- Bij afbraak van de sokkel in het centrale-blindraam binnenin de kapel wordt vastgesteld dat deze raamnis oorspronkelijk open was en pas werd toegemetst toen men er rond 1735 een sacristie tegenaan bouwde. Men onderscheidt binnen deze raamomkadering duidelijk de achterzijde van een ca. 20 cm hoge raamdorpel, geplaatst ca. 54 cm boven de horizontale binnendrempel van dit raam. Onder deze dorpel is evenwel geen parement aanwezig, maar slordig aangebracht onregelmatig en naar binnen uitpuilend opvulmetselwerk in witsteen. De dagkanten gelegen onder het peil van deze dorpel zijn echter mooi gemetst met regelmatig witsteenparement. Het bewijs is daarmee geleverd dat de binnenkanten van deze ramen oorspronkelijk geen afschuining hadden doch dieper naar onder doorliepen tot op de horizontale drempel. In de loop der geschiedenis werden de ramen verhoogd, wellicht na het verhogen van het maaiveld rondom de kerk, en werden onmiddellijk binnenin afschuiningen aangebracht. Sporen daarvan zien we nog links en rechts van de dagkanten van dit middenraam en op de dagkanten van het noordelijk blindraam naast de spiltrap. Hier is evenwel geen dorpel zichtbaar maar witsteen parement tot op de vlakke drempel. XML:NAMESPACE PREFIX = O /> XML:NAMESPACE PREFIX = O />
xml:namespace prefix = o />
xml:namespace prefix = o />
Het bestaande zuidelijke raam bezit eveneens zon dorpel waaronder binnen de kapel het baksteenmetselwerk een aanwijzing is dat deze ramen oorspronkelijk lager werden aangezet . Onder de buitendorpel van dit raam zien we in het parementvlak een stuk ijzerzandsteen steken, ca. 20 op 20 cm, dat indertijd door vervuiling aan het oog was ontrokken.
- Zowel links als rechts van de doorgang naar de spiltrap is het metselwerk over een hoogte van 1,05 m. niet ingebonden wat mogelijks een aanwijzing kon zijn dat deze spiltrap later werd ingebouwd alhoewel het ontbreken van een dorpel in het noordelijk blindraam dit mogelijks zou kunnen tegenspreken. Immers mocht deze spiltrap later zijn ingebouwd dan was eertijds het noordelijk raam geen blindraam en zou men mogelijks nog een dorpel moeten aantreffen zoals bij het middenraam, tenzij de spiltrap werd ingebouwd nog vóór de ramen van deze kapel werden verhoogd. Tijdens de verdere ontmanteling voor het plaatsen van de toekomstige aluminium trap werd vastgesteld dat één hoger aangebrachte steen 9 cm was ingebonden. Deze natuursteen heeft volgende afmetingen : hoogte 20 cm, diepte 40 cm, breedte 37 tot 39 cm.
Het niet inbinden van de onderliggende stenen is te wijten aan het feit dat de natuursteen deurpenant over een hoogte van 1.05 m uit één stuk bestaat. De tegenoverstaande deurpenant bestaat eveneens uit één stuk doch heeft een kleinere hoogte en daarom was ook hier de aanleunende muur niet ingewerkt. Dat de spiltrappen en bovenkapel later werden ingebouwd vinden geen steun in bovenvermeld feit.
We blijven er nochtans bij dat de spiltrap later werd ingebouwd en de aanleunende raamopening om die reden zorgvuldig werd gedicht nog voor de verhoging van de ramen. Het verhogen in een later stadium van deze ramen heeft voor het noordelijk raam van de kapel enkel voor gevolg gehad dat men een binnen-afschuining heeft aangebracht naar analogie met de andere ramen zonder evenwel nog een zinloze dorpel aan te brengen.
Zou het dan ook niet kunnen dat dit portaal, gelegen vóór de (wellicht later ingebouwde) spiltrap, dienstig was als een oostelijke inkom, langswaar men rechtstreeks toegang kreeg tot de dwarsbeuk, wat ook de mening is van architect-archeoloog Paul Rolland zoals dit o.m. ook het geval was voor de Servaaskerk te Maastricht en de kerk in St.Odiliënberg (9 de 10 de eeuw). In deze laatste kerk werden de flankeertorens eveneens later ingebouwd toen het driezijdig koor ca. 1200 werd vernieuwd.
