|
|
Het valt niet te ontkennen.De appelvink is een raar dier.Je ziet hem nooit en wie hem toch ooit mocht aanschouwen rept over een buitensporig dikke nek,een forse kop en een gigantische snavel.Dat uiterlijk is natuurlijk niet voor niets.Net als alle andere vinken is ook de appelvink een zaadeter.Vandaar de typische conische vinkenbek.In Nederland foerageert de appelvink vooral op haagbeuk,esdoorn,boskriek en vogelkers,maar zijn kraakvermogen gaat veel verder.Pitten van olijven of kersen krijgt hij fijn.De wetenschappelijke naam van de appelvink,Coccothraustes,betekent dan ook pittenverbrijzelaar.En om olijfstenen te kraken,is een kracht van vijftig tot tachtig kilo nodig.Een knappe prestatie voor een dier van hooguit zestig gram. Om zo'n enorme kracht te kunnen uitoefenen zijn dikke en lange spieren nodig.De kaakspieren omsluiten de hele kop en ook de nek is 'gevuld' met spieren.Samen met de wat korte staart en gedrongen lijf geven nek,bek en kop de appelvink zijn bodybuilder-uiterlijk.
|
De snavel oogt vervaarlijk en bepaalt volgens een aantal onderzoekers in hoge mate het baltsgedrag van de man.Een appelvink ,ook de vrouwelijke,heet agressief te zijn. Protserig machogedrag is er bij de appelvinkman echter niet bij. Heel voorzichtig,veelal met afhangende vleugels en gebogen nek nadert hij de vrouw.Hij rekt zich zover uit dat zijn bek die van haar kan raken.Vooral in het begin kan de vrouw knap afwijzend en zelfs agressief aanvallend reageren.Langzaam maar zeker- mits de man zich houdt aan een strak ritueel - ontdooit ze.Dan mondt de voorzichtige toenadering uit in een gezamelijke vleugeldans met neerhangende vleugels en bekgetip.Het baltsvoederen kan beginnen.Tere boomknoppen als teken van verbond. Niet alleen het baltsgedrag ,ook de zang is a-typisch voor vinken.Het merkwaardige samenraapsel van roepjes ,psik-tik,tsie,tsik aangevuld met kweelgeluiden kan nauwelijks zang genoemd worden.Maar ach, zijn verenkleed en snavelkleur compenseren veel.Een oranjebruine, naar de nek toe grijs kleurende kop,een pikzwart slabbetje onder de snavel, een grijsblauwe bek en vleugelpennen met paarsgroene glans.Als extraatje zijn vier van die pennen aan het uiteinde ingesneden en gekruld.Dat heeft geen enkele andere vink.De vrouw lijkt sprekend op de man ,al toont zij aanmerkelijk valer.
|
|
KOLONIEBROEDERS DOEN HET BETER. Appelvinken broeden in kleine kolonies - meestal drie tot zes met soms uitschieters naar twintig paar - en solitair.Voor de jongen vormen de rupsen van de kleine wintervlinder en de groene eikenbladroller het belangrijkste voedsel. Het is dus belangrijk dat de eieren uitkomen op het moment dat de rupsen talrijk zijn. Dat is van eind april tot begin juli.Uit onderzoek blijkt dat koloniebroeders het uitkomen van de eieren beter weten te plannen dan solistisch broedende appelvinken.Het broedsucces van groepsbroeders is dan ook groter. Waarom ze niet allemaal in groepen gaan zitten ,is bij lange na niet duidelijk. Ongetwijfeld zal de kwaliteit van de broedbiotoop - rust ,veiligheid ,voedselrijkdom - een rol spelen, maar ook in prima broedgebieden verkiezen sommige paren de eenzaamheid. Territoriaal zijn ze geen van alle.Solitaire én koloniebroedende vogels verdedigen eigenlijk alleen maar hun nest..Een groter gebied onder controle houden lijkt ook niet nodig. De voedselgronden liggen verspreid en lang niet altijd in de directe omgeving van het nest.
|
|
POLDERVINKEN BROEDEN OOK IN DE STAD. Van oudsher is de appelvink talrijk in oude landgoedbossen - zoals op de Utrechtse Heuvelrug -de hellingbossen in Zuid-Limburg ,de Veluwe en de beekbegeleidende bossen in Twente en de Achterhoek.Sinds een jaar of vijftien mag ook Flevoland tot een echt bolwerk worden gerekend. De snelgroeiende populierenbossen met hun rijke ondergroei - de grond is daar pure kleikennen een hoge aapelvinkdichtheid én broedsucces.Die 'poldervinken 'broeden bovendien in tuinen en en parken van steden.Het 'Flevo-gedrag ' is intussen gedeeltelijk geexporteerd:ook de populierenbossen in de polders van het oude land zijn ontdekt door broedse appelvinken. De oude bolwerken bleven ondertussen wel bestaan .Noord-Brabant kent nauwelijks broedende appelvinken ,voldoende structuurrijke loofbossen ten spijt. Een verklaring is er niet.
|
|
 |
HIJ GROSSIERT IN SUPERLATIEVEN,HEEFT DE STERKSTE KAAKSPIEREN,DE DIKSTE KNOBBELS IN DE BEK,DE FRAAIST GEFRANJERDE VEREN EN HET A-MUZIEKAALSTE GEZANG.HIJ VEROORZAAKT DE GROOTSTE FRUSTRATIE BIJ TELLERS EN GEWONE VOGELKIJKERS,MAAR BIEDT OOK DE HOOGSTE VOLDOENING. DE APPELVINK!
