Afrikaanse prachtvinken
Homepage
Problemen door eenzaamheid
Een hond is geen klimtoestel
Huisdieren in de winter
De dingo
Over honden
Over honden 2
Over katten
Over katten
Over konijnen
Over konijnen
Een konijn is geen wegwerpartike
Konijnen in het wild
De Cavia
Mijn cavia's
De hamster
De tamme rat
De tamme muis
Fretten
De gerbril
De chinchilla's
De bever
Kamer- en volièrevogels
Afrikaanse prachtvinken
Inlandse vogels
De putter
Parkieten
De koolmees
De Appelvink
De merel
Roodborstje
De spreeuw
De ekster
De kraai
De wilde eend
De fuut
De meerkoet
Vissen voor de tuinvijver
Amfibiën in je tuin
De mug
Mieren
Ook dieren kennen verliefdheid
Vieze beestjes?Uitroeien!
Dierenspreekuur
Dierenleed melden
Dierenmopjes
Plaatjes en animatie
Gezegdes
Tips
Favoriete links
Vraag & antwoord
Afrikaanse prachtvinken
Als je houders van prachtvinken vraagt hoe deze dwergvogels zijn , beginnen ze meteen enthousiast te vertellen.Ze begeleiden hun uitleg met draaiingen en buigingen om te demonstreren hoe schitterend de vogelpaartjes met elkaar omgaan.Het baltsgedrag van de verschillende soorten is inderdaad erg grappig. Sommige mannetjes zetten hun veren op ,draaien heen en weer en zingen liefdesliedjes voor hun wijfje.
Andere paartjes maken buigingen voor elkaar en weer andere huppelen opgewonden om elkaar heen.
Het spreekt voor zich dat tere vogeltjes zoals het goudbuikje, oranje-wangetje of zilverbekje geen knuffeldieren zijn. Ze zijn juist door hun rustige aard , vriendelijke gedrag en gezellige zang bij vogelliefhebbers zo populair geworden. Deze vogels zingen niet om hun territorium af te bakenen of om tivalen te waarschuwen.
Hun liedjes zijn herkenningsmelodieen.Als de mannetjes hun zachte en grappige gezang ten gehore geven , die bestaat uit tjilpende , sjirpende en fluitende geluiden , vinden ze onder de jonge vogels of wijfjes altijd aandachtige luisteraars.


Prachtvinken die in gevangenschap moeten leven , hebben wel een soortgenoot als partner nodig en een grote , lichte volière , liefst een beplante kamervolière. Het zou mooi zijn als er af en toe zonlicht kon binnenvallen en dat de volière 's winters van electrische verlichting is voorzien , omdat de tropische vogels ondanks de korte dagen 12 tot 14 uur daglicht per dag nodig hebben.
In de handel zijn tegenwoordig tl-buizen verkrijgbaar die kunstmatig uv-licht produceren dat met daglicht overeenkomt.Een tijdklok zou ideaal zijn zodat de belichtingsduur ook op  feest- en vakantiedagen kan worden geregeld.


NAPOLEONNETJES
 
Estrilda troglodytes komen voor in Afrika,Abessinië,Zuidwest-Arabië en zijn maar ca. 9 cm lang.Napoleonnetjes zijn zeer sterk.Ze verlangen dezelfde behandeling als de Oranjekaakjes.
Aan kleuren is het Napoleonnetje niet zo rijk ; bruingrijs vogeltje met een rode teugel,die vóór het oog begint en achter het oog doorloopt, bruingrijze stuit en staart,waarvan de buitenste pennen wit gerand zijn, terwijl het onderlijfje grijsbruin is met op de buik een rode vlek,die doffer is bij het popje en waaraan het geslacht te herkennen is.Tijdens de broedperiode is levend insektenvoer noodzakelijk.
Het legsel bestaat uit ca. 4 witte eitjers, die in 12 dagen worden uitgebroed, en waarbij de ouders elkaar afwisselen.
Napoleonnetjes kunnen met Oranjekaakjes worden gekruist.


