Wanneer men kindren voor een venster brengt,
Vlak voor een venster, dat het stroomend licht
Hangt in het haar en diep in 't zacht gezicht,
Lachen hun oogen alsof God hen wenkt.
Ik denk, God is als een vereenzaamd man,
Die naar de wereld kijkt en keurt haar goed -
Maar ziet hij kindren voor een venster, dan
Lacht hij en wenkt zoals een vader doet.
En wie goed luistert naar dit stil gesprek,
Die zal de woorden in zijn hart bewaren:
Hij hoort de stem van Gods eenvoudig leven -
Hij aarzelt lang in 't zonnige vertrek,
En strijkt zijn kind maar langs de blonde haren,
En ziet het zonlicht door zijn tranen beven.
MARTINUS NIJHOFF ( 1894 - 1953)
|
5 juni 1962. Ik sta bij het staion in Heerlen te wachten op de eerste LTM-bus van de dag, die me naar mijn woonplaats Hoensbroek
zal brengen. Het is zes uur. Precies achttien jaar geleden bereidden zich duizenden militairen voor op de landing op de Normandische
kust, van wie bij voorbaat vaststond dat een zeer groot aantal al de eerste dag zou sneuvelen.
Maar voor mij staat deze dag in het teken van leven. Twee uur geleden is namelijk ons tweede kind geboren, een zoon. Ik heb
één medepassagier. Hij vertelt me dat hem binnenkort een doopfeest te wachten staat. Dat ook hij net uit het ziekenhuis komt.
Dat hij intens gelukkig is; hij heeft onmiddellijk kunnen zien dat zijn kind geen enkele misvorming heeft. "Ik zag meteen
een gewoon hoofdje, tien vingertjes, tien teentjes". We feliciteren elkaar. Even later stapt de man in Heerlerheide uit. Een
paar minuten daarna doe ik hetzelfde in "Gebrook".
Het zal vandaag uiteraard een drukke dag worden. Als ik tegen negen uur de rectrix van het Sint-Claracollege in Heerlen, waaraan
ik als leraar verbonden ben, het heuglijke feit meedeel, reageert ze met :"Rijkeluiswens. U had immers al een dochter. Proficiat!".
Haar eerste woord is een verrijking van mijn taalschat, ik heb het nooit eerder gehoord. Vervolgens zegt ze zeer verbaasd:"Maar
wat komt u op deze dag in hemelsnaam hier doen?". Ik antwoord dat de directrice van de afdeling mms me had ingeroosterd als
toezichthouder bij de toelatingsexamens en me geen vrijaf heeft gegeven. Ik zie aan haar gezicht dat ze dat maar een mallotige
zaak vindt, maar begrijp dat ze één van haar belangrijkste medewerkers niet kan afvallen. Wat ikzelf vind -dat mijn bazin
een echte zuurpruim is- komt uiteraard niet voor uitzending in aanmerking. Dat heeft ook te maken met het geeven dat ik nog
geen jaar in de dienst van de Heilige Clara ben en geen vaste aanstelling heb.
Na mijn werk ga ik naar het gemeentehuis, om aangifte te doen. Ook de desbetreffende ambtenaar probeert, eveneens zonder succes,
mijn geluksstemming te vergallen. De namen Hendrik en Jan (van respectievelijk mijn vader en schoonvader) kan hij accepteren,
maar na enig geblader in een dik boek laat hij me weten dat Cor (van mijn broer, de peter) beslist niet door de beugel kan.
"Daar moet u Cornelis van maken", klinkt het tot mijn verbijstering. Voor de priester zal een dag later, bij de doop, het
drieletterwoord geen enkel probleem vormen.
(Vooral voor de jongeren: in het begin van de jaren zestig vorige eeuw werden honderden baby's misvormd geboren. Dat was een
gevolg van een behandeling met thalidomide (beter bekend als 'softenon') van de zwangere vrouwen. Het middel werd later verboden).
|