand hebben, en die nu
branden in dezelfde lamp, gevuld met dezelfde soort olie, verlichtende dezelfde
kamer?”
“Ze zullen overdag gedoofd zijn,”
suggereerde Kutadanta.
De gezegende zei: “Stel dat de vlam van de
eerste wacht is uitgedoofd gedurende de tweede wacht, zou je het dezelfde vlam
willen noemen als zij weer brandt in de derde wacht?”
Kutadanta antwoordde: “Aan de ene kant zijn
het verschillende vlammen, aan de andere kant niet.”
De Tathagata vroeg nogmaals: “Heeft de tijd
die verstrijkt tijdens het uitdoven van de vlam iets van doen met haar
identiteit of niet-identiteit?”
“Nee, heer”, zei de brahmaan, “dat heeft hij
niet. Naast dat verschil heeft de vlam haar identiteit. Of er vele jaren
verstrijken of alleen één seconde, en of de lamp in de tussentijd is uitgedoofd
of niet, verandert niets aan haar identiteit.”
“Nu, dan zijn we het erover eens dat de
vlam van vandaag in zekere zin dezelfde vlam is als van gisteren, en aan de
andere kant dat zij elk moment verschillend is. Bovendien, de vlammen van dezelfde soort die met dezelfde kracht
dezelfde soort kamers verlichten, zijn in zekere zin dezelfde.”
“Ja heer”, antwoordde Kutadanta.
De gezegende ging verder: “Nu, stel er is
een man die voelt als u, denkt als u, doet als u; is hij niet dezelfde man als
u?”
“Nee, heer”, onderbrak Kutadanta.
Boeddha zei: “Ontkent u dat de logica die
goed is voor uzelf, goed is voor de dingen van de wereld?”
Kutadanta bedacht zichzelf en ging langzaam
verder: “Nee, dat ontken ik niet. Dezelfde logica is goed voor de wereld, maar
er is iets bijzonders in mijzelf dat het doet verschillen van al het andere, en
van het zelf van anderen. Ook al is er een man die zich precies zo voelt als
ik, denkt als ik, doet als ik; zelfs al heeft hij dezelfde naam en hetzelfde
bezit; hij zal mij niet zijn.”
“Zeker, Kutadanta”, antwoordde Boeddha,
“hij zal u niet zijn. Nu, vertel me: is de persoon die naar school gaat één, en
de persoon die de school heeft afgemaakt een ander? Is degene die een misdrijf
begaat een ander als degene die wordt gestraft door het afhakken van zijn
hand?”
“Zij zijn dezelfde”, was het antwoord.
“Wordt dan hetzelfde-zijn alleen gevormd
door continuïteit?” vroeg de Tathagata.
“Niet alleen door continuïteit,” zei
Kutandanta, “maar ook en vooral door identiteit en karakter.”
“Heel goed”, concludeerde Boeddha, “dan
stem je erin toe dat personen dezelfde kunnen zijn in dezelfde zin als twee
vlammen van dezelfde soort dezelfde genoemd kunnen worden. En u moet erkennen
dat in deze zin een man met hetzelfde karakter en resultaat van hetzelfde
karma, dezelfde is als u.”
“Dat doe ik,” zei de brahmaan.
Boeddha ging verder: “En in deze zin alleen
bent u vandaag dezelfde als gisteren. Uw natuur wordt niet gevormd door de
materie waaruit uw lichaam bestaat, maar door de vorm van het lichaam, door de
gewaarwordingen, door de gedachten.
Uw persoon is de combinatie van de
samskaras. Waar zij zijn, daar bent u. Waar zij ook heen gaan, daar gaat u
heen. Zo zult u aan de ene kant een identiteit van uzelf erkennen, en aan de
andere kant niet. Maar hij die de identiteit niet erkent zal alle identiteit ontkennen,
en zal zeggen dat de vragensteller niet langer dezelfde persoon is als degene
die een moment later antwoord krijgt.
Let nu op de voortgang van uw
persoonlijkheid die gelegen is in uw karma. Noemt u het dood en verderf, of
leven en doorgaand leven?”
“Ik noem het leven en doorgaand leven”, zei
Kutandanta blij, “want het is het doorgaan van mijn bestaan, maar ik maak me
geen zorgen over dat soort van doorgaan. Waar ik me om bekommer is het
voortbestaan van het zelf in díe zin, die alle mensen in alle opzichten
verschillende personen maakt, of die mensen identiek gelijk aan mij zijn of
niet.”