De Zebravink

Als er één vogel is die je de beginner kunt aanraden dan is het wel de zebravink. Het is een relatief goedkoop vogeltje om aan te schaffen en het moet wel heel raar lopen als er geen jongen mee worden gekweekt

Geschiedenis
De eerste zebravinken werden al voor 1850 in Europa ingevoerd. In de eerste jaargang van het vogelblad 'Die gefiederte Welt' wordt reeds in 1872 melding gedaan van een succesvolle kweek met zebravinken. Helaas is niet meer te achterhalen waar zich de eerste succesvolle kweek heeft voorgedaan. Dit geldt niet voor de witte zebravink, deze werd in 1920 in Sydney (Australië) bij een zekere heer Woods gekweekt.
Dat de zebravink een altijd al een populaire vogels is geweest mag blijken uit het feit dat er reeds in 1952 in Engeland een speciaalclub voor zebravinken, de Zebrafinch Society, werd opgericht. Later werd dit voorbeeld gevolgd door Nederland (1968), België (1974) en Duitsland (1983).

Herkomst
De taeniopygia guttata castonotis, zoals de wetenschappelijke naam van de zebravink luidt, komt van oorsprong uit Australië en is ongeveer 10 - 12 cm. groot. Hij bewoont grote delen van het Australische vaste land, uitgezonderd het schiereiland van Kaap York en enige kustgebieden in het Oosten, Zuiden en Zuidwesten.
In Indonesië op de eilanden Flores, Soemba, Alor, Timor en de kleine Soenda-eilanden leeft de ondersoort Taeniopygia guttata guttata. Deze ondersoort is boven op de kop iets donkerder gekleurd, terwijl ook achter op de nek de kleur iets dieper bruin is. Het grootste onderscheid zit hem echter in het feit dat deze vogels op het midden van de keel- en kropomgeving geen zwarte, gegolfde dwarstekening bezitten. Volgens mijn (literatuur)gegevens is deze ondersoort zelden levend in Europa ingevoerd.


Levenswijze in het wild
Zebravinken leven in groepen in met struiken en bomen begroeide grassavannen. Verder zijn ze vaak te vinden in bewoonde en in cultuur gebrachte gebieden. Zebravinken hebben weinig vocht nodig zodat ze in droge streken makkelijk kunnen leven. In hun natuurlijke leefomgeving voeden ze zich in hoofdzaak met halfrijpe en rijpe gras- en onkruidzaden. Insecten worden vrij weinig genuttigd, echter in de broedtijd neemt de behoefte aan het nuttigen van insecten wel toe. Nesten worden over het algemeen in de vorken van takken gemaakt en in holen van bomen op een hoogte van 2 á 3 meter. Het nest wordt gemaakt van droge en groene grashalmen en bekleed met zacht gras, pluis en haren. De periode waarin de vogels gaan broeden wordt bepaald door de temperatuur en de neerslag.
In Australië komt alleen de grijze variëteit voor in de vrije natuur. De mannetjes bezitten een oranjebruine wangvlek die bij de popjes ontbreekt ( Bij witte zebravinken is het verschil tussen het mannetje en het popje te zien aan de snavel. De snavel van het mannetje is bloedrood, terwijl dat van het popje veel lichter rood van kleur is).

Karakter
Zebravinken zijn kleine, lieve vogeltjes die het goed met elkaar en met andere vogels kunnen vinden. Zoals reeds eerder opgemerkt is de soort vooral voor de pas beginnende liefhebber aan te raden. Omdat ze relatief klein zijn is het wel zaak om extra voorzorgen te nemen met betrekking tot het volièregaas. Ze kunnen namelijk door vrij kleine openingen. De zang van de zebravink heeft weinig te betekenen, het mannetje produceert een eentonig licht 'trompetachtig snorrend' geluid.