De invloed van de Maaslandse stijl op de Sint-Michaëlkerk kan ons dan ook hier niet verwonderen. Immers, tot vóór het jaar 1047 behoorde Sint-Lievens-Houtem nog toe aan het Duitse Rijk, waarna het werd ingelijfd bij het Graafschap Vlaanderen.
- Zeven optreden van de spiltrap zijn uitgegraven tot op het origineel Romaans vloerpeil en bleken nog volledig intact aanwezig te zijn. De opvulling was uitgevoerd met enorme grote blokken natuursteen. In het puin werden geen merkwaardige vondsten meer gedaan, buiten enkele ca. 5 cm dikke Doornikse kalksteenblokken, welke eertijds dienstig deden als bevloering. Zo blijkt ook de grote te behouden vloersteen in het portaal een Doornikse kalksteen te zijn (grafsteen ?) van ca. 10 cm dikte.
- De gewezen deurpenanten die zich bevinden achter de toegangsdeur vanuit het koor naar de crypte, steunen op een enorm grote witstenen trede waarvan het bovenvlak op wellicht eenzelfde niveau lag als een vroeger kerkpeil. De steen lag 29 cm onder het huidig kerkniveau ter plaatse van de toegangsdeur naar de schijncrypte. Hij heeft een rechte zijde van ca. 1.00 m. en deed dienst als optrede ter plaatse van de reeds lang verdwenen deur. De tegenover liggende zijde is halfcirkelvormig met op zijn breedste punt een afmeting van 46 cm. Ter plaatse van de oostelijke deurpenant eindigt de cirkelvorm en is de steen bekapt om te passen onder de penant bij een breedte van 24 cm en een penantlengte van 7 cm. De totale dikte (aantrede) van deze steen is 25 cm. Mogelijks is deze witsteen een herbruiksteen afkomstig van een een halfzuil van het afgebroken Romaans schip, waarbij het aanhangsel het inwerken was van de steen in de muur, tenzij het een recuperatie-buitendorpel betreft van een Romaans apsisraam.
- Onderaan in de linkse hoek van de zuidelijke blindboog van de kapel werd 66 cm dieper dan het huidige peil van de kapel een natuurstenen scharnier aangetroffen, waarin een deur of hekwerk draaide. De onderkant van de scharnier bevindt zich op het peil van een rode tegelvloer 20/20 of 101,5 cm lager dan het niveau van het kerkschip. Het oorspronkelijke Romaanse peil. ligt evenwel nog 42 cm lager dan deze rode tegelvloer.
Door archeoloog Van Eenhooge werd de rode tegelvloer gedateerd in de 15 de eeuw. Vandenborre is van oordeel dat de kapel van de dwarsbeuk werd gescheiden in de late 15 de eeuw waarna ze ontoegankelijk werd en brengt dit in verband met de verwoesting van de kerk door de Gentenaren in 1490. Nu zien we echter dat de afscheidingsmuur waarin de huidige buitendeur zich bevindt, deze rode tegelvloer als fundering gebruikt, waaruit we mogen besluiten dat deze afscheidingsmuur moet gebouwd zijn toen men boven de 15-eeuwse tegelvloer een 42 cm hoger vloerniveau aanbracht. De pas ontdekte doorbraak doorheen de zuidelijke blindboog lijkt ons dan ook logisch vanaf dit ogenblik te zijn aangebracht op het einde van de 15 de eeuw, begin 16 de eeuw. Het hang- en sluitwerk van een deur uit de 2de helft van de 16 de eeuw werd door archeoloog Van Eenhooge gevonden. Volgens hem was de verbinding tussen portaal en kapel toen (1550-1600) nog niet uitgevoerd, bijgevolg was enkel de kapel langsheen de doorgang doorheen de zuidelijke blindboog bereikbaar.
Bovenaan de blindboog in de kapel zien we een pingat in een stuk natuursteen die reeds deel uitmaakt van de halve cirkel, waaraan de bovenkant van de scharnier was bevestigd. Om die reden werden de imposten links en rechts, waarop de halfcirkelvormige boog rust, afgebroken en stukken natuursteen in de rechtse hoek aldus uitgekapt uit de boog om het hekken of poort te kunnen sluiten. Hoogstwaarschijnlijk was dit de enige toegang tot deze kapel toen de doorbraak vanuit de kerk nog niet was uitgevoerd aangezien Van Eenhooge deze koorverbinding situeert tussen 1769-1779. De nu ontdekte gewezen doorgang wordt bevestigd door de anomalieën in het opvulmetselwerk van de blindboog en de oude schets van deze kapel gemaakt iets vóór 1855 waarop rechts een deur is waar te nemen.