“Heel
goed,” zei Boeddha. “Dit is wat u verlangt en dit is het uiteen vallen tot het
zelf. Dit is uw fout. Alle voorwaardelijke dingen zijn vergankelijk: ze komen
op en vergaan. Alle voorwaardelijke dingen zijn onderworpen aan pijn: zij
willen afgescheiden zijn van waar zij van houden en zijn gaan samen met wat
zijn verafschuwen. Alle voorwaardelijke dingen
ontberen een zelf, een atman, een ego.”
“Hoe is dat?” vroeg Kutadanta.
“Waar is uw zelf?” vroeg Boeddha. En toen
Kutadanta geen antwoord gaf, ging hij verder: “Uw zelf waarin u uiteenvalt is
een altijddurende verandering. Jaren geleden was u een baby, daarna was u een
jongen, daarna een jongeman, nu bent u een man.
Is er enige gelijkenis tussen de baby en de
man? Er is alleen in zekere zin gelijkenis. Inderdaad, er is meer gelijkenis
tussen de vlammen van de eerst en de derde wacht, ook al is de lamp uitgedoofd
tijdens de tweede wacht.
Nu, welke is het ware zelf: dat van
gisteren, dat van vandaag of dat van morgen, dat wat u wilt inhouden of dat wat
u wilt uitleven?”
Kutadanta was onthutst: “Heer van de
wereld”, zei hij, “ik zie mijn fout in, maar ik ben verward en stil.”
De
tathagata ging verder: “Het is door een proces van evolutie dat samskaras
worden wat ze zijn. Er is geen samskara die een wezen binnen gaat zonder een
geleidelijke aanpassing. De samskaras zijn het product van uw daden in
voorgaande bestaanswijzen. De combinaties van de samskaras bent u zelf. Waar ze
dan ook een indruk achter laten, daar zullen ze zich heen verplaatsen. Door uw
samskaras zult u blijvend leven en zult u in toekomstige bestaansvormen oogsten
wat u in het verleden zaaide.”
“Maar, o heer”, zei Kutadanta, “dit is geen
eerlijke vergelding. Ik kan er de rechtvaardigheid niet van inzien dat anderen
zullen oogsten van wat ik nu zaai.”
De
gezegende wachtte een moment en antwoordde toen: “Is alle onderwijs voor niets
geweest? Heeft u niet begrepen dat deze anderen uzelf zijn? Dus uzélf zal
oogsten wat u zaaide; niet anderen.
Denk aan een lompe en berooide man, die
lijdt aan zijn ellendige toestand. Als jongen was hij vadsig en traag en toen
hij opgroeide leerde hij geen beroep om in zijn levensonderhoud te kunnen
voorzien. Wilt u zeggen dat zijn ellende geen resultaat is van zijn eigen
handelen, omdat de volwassene niet langer dezelfde is als de jongen?
Ik zeg u dit: niet in de hemel, niet in het
midden van de zee, niet als u zich verbergt in de spelonken van de bergen, zult
u een plek vinden waar u kunt ontsnappen aan de vruchten van uw kwade daden. En
tegelijkertijd kunt u er zeker van zijn dat u de zegeningen ontvangt van uw
goede daden.
Hij die na een lange reis veilig thuis
keert, wacht het hartelijk ontvangst van vrienden en kennissen. Zo wachten de
vruchten van zijn goede werken op de man die het rechtvaardige pad ging, op het
moment dat hij overgaat van het huidige leven naar het hiernamaals.”
Kutadanta
zei: “Ik geloof in de pracht en de voortreffelijkheid van uw leringen. Mijn oog
kan het licht nog niet velen, maar ik begrijp nu dat er geen zelf is. Nu daalt
de waarheid op mij neer. Offers kunnen niets garanderen en gebeden tot goden
zijn ijdele woorden. Maar hoe zal ik het pad naar het eeuwige leven vinden? Ik
ken alle Vedas uit mijn hoofd, maar heb de waarheid niet gevonden.”
Boeddha zei: “Leren is goed, maar het helpt
u niet. Ware wijsheid kan alleen verworven worden door het doen. Breng de
waarheid dat uw broeder dezelfde is als u in praktijk.
Ga het edele pad van rechtvaardigheid en u
zult begrijpen dat de dood in het zelf is en onsterfelijkheid in de waarheid.”
Kutadanta zei: “Laat mij mijn toevlucht
nemen tot de gezegende, tot de leer en tot de gemeenschap. Neem mij als uw
discipel aan en maak me deelgenoot van de gelukzaligheid van de
onsterfelijkheid.”
shramana: een asceet, iemand die onder een gelofte leeft
samskara: gesteldheid, aard, neiging
brahmaan: priester, lid van de hoogste kaste in India
stanza: strofe, vers
Tathagata: iemand die de waarheid heeft bereikt en komt om
deze te verkondigen
atman: het zelf, de ziel, het ego
Vedas: heilige boeken van Hindoes