Huisvesting
Indien de vogels gehouden worden zonder er gericht mee te kweken is huisvesting  in een kooi in de woonkamer, kamervolière en buitenvolière prima mogelijk.
Indien u echter "serieus" wilt kweken met zebravinken en met de vogels naar de tentoonstelling wilt gaan, dan verdient de kweek in broedkooien de voorkeur. Wil men kwaliteit kweken en wil men zekerheid over de afstamming van zijn vogels, dan is er maar één weg, die naar dit doel kan voeren, namelijk broeden met één paartje per kooi! Naar mijn stellige overtuiging is en blijft dit de beste manier om tot goede resultaten te komen. Een geschikte broedkooi voor een koppel is 40 cm. lang, 40 cm. hoog en 40 cm. diep.
Veel kwekers plaatsen hun broedkooien in reeksen met zijpanelen die verwijderd kunnen worden. Het voordeel hiervan is dat de broedkooien dan ook voor andere doeleinden gebruikt kunnen worden, bijvoorbeeld als vluchtje of om (jonge) vogels voor te bereiden op tentoonstellingen. De zijpanelen kunnen o.a. gemaakt zijn van multiplex, hardboard, glas of perspex. Beide laatste materialen hebben het voordeel dat ze het licht in de broedkooi beter doorlaten. Als voorzijde van de broedkooi kan het best gekozen worden voor een metalen voorfront.
Deze voorfronten zijn bij de vakhandel, in vrijwel alle gewenste maten, kant en klaar verkrijgbaar.
Ze zijn, al naar gelang de maat, voorzien van één of meerdere deurtjes en indien gewenst kunnen ze ook geleverd worden met te openen klepjes voor de nestkastjes.
Veel broedkooien zijn of worden voorzien van schuifladen. Ingeval schelpenzand gebruikt wordt hebben deze het nadeel dat ze, a.g.v. zand wat na verloop van tijd tussen de schuiflade en de bodem van de broedkooi gaat zitten, gaan vastzitten. Beter is het om beukensnippers en of kippengrit in de schuifladen aan te brengen.
In de broedkooi brengen we verder nog twee (stevig zittende) zitstokken aan.

Voeding
De voeding dient te bestaan uit een zaadmengsel voor tropische vogels (in elke dierenspeciaalzaak te koop). Daarnaast is het belangrijk dat de vogels de beschikking hebben over eivoer (met name in de kweekperiode), onkruidzaden en 'verse' onkruiden zoals vogelmuur. Indien er jongen zijn voeren de ouders hun jongen ook graag met oud, in melk gedoopt wittebrood. Verder kan nog appel, sla (niet teveel, per vogel ongeveer een stukje van ca.een rijksdaalder grootte) alsmede andere soorten fruit en groente gegeven worden. Grit en maagkiezel mogen in 'het voedselpakket' van de zebravink nooit ontbreken.