Op een oude schets door Van Lokeren zien we dat de blindboog is weggelaten. Hoogstwaarschijnlijk was deze boog toen nog aan het zicht ontrokken door het opvullen en bepleisteren rondom de doorgang. We weten dat de bepleistering pas in 1953 werd verwijderd. Ook zien we op deze tekening dat het vloerpeil dat behoort bij deze doorgang, welke op het niveau van de onderkant van het (verhoogde) raam is afgedekt met een horizontale latei, overeenkomt met het peil van de 15 de eeuws rode tegelvloer waarbij de deur een aanvaarbare hoogte krijgt van 2,20 m.
Merkwaardig is wel dat in de zuidelijke muur iets onder de plint en dus lager dan de hierboven beschreven doorgang, sporen wordt waargenomen van een half cirkelvormige deuropening. Mocht deze ronde doorgang vroeger dan de rechte zijn aangebracht dan zou hij zeker van op het Romaanse vloerpeil moeten aanvangen om dan slechts een vrije hoogte te krijgen van amper 1,80 m. Of er indertijd achtereenvolgens dus 2 doorgangen in de muur zijn gemaakt lijkt ons daarmee nog niet opgelost.
- In 1488 schrijft Jan de Vos, koster van de St.Baafsabdij, dat men tijdens de bedevaart naar Houtem in stoet over het kerkhof, naar de Livinuskapel ging. Aan de kapel gekomen stonden daar de opper- en onderkoster, de prior met al zijn kloosterlingen, de trompetters en de baljuw van Houtem met zijn helpers. Dit groot aantal processiegangers die Livinus gingen vereren is de bevestiging dat toen reeds ten zuiden van de kapel een buitendeur aanwezig was zodat deze massa van op het kerkhof de viering in openlucht kon bijwonen. Bij het uitgraven van de Romaanse kolom met kubuskapiteel werd een kachelpook aangetroffen ca. 50 cm lang. Deze houdt wellicht verband met het feit dat de kapel lange tijd dienst deed als opslagplaats voor steenkool, toen de kerk nog met een kolenkachel werd verwarmd. Sinds de vrijlegging van de muurschilderingen in 1997 bemerken we onder het pleisterwerk van de westelijke invulmuur in de St.Livinuskapel de datum 1879 gevolgd door de naam van een zekere Honoré Van
De tekst is geschreven met steenkool door Honoré Van Impe, Reet genaamd, die gehuwd was met Coralie Van den Bossche Colle en handel dreef in kolen en kalk en die tevens een kruidenierswinkel had. Zijn ouders Peet Van Impe-Verstuyft woonden op de Paardemarkt nrs 12, 14 en 16. waar eertijds de gemeenteschool stond, heden een parking is en waar men van plan is sociale woningen te bouwen.
Wellicht is het een levering van kolen, want de tekst is gevolgd door zijn handtekening.
Van Impe bezat een groot handelshuis met poort en aanhangsels, waar ze café openhielden onder de naam "In Den Appel".
- Het 1,00 m. lange fragment van een ruw bekapt rond zuiltje in Doornikse steen ca. 11 tot 13 cm, dat tijdens de opgravingen in 1997 door archeoloog Van Eenhooge werd gevonden in het 15 de eeuwse opvulpuin, is mogelijks het middenpijlertje van een Romaans tweelicht afkomstig van één van de verscheidene biforia in de gewezen vieringstoren. Het werd wellicht herbruikt in de loop der tijd want te oordelen naar de resterende sporen is slechts 1 kwart ervan nog gaaf. De rest van het cirkeloppervlak van de zuil vertoont mortelresten en andere aankittingen.
- De muurschilderingen van Livinus en Maria, die aangebracht zijn op de muren van de twee nog aanwezige spiltrapportalen van de St.-Michaëlkerk te Sint-Lievens-Houtem, moeten zijn aangebracht nog vóór deze portalen naast de kapellen werden afgesloten van het dwarsschip. Volgens Vandenborre en Van Eenhooge die in 1997 onderzoek deden, vond de afsluiting met het dwarsschip plaats in de late 15 de eeuw. Te oordelen naar het baksteenformaat 26 x 12 x 6 cm. dateren wij deze opvulmuren echter rond 1350.