|
Om zaden te kunnen verbrijzelen, hebben alle vinken gegroefde steunplaten in het verhemelte. Met de papegaaiachtige tong worden daarin zaden vastgezet en rondgedraaid.De bek is gesloten en onder-en bovenkaak pellen zo het zaad.Meerdere zaadjes van verschillend formaat tegelijkertijd kan hij ook best aan. De appelvink heeft een extra aanpassing.In de onder-en bovensnavel zitten twee hoornige knoppen.Zijdelingse kaakspieren 'bedienen' de knoppen en zorgen ervoor dat een kracht van wel tachtig kilo kan worden uitgeoefend.Het moment van kraken geeft een forse klap.Wie kent er niet het pijnlijke effect van geplette vingers bij het kraken van een noot ?Een te harde klap op één plek zou makkelijk schade aan de vogelschedel kunnen veroorzaken. Bouw en spieren zorgen daarom voor een mooie gelijkmatige verdeling. De 'bouw' van zulk specialistisch gereedschap vergt tijd: pas na de eerste winter zijn de groeven voldoende groot en de spieren sterk genoeg om kersen-en olijfpitten te kunnen kraken.De jonge appelvink beperkt zich tot het zachtere zaad. Toch zit er aan die supergespecialiseerde snavel iets merkwaardigs ;een deel van het jaar lijkt hij niet handig.In het voorjaar eet een appelvink knoppen van de bomen en nog wat later de rupsen van de kleine wintervlinder en groene eikenbladroller. Voor zulk fijn voedsel lijkt een kleinere,dunnere snavel een beter instrument.
|
|
GROEPSVORMING IN DE KOUDE MAANDEN. Een deel van onze appelvinken overwintert hier ,een deel trekt naar Zuid-Frankrijk en Noord-Italie. Noordelijkere broedvogels brengen hier de winter door.In die koude maanden vormen de appelvinken wintergroepen van soms zes,soms twintig en zelfs wel meer dan honderd individuen. Ze slapen en foerageren samen. In het voorjaar vallen de groepen uiteen.Vaak nog vóór dat uiteenvallen beginnen de mannen met hun luidruchtige zang,lekker goed zichtbaar hoog in de bomen. Maart-april is de balts op zijn hoogtepunt en worden de paartjes gevormd. Hebben vink en keep eerst een territorium en dan pas een vrouw ,bij de appelvink gaat het andersom. Toch is het de man die de nestplaats uitzoekt. Appelvinken horen thuis in loofbossen danwel gemengde bossen met een fatsoenlijke kruid-en struiklaag. Zomereik en beuk zijn populair als nestboom, maar ook naaldbomen worden gebruikt. In Flevoland ,het belangrijkste broedgebied in Nederland ,zoeken ze zoete kers ,populier en spaanse aak op. Op een hoogte van minimaal drie tot vier meter legt de man, bij voorkeur in een vork van de hoofdstam,een paar afgebeten eikentakjes neer.Zijn werk is hiermee gedaan; in de vroege ochtend en soms de avondschemer bouwt de vrouw met wortels en gras het eigenlijke nest.Het is steelse activiteit ;zelden is een mens er getuige van. Na drie tot twaalf dagen is het nest gereed.
|
|
EEN SLACHTING ONDER DE JONGEN. Tegen mei komen de eieren uit en na een paar weken zijn de jongen vliegvlug.. Voor de sperwer én de vogelaar breken hoogtijdagen aan.De jongen bedelen hoog in de bomen luidkeels om voedsel.Zij en hun ouders zijn dan ,eindelijk ,uitstekend te zien en de predatie door sperwers is dan ook enorm. Twee weken later zijn de overgebleven jongen volwassen en dan worden ze net zo onzichtbaar als hun ouders. Die onzichtbaarheid wordt vaak toegeschreven aan de schuwheid van appelvinken. Dat zijn ze inderdaad ook.Bij het minste onraad vliegt een appelvink met een luid psik-tik op. Maar ook de leefwijze brengt hem niet bepaald 'in het openbaar'.Vergeleken met andere vinkachtigen foerageert de appelvink vaker in de bomen. In voorjaar en zomer op knoppen ,rupsen en onrijpe kersen ,in nazomer en herfst pikt hij de zaden uit de boom en alleen in de winter vertoeft hij echt veelvuldig op de grond. Zelfs dan is hij moeilijk te zien : (oranje)bruin tussen veel ander bruin valt nou eenmaal niet op. Daar komt nog bij dat de appelvink in Nederland niet echt talrijk is ; de broedvogelatlas meldt 8.000 tot 10.000 broedpaar.Halverwege de jaren negentig waren het er ruim 15.000.Dat is opvallend.Nederland verbost en de bestaande bossen worden ouder en dus geschikter voor de appelvink.In het verleden is er meermaals een invasie vanuit het buitenland geweest die tot hogere broedaantallen leidden.Wellicht dat de oorzaak van de daling dus ook in het buitenland moet worden gezocht.Maar het is evengoed mogelijk dat de verklaring ligt in de moeilijkheidsgraad van tellen ,en dat de populatie vrij stabiel is.
|
|
EEN MERKWAARDIGE VOGEL DUS, DIE APPELVINK. MAAR VOORAL EEN STIEKEMERD DIE JE MAAR ZELDEN IN HET VIZIER KRIJGT.HET GELUID VAN KNAPPENDE ZADEN OF EEN KORTSTONDIG TSIK,PSIK-TIK OF TSIE BETEKENT VOOR MENIGEEN AL EEN MOOIE APPELVINKEN-DAG. EN ZELFS OP ZO'N DAG KUN JE HEEL LANG MOETEN WACHTEN.
|
|
|