De kweek in gevangenschap
Zebravinken nemen vaak genoegen met alles wat hun als nestgelegenheid wordt aangeboden. Het maakt hun vaak niet uit of het een gesloten nestkastje, een half open nestkastje of open tralienestkastje is.  De hoogte, breedte en diepte van de nestgelegenheid dient ca. 10 - 15 cm. te zijn.  
Voor het bouwen van het nest gebruiken de vogels graag kort geknipte stukjes uitgeplozen sisaltouw, kokosvezel, stro of i.d. Het popje legt elke dag een ei tot een totaal van 4 - 6 eitjes. Het zijn over het algemeen verwoede nestbouwers en voor je het weet bouwen ze het ene nest over het andere nest heen. Met name wanneer de vogels in een gezelschapsvolière vertoeven is het zaak voldoende nestmateriaal te geven omdat ze anders de nesten van andere vogels beginnen af te breken om op die manier aan nestmateriaal te komen. Ze hebben graag dat de ingang van het nest wat onzichtbaar is. Het is dan ook belangrijk de nestgelegenheid zo op te hangen dat er aan de zijkant een ingang kan komen. De eitje zijn heel lichtgroen van kleur en worden 13 tot 14 dagen bebroed. Veelal begint het popje na het leggen van het 3e eitje te broeden. Het mannetje en popje broeden afwisselend, waarbij ze elkaar na 1 tot 2 uur aflossen. Als er eenmaal jongen zijn dan is het erg belangrijk dat er voldoende eivoer aanwezig is. In eivoer zitten namelijk dierlijke eiwitten die van levensbelang zijn voor de jongen. De jongen zijn vleeskleurig en met witte dons bedekt als ze geboren worden. Na een week is de huid zo donker geworden dat hij bijna zwart lijkt. De jongen worden ongeveer 6 dagen door de ouders warm gehouden, afhankelijk van het weer gaan de ouder vogels gedurende langere periodes van het nest af.  Op een leeftijd van 3 weken vliegen de jongen uit. Ze worden dan nog enkele weken door de ouders in afnemende mate gevoerd. Na 5 weken zijn de jongen zelfstandig. Een kweekstel dient niet meer dan  2, hooguit 3 broedsels per jaar groot te brengen.
Jonge vogels dienen niet eerder dan op een leeftijd van 10 maanden ingezet te worden voor de kweek.

Bijzonderheden
Zebravinken nemen graag een bad en het is daarom belangrijk dat hier in de kooi c.q. volière gelegenheid voor wordt geboden. Zebravinken behoren tot de zogenaamde 'nestslapers', hetgeen betekent dat ze niet op een stok of tak de nacht doorbrengen, maar in een nest(kastje). Zorg er daarom voor dat in de kooi en of volière nestkastjes zijn opgehangen.

Mutaties
Bij de zebravinken kennen we inmiddels een groot aantal mutaties. Naast de grijze wildkleur kennen we o.a. de volgende mutaties: bruin, bleekrug, masker, wit, bont en getekend, zwartborst, oranjeborst, blackface, zwartwang, pastel, witborst, wang, isabel, agaat, gekuifd en geelsnavel.
Al deze mutaties zijn onderling nog weer te combineren per twee, drie, vier enz.

Bron: met dank aan Kooi en volièrevogels



EDELZANGERS
 
Serinus leucopygius worden aangetroffen in West-Afrika tot aan de Soedan,hebben dezelfde afmetingen als Mozambiquesijsjes , maar zijn direct te onderscheiden door het over het hele lichaam grijsbruine verenpakje,dat hen tot een eenvoudige vogelsoort stempelt.Ook man en pop zijn gelijk gekleurd,zodat de zang slechts het geslacht duidelijk maakt.
Een Edelzangerman zingt mooier dan de Mozambiquesijsman en omdat vocalisten in de groep kleine exotische vogels niet dik zijn gezaaid, is de aanwezigheid van een paar Edelzangers in de gezelschapsvolière zeker aan te bevelen ; bij aankoop moet dus zeker opgelet worden op de zang. Je moet dus geduld hebben en wachten, totdat je de vogel hebt horen zingen !Pas geïmporteerde Edelzangers hebben nogal eens last van ooglid-aandoeningen,de ogen zijn bijna gesloten,zo gezwollen zijn de oogleden. De ziekte komt voort uit vuile verzendkisten, ongereinigde zitstokken,waarover de vogels hun ogen strijken en op deze manier infectie oplopen.
Volkomen winterhard willen Edelzangers broeden en kruisen met Mozambiquesijsjes,kanaries ; vooral de kruising Edelzangerman x kanarie pop geeft fijne zangers !
Evenals van de Mozambiquesijs zijn van de Edelzanger meerdere ondersoorten bekend , die in de dierenhandel worden aangeboden en om hun zang gewaardeerde volièrevogels zijn.


INDISCHE NONPAREILS
 
Erythrura prasina, afkomstig uit Achter-Indië , Java , Sumatra en Borneo zijn buitengewoon fraai en helder gekleurde vogels , die in vrije staat veel voorkomen en door dierenhandelaren in het verre oosten nog worden gebruikt als voedsel voor Slangen.......Vooral de man is met zijn groene achterkopje en rug vuurrode staartbovendek en lange staartveren , blauwe gezicht en hals en oranjerode borst,buik en stuit bijzonder kleurrijk in de volière , terwijl het vrouwtje , evenals de nog niet doorgekleurde man doffer gekleurd is en geen blauw op kop en voorhoofd toont en aan de onderzijde bruinokerkleurig getint is.
Pas geïmporteerde Indische Nonpareils zijn misschien zwak en nog niet gewend aan het voermenu , maar eenmaal goed geacclimatiseerd , zijn het zeer mooie en niet kostbare vogels met een schitterende kleurenpracht , die niet hoeft onder te doen voor veel kostbaardere Mexicaanse Nonpareils , of Kardinaalvink.


NONNETJES
 
Lonchura zijn voor de beginnende vogelliefhebber bijzonder aan te bevelen vogels , die in verschillende tekeningvariaties worden aangeboden.Nonnetjes zijn winterhard , eenvoudig in de verzorging , zijn zo groot als een Zebravink , maar hebben een flinke snavel ; het meest profijt heeft de liefhebber van Nonnen , die een tamelijk flinke volière hebben.Ze hebben nogal korte , geronde vleugels en maken de indruk van zware vliegers , maar bovenal zijn alle Nonnen goede kameraden voor kleinere exotische vogels , die ze absoluut met rust laten.
Gemakkelijke kweekvogels zijn het niet ; de mannetjes dansen en zingen een beetje , maar door de gelijkheid in kleur en tekening is het heel moeilijk de juiste man te vangen!
De meeste Nonsoorten komen uit India en het verre oosten , maar er bestaan ook soorten ,die in Afrika wonen.Nonnetjes zien er altijd prima uit ; ondanks hun vaak verre reis en matige verzorging onderweg zit hun verenpakje onberispelijk, dat kan je van andere vogelsoorten, die pas geïmporteerd zijn  , vaak niet zeggen.
Nonnetjes nemen met een gestolen nestkastje genoegen , waarin ze met behulp van gedroogd gras hun nest zullen bouwen ; extra voedsel voor de jongen is niet noodzakelijk mits je naast het zaad flink groenvoer geeft.


ZWARTKOPNON
 
Lonchura malacca atricapilla zijn afkomstig uit India en met hun fraaie roodbruine verenpak en zwarte kop , hals , nek en bovenborst gezellige verschijningen ; bek en poten zijn grijs. Ze komen maar zelden tot broeden , hetgeen werkelijk moet worden gezocht aan het zo moeilijk vast te stellen geslacht , dat met een flinke dosis geduld toch wel moet lukken.
Bij Zwartkopnonnen is een ver doorgroeien van de nagels een nogal vaak voorkomend verschijnsel , dat tijdig moet worden verholpen.
De nagels kunnen makkelijk met een nagelschaartje worden ingekort.

WITKOPNONNEN
 
LONCHURA MAJA KOMEN VOOR IN SIAM TOT AAN DE  SOENDA EILANDEN

 

Afrikaanse prachtvinken zijn van nature vreedzame en gezellige vogels.Daarom voelen ze zich ook in het gezelschap van andere prachtvinkensoorten op hun gemak.
Wie voor deze vogels kiest ,kan ze al naar gelang de grootte van de volière in kleine groepen houden.
De volgende 'Afrikanen' passen bijvoorbeeld goed bij elkaar: goudbuikje, oranje-wangetje, zilverbekje, blauwgrijs roodstaartje , Angola blauwfazantje, Napoleonnetje, Sint- Helena-fazantje en Senegalamarant.
Je mag in een volière echter nooit meer dan één paartje per soort zetten zodat de vogels in de broedtijd niet met elkaar ruzieen.Het is best mogelijk dat er tussen bepaalde vogels af en toe ruzie ontstaat, want ruziemakers vind je overal. Maar gewoonlijk gaat het er vrij vreedzaam aan toe.


BLAUWFAZANTJE
 
Granatina bengala zijn afkomstig uit de steppengebieden van Afrika ten zuiden van de Sahara.Zoals de naam reeds aanduidt,voert deze buitengewoon elegante vogelsoort veel blauw,lichtblauw,in zijnveren en steekt schitterend af tegen zijn omgeving.Bovenop de kop,rug en vleugels zijn bruin, borst en buik beige,de lange staartpennen en het staartdek,net als de kop,wangen,hals en borst heerlijk blauw van tint.
Het mannetje bezit bovendien nog een rode wangvlek,die bij het popje ontbreekt.
 


ORANJEKAAKJE
 
Estrilda melpoda zijn maar 10 cm lang en komen uit Afrika,vooral in West-Afrika zijn gelukkig nog veel mooie kleine vogelsoorten.
Mannetjes Oranjekaakjes hebben een iets helderder oranje wangvlek dan de popjes,waaraan het geslacht bij goede studie is te herkennen; ze zijn sterker dan de Blauwfazantjes.
Naast een blauwgrijze kop,nek,keel,borst en buik hebben ze een rode stuit,bruine rug en vleugels,terwijl de staartpennen blauwgrijs zijn.
Wanneer een koppeltje broedt,moet het voedselmenu verrijkt worden met levende insecten,waarop de jongen zullen groeien


JAPANSE MEEUWTJES
 
Grappige vogeltjes,die al sinds eeuwen in Oost-Azië worden gekweekt en ongeveer 250 jaar geleden naar Japan werden  vervoerd,waar ze in grote getaleen in veel kleurschakeringen worden gehouden.
Omtrent de stamvorm van de Japanse Meeuwtjes,die in het wild als zodanig niet voorkomen en derhalve worden betiteld met 'gedomesticeerd',tam gemaakt,aan de mens onderworpen ,zoals met kippen en duiven het geval is, zijn de geleerden het nog steeds niet eens, omdat niemand vroeger de moeite nam,om dit op te tekenen; men neemt aan, dat Japanse Meeuwtjes als wilde stamvaders het Gestreept Bronzemannetje (Lonchura striata) hebben gehad, dat voorkomt in Zuid-Azië, van Voor-Indië tot Zuid-China,Formosa,Indo China en op Sumatra.
Japanse Meeuwtjes zijn overal in de wereld ingeburgerd,precies als de kanarie ,broeden zeer makkelijk in de kooi, vitrine,volière en ze zouden vergeleken kunnen worden met de befaamde 'witte muizen', die als enig doel heeft van een zo groot mogelijke gezinsuitbreiding in een zo kort mogelijk tijdsbestek!
 


Japanse Meeuwtjes zijn  bijzonder gezellige vogeltjes,ca. 10,5 cm lang met een vrij zwaar snaveltje.Ze worden gekweekt in een aantal kleurvariaties, van spierwit tot chocolade bruin en wit,bruinbont,tot gekuifd toe.
Het geslacht is niet te bepalen dan alleen door het 'gezang' van de man,dat meer een fluittoontje behelst en met uitgestrekte hals en lichaamshouding wordt geuit.
De eenvoudigste manier, om het geslacht te kunnen onderscheiden, is het opkooien van een aantal vogels in aparte kooitjes; nadat ze enige uren zo alleen hebben gezeten, worden er twee bij elkaar gezet en al snel zal de man gaan zingen en dansen! Helaas wil het niet altijd zeggen,dat een niet zingend exemplaar een popje is !!

Het geoefende 'vogelaars'oor zal de roep van gescheiden zittende vogels kunnen onderscheiden ; de lokroep van de man is een hoge éénlettergrepige klank,die van de pop, die zal antwoorden is een drie tot vierlettergrepig tjilpgeluid.

Sommige vogelkwekers beweren , dat Japanse Meeuwtjes beter kweken in broedkooien dan in volières,maar het tegendeel wordt vaak bewezen. Een houten nestkastje,zowel open,als gesloten met een klein vlieggat en gevuld met gedroogd gras,zal aanleiding zijn,tot het afzetten van 4-5 eitjes,die door beide ouders worden uitgebroed in ca.12 dagen. Behalve zaad voor tropische vogels wordt veel groenvoer verstrekt, terwijl ze veel sepia gedurende deze tijd zullen eten. Sommige paren nemen brood en melk, maar noodzakelijk schijnt dit niet te zijn.

Wanneer de jongen uitvliegen,lijken ze op de ouders, maar hebben een kortere staart; de ouders waken nog lange tijd over de jongen en proberen nog lang hun kroost te bewegen 's nachts in het nestkastje te gaan. Wanneer de staartlengte is aangegroeid,worden de jongen van de ouders gescheiden, omdat het volgende legsel tot een goed einde kan worden gebracht.

Japanse Meeuwtjes gaan soms zover in hun broed-en verzorgingsdrift,dat twee mannetjes soms een nest bouwen en de eieren van  van andere vinkachtigen, die door de  liefhebber kweker zijn ondergelegd, zullen uitbroeden en de jongen voeren tot ze groot zijn.

Vanzelfsprekend worden slechts eitjes ondergelegd,die dezelfde broedtijd hebben als van de Japanse Meeuwtjes ; de jongen van hun soortgenoten worden bij een gemengd broedsel wel voorgetrokken , zodat het beter is, de eitjes van de Japanse Meeuwtjes steeds allemaal weg te halen.

Japanse Meeuwtjes zijn winterhard, mits ze beschikken over een goede rustplaats 's nachts , vrij van tocht, die vaak zal bestaan uit een  nestkastje.Het nadeel van geven van een nestkastje als overnachtingsplaats is , dat zij dit zien als nestgelegenheid en zullen doorgaan met ei-afzetting , ook in de winter, wanneer legnood een einde maakt aan de voortplantingsdrift van het popje, dat aan deze ziekte zelfs kan sterven.

Gemakkelijk is het , wanneer de vogels gedurende de wintermaanden kunnen worden ondergebracht in huis , waar ze in kooien zonder nestgelegenheid worden gehouden , totdat het voorjaar aanbreekt.

Japanse Meeuwtjes kunnen paarsgewijs,maar met meerdere paren samen in een volière worden gehouden , waarin ze zullen kweken en zijn niet vechtlustig of gevaarlijk tegenover andere vogelsoorten.

 
 

koop geen vogels die in de natuur zijn gevangen.Als je besluit om prachtvinken aan te schaffen, haal dan alsjeblieft geen vogels in huis die in Afrika zijn gevangen. Bespaar de wilde vogels het lot om in gevangenschap te moeten leven en steun de bescherming van de soorten.Ga eens bij een serieuze kweker langs en kies een paartje dat goed met elkaar kan opschieten.Dwing ze geen partner op, want ook vogels willen hun partner zelf kiezen.Bovendien zijn de soorten die hier worden gekweekt robuuster en al aan het leven gewend dat ze hier  te wachten staat.