Het is evenwel zeker dat de muurschilderingen aldaar niet dateren uit de 12 de eeuw, noch eerder, daar het onderzoek uitwees dat nog eens 2 schilderlagen onder de bestaande figuratieve muurschilderingen verscholen zitten. Deze onderliggende schilderlagen, aangebracht onmiddellijk na de bouw van de Romaanse kerk (tussen 1108 en 1150), behoren samen met deze in de refter van de St.Baafsabdij te Gent (Brixius en Caphraildis tussen 1150-1200) tot de oudste van Vlaanderen.
Te oordelen naar een uit 1360 daterend schriftelijk getuigenis van monnik Jan van Tielrode, die de (schijn)crypte van Houtem vermeldt ter aanvulling van een uit 1298 daterend document en aldus het bewijs levert dat de afsluiting met het dwarsschip reeds tot stand was gekomen lang vóór 1360, moeten de zichtbare figuratieve overschilderingen te Houtem aangebracht zijn op een ogenblik dat ze nog zichtbaar waren vanuit het dwarsschip of in de tweede helft van de 14 de eeuw.
- In het opvulpuin onder het huidig Livinusaltaar vonden we naast allerlei bakstenen, leien, hout, en stropoppen (welke eertijds de nok van een pannen dakdekking afdichtten), ook een schutblad, waarop volgende tekst staat gedrukt: 3M Garnet Paper, Made under U.S. Patent number 2322156. Minesota Mining & MFG, St.Paul. 6 Minnesota. Het schutblad is afkomstig van een Amerikaans schuurpapierboekje dat vroeger werd gebruikt en tot voor kort nog werd verkocht. Het woord Garnet staat hier voor de granaatsteen.
- Het halfronde koor van de kerk is gevoegd met een gotische dagstreep, de noord- en zuidmuren van het koor, de Livinus kapel en het torentje zijn over het algemeen platvol gevoegd zonder meer tenzij de steenvoegen te ver uit elkaar staan en een restauratie hier ook een dagstreep heeft aangebracht. Dit kan o.m. een bijkomende aanwijzing zijn van het feit dat het halfronde koor later is bijgebouwd tegen een recht afgesloten koor samen met het feit dat de fundering van deze apsis een geraamte doorsnijdt en deze fundering op een dieper peil aanvangt dan de rest van het koor.
- Sinds in 1947 F.K. David en later in 1951 A. Noterman naar het getuigenis van de toenmalige 80-jarige gewezen onderwijzeres Alice Smekens, melding maakte van een onderaardse gang die liep vanaf de kerk tot aan de St.Baafsabdij te Gent, blijven sommigen dit nog altijd voor waar aannemen. Heden weet men echter dat het hier een gemetste riolering betreft waarin volgens Frans Duquet de Houtemse jongeren zich tijdens de oorlog gingen verstoppen om te ontsnappen aan de opeising door de Duitsers.
Uit het kadastraal plan van het dorpsplein van St.Lievens Houtem van 1812 kan men opmaken dat zich eertijds twee vijvers ten oosten van het marktplein (vóór de kerk) bevonden waarvan de grootste vijver , de Toortsgracht, verbonden was met een smalle gracht, de Veste, die liep langsheen de noordkant over de volledige lengte van het dorpsplein rechtover de kerk en die zich op het einde van de markt (café Perdido) splitste in twee voedingsgrachten welke westwaarts verder liepen, alwaar ze verbonden waren met een vijver op de hoek van Hoeksken en Paardemarkt. Deze vijver maakte deel uit van een grote hoeve ten oosten ervan.
De Houtemse benaming vesten en vestenstraat moet in verband gebracht met het defensief karakter ervan. Vercouille geeft aan het Middelnederlands woord veste de betekenis van versterking. Volgens Lindemans zou zon een toponiem slaan op een oude burcht die mogelijks aldaar zou kunnen gestaan hebben. De Toortsgracht zou dan verwijzen naar het Mnl. woord Tor in de betekenis van toren. Ook kan men de benaming vesten in verband brengen met de volledig door water omcirkelde curtis van Houtem, waar het verdedigbaar hof en agrarisch middelpunt stond en waarvan het krijgsbouwkundig gedeelte meestal bestond uit een wal of een palissade met daarvoor de reeds aangehaalde vesten. Een hofmeier bewoonde het hoofdgebouw (sala) van zon curtis, terwijl er soms ook een voorburcht (curticula) aanwezig was.
Ook rondom de oude borchtkerk van Velzeke was er oorspronkelijk een versterkte veste met wal (cfr. Kerkgracht), alsook te Asse (cfr. Kerkhofgracht). Te Edegem, Mechelen, Putte, Ranst, St.Katelijne-Waas, Zemst en Zoersel was de kerk eveneens door een gracht beschermd (Kerklei).
In deze overwelfde vesten ligt ontegensprekelijk het ontstaan van de hardnekkige Houtemse mythe die wil dat vanaf de tombe van Livinus in de kerk van St.Lievens Houtem een onderaardse gang liep naar de St.Baafsabdij te Gent. Immers de smalle vestengracht lag in het verlengde van de kerk en vervolgde langs de oostkant zijn weg over de volledige lengte van de markt . Wellicht dat deze gracht jaren na 1812 overwelfd is geworden om de twee bovenvermelde vijvers te voeden welke nog in gebruik waren gebleven tot respectievelijk 1858 (Toortsgracht) en 1890 (Paardepoel), bij het dempen van deze twee vijvers en het slopen van het schepenhuis op de markt naast de Paardepoel (1895). Wat er ook van zij in 1851 heeft het gemeenbestuur van Houtem een aanvraag ingediend bij de bevoegde overheid om te mogen overgaan tot het vullen van een waterput en het leggen van een onderaardse goot. Op 10 mei 1859 vroeg ze subsidies aan voor deze werken. Ook weten we dat rond 1900 er een grote waterpoel op de hoek van de Paardemarkt en het Hoeksken bestond waarvan de overloop langs een open gracht terechtkwam in een grote gemetste riool, die nu nog altijd onder het dorpsplein van Houtem doorloopt, in de richting van de kerk om aldaar af te draaien naar de Edgar Tinelstraat toe om er uit te monden in de Cotthembeek (Molenbeek).
Vermoedelijk vormde deze waterpoel in vroeger eeuwen één geheel met de vijvers op het oude Dorpsplein. De open gracht achter de huizen van de Paardemarktstraat bestaat heden ten dage nog altijd gedeeltelijk en sluit aan op een gemetste riool ter hoogte van het café "Perdido" die pas in 1910 verder werd doorgetrokken over de ganse lengte van het marktplein, na ophoging van de markt met 75 cm. Bij al deze langdurige werkzaamheden moet deze grachtoverwelving van de Veste door de bewoners van Houtem voor de mythische onderaardse gang zijn gehouden.
Recent is op de site van het Cultureel Centrum De Fabriek ter gelegenheid van de uitbreidingswerken van het Jeugdhuis eveneens de overwelfde beek t Eecken blootgelegd.
Ook onder de nieuwe appartementen op de Markt werd een overwelving waargenomen die mogelijks in verband staat met een verdwenen beek.
- De abnormaliteit welke is vastgesteld tussen de rechthoekige fundering en de daarbovenstaande halfcirkelvormige absis is niet zo uitzonderlijk.
Zo weten we dat men in de St.Niklaaskerk te Utrecht een omgekeerde situatie had. Daar bouwde men eerst een half-cirkelvormige fundering, waarna men toch besloot daarop een recht afgesloten koor op te richten. De rechthoekige fundering van het apsiskoor van de St.Michaëlkerk situeert Callebaut reeds in de 11 de eeuw. In 1003 vermelde de Duitse keizer Hendrik II in een diploma de kerk en het bos waarbij hij de goederen van de abdij binnen het keizerrijk bevestigde en als volgt nadrukkelijk vermeldt: villam Holthem cum ecclesia ac silva".
Archeoloog Koen De Groot stelde vast dat de rechthoekige fundering van het koor rust op houten ingeheide palen.
- Zoals je kunt zien op onderstaande reconstructietekening van de vroegere St.Janskerk te Gent doorbreken de flankeertorens de dakhellingen, daar ze rusten op de onderstaande muren van het koor en de zijbeuk. Heel anders is de toestand van de resterende flankeertorens van St.Lievens Houtem. De torens en de lisenen op de hoeken ervan, staan hier tussen koor en zijkapellen, alsof ze er achteraf zijn ingebouwd. Nochtans is onder het dakvlak van het koor aan de zuiderkant het opgaand metselwerk van een veel bredere toren nog aanwezig. De bredere torens werden na vernietiging van de vieringstoren volledig heropgebouwd vanop het grondniveau.