MOZAMBIQUESIJS
 
Serinus mozambicus komen uit de steppen en savannen van Afrika,waar ze ten Zuiden van de Sahara in grote aantallen leven.De soort  staat in relatie tot de Kanarie en de zang van de Mozambiquesijsman , het popje beschikt slechts over een roepgeluidje, lijkt veel op die van de kanarie, waarmee hij ook wordt gekruist.
In afmetingen zijn Mozambiquesijsjes gelijk aan Zeebravinken, waarmee ze goed overweg kunnen, behalve in de broedtijd,wanneer de man sijs wel eens vechtlustig is, ook tegenover zijn vrouwelijke soortgenoten, die dan tijdelijk een goed heenkomen zoeken in een donker , goed beplant hoekje van de vplière en wachten, totdat de bui van de man is gezakt !
Zeer gemakkelijk broedt de Mozambiquesijs niet, maar in een vrij, bijna open front nestkastje, of geheel open in takken, gaat het kwieke vogeltje tot broeden over ; speciaal voedsel voor het opfokken van de jongen is niet noodzakelijk , maar het geven van krachtvoer en beschuitmeel, hard gekookt ei, brood en melk is aan te bevelen.
Mozambiquesijsjes zijn groeneters ; winterhard mits ze de  koude nachten in een tochtvrije ruimte kunnen doorbrengen.
De kleuren beperken zich tot bruingroen bovendek en geel onderdek, waarbij een bruine oog- en mondstreep opvallen,evenals de grijze poten en snavel en de bruine oogjes.De popjes zijn matter gekleurd, zijn veelal geel aan de buik, hoewel oude popjes fraai kunnen doorkleuren en niet te onderscheiden zijn  van jonge mannen, die in het eerste levensjaar nog niet op volle kleurdiepte zijn.
Mozambiquesijspoppen hebben steeds kleine grijze stippen, die als een halssnoer over de keel liggen en bij mannen altijd ontbreken; jonge nestvogels, die net in de veren komen , vertonen dit allen , zodat een te vroege geslachtsbepaling niet kan plaats vinden!
De zang tenslotte zal voor de beginnende liefhebber de uiteindelijke beslissing tussen man of pop moeten brengen.
Mozambiquesijsjes leggen 3-5 lichtblauwe, met roodbruine vlekken bezaaide eitjes, die in ca.13 dagen woeden uitgebroed,waarmee de pop zich belast.

CUBAVINKEN
 
Tiaris canora worden aangetroffen op Cuba en Florida in de U.S.A, zijn kleiner dan de hiervoor beschreven soorten en houdenbijzonder van gezelligheid ; wanneer er meerdere paren in de volière zijn , groepen ze steeds samen, zijn niet strijdlustig tegenover andere vogelsoorten , broeden goed , maar soms houden ze er vreemde gewoonten op na , zoals jongen uit het nest werpen , vernielen hun eigen nesten ,laten eitjes in de steek ,om daarna weer zeer trouw een legsel tot een goed einde brengt.
De man Cubavink is olijfbruin met een zwart gezicht en een briljant geel halssnoer, die tot boven het oog doorloopt; het popje is minder hel gekleurd, de zwarte veren zijn donkerbruin en het geel is matter.Het legsel bestaat uit ca.3 groenwitte eitjes, die in 13 dagen worden uitgebroed door het popje ; ca. 3 weken later zijn de jongen vliegvlug, maar worden dan nog enkele weken bijgevoerd door de man, waarna een volgend broedsel spoedig wordt begonnen.
Jaarlijks worden hier veel Cubavinken gefokt , omdat de prijs aantrekkelijk is en niet zo heel laag ligt.


GROTE CUBAVINKEN
 
Tiaris olivacea komen voor op de Antillen, in Midden-Afrika en het Noorden van Zuid-Amerika ;ze zijn van de nauw verwante soort direct te herkennen door de aanwezigheid van gele wenkbrouwen en kin , terwijl de pop een matter gekleurde uitvoering is van de man.De grote Cubavink heeft dus veel minder geel ; beide soorten zijn onderling te kruisen,waardoor allerlei koptekening variaties ontstaan.
Ook deze soort legt ca.3 blauwe eitjes , vaak met bruinzwarte stipjes besprenkeld.
Beide soorten zijn winterhard , kunnen samen worden gehouden en zijn een welkome aanvulling voor de collectie.