Deze bredere torens waren wellicht tours-porches (portaaltorens) waaronder men doorgang kon vinden en bevestigen de opvatting van arch. Paul Roland die stelt dat deze kerk vroeger twee koren bezat, een oost- en een westkoor, onder Ottoonse-Maaslandse invloed zoals de St.Vincentius te Ename.
Onderaan de spiltrap binnen deze ruimte is de oostelijke toegemetste doorgang nog waar te nemen. Dit kan zeker geen lichtspleet zijn geweest zoals Cambier meent, wegens de grote afmetingen, zowel in hoogte (baksteen opvulling 1.60 m 1 uitgegraven trede van 21 cm = 1.81 m) als in breedte (0.98 m) daar waar de hoger gelegen lichtspleten langs het binnenparement van de toren gemeten slechts 1.14 m hoog en 68 cm breed zijn.
Bijkomende argumenten zijn:
a) De aanleunende contrefort van de Livinus kapel met de spiltraptoren is gehalveerd geworden ten behoeve van deze toren
b) De muurverzwaring en de bovenliggende impost in de zuidelijke koormuur ten
behoeve van de grote Romaanse boog binnen de kerk, zou normaal moeten doorlopen, daar waar hij nu wordt onderbroken door deze traptoren.
c) Sinds de opgraving van 1988 zijn we tevens ingelicht dat de spiltrappen niet doorliepen naar een te verwachten crypte, wat eveneens op een latere invoeging zou kunnen wijzen.
d) De flankeertorens hebben een een doorgangs- portaal- of chambrettelokaal tussen spiltrap en transept. Deze opbouw is zeer uitzonderlijk gezien oostelijk geöriënteerde flankeertorens meestal rechtstreeks uitgeven op het transept. Achter deze torens bevindt zich meestal nog een lokaal dat volgens Lemaire dienstig was als gevangenis maar volgens Héliot als sacristie, bergplaats en/of schatkamer. Het feit dat meestal achter zulke georiënteerde spiltrappen een lokaal aanwezig was zoals hierboven uiteengezet, i.p.v. ervóór, kan een bijkomende aanwijzing zijn.
Wat ons verder verwonderd is dat het vloerpeil van de etagekapel niet overeenkomt met dit van het spiltrapbordes, noch met het vloerpeil van het aanleunend doorgangslokaal.
e) Daarbij komt nog dat de toegang tot dit doorgangslokaal vanuit de spiltrap met een breedte van 74 cm en een platstenen latei, dient te geschieden al over een afgebroken muuropstand van ca. 35 cm hoogte, bij een dikte van 45 tot 26 cm, alsof dit voorheen een lichtschacht of raam was, die pas later als doorgang werd omgevormd. Andere spiltrap lichtspleten binnen de trapspiraal schommelen binnenin van 98 cm breedte met een halfronde boog bovenaan, tot 68 cm breedte met een platstenen latei.
- Dat een latere tussenvoeging van spiltrappen niet zo uitzonderlijk is mag o.m. blijken uit volgende voorbeelden:
a) Zo weten we dat de abdij van Sint Baafs te Gent, die tevens bouwheer was van de kerk te Sint-Lievens-Houtem, en die rond 1067 haar abdij te Gent reeds had voltooid, nog in de eerste helft van de 12 de eeuw ertoe over ging tot het inbouwen van een vieringstoren vergezeld van twee vierkante oostelijk gelegen traptorens onder invloed van de Normandische architectuur.
b) Ook in de O. L. Vrouwkerk te Maastricht heeft men bij het bouwen van het laat-Romaanse koor nog oosttorens ingebouwd die tevens dienst deden als schoring voor het nieuwe gewelf van het koor.
c)Het vroege 11 de eeuwse koor van de St.Servaaskerk te Maastricht onderging op het einde van de 12 de eeuw eveneens een ingrijpende verbouwing waarbij de apsis en de flankeertorens werden ingebouwd.
d) In de kerk in St.Odiliënberg (9 de 10 de eeuw) te Nederland werden de flankeertorens eveneens later ingebouwd toen het driezijdig koor ca. 1200 werd vernieuwd
- Na het stralen van de gevels zien we duidelijk de aftekening van een bruine ijzerzandsteen die o.m. gebruikt werd ter verlaging (of herstelling onderaan) van de koorramen , de vernieuwing van de rondbogen en hun dorpels, de schuine lijsten der plintmuren, het plintmetselwerk, de herstelling van de zware hoekpenant ten zuiden van de Livinuskapel en de drie lagen stenen onder de kruisbloem van het torentje. Deze aan de kerk vreemde steen werd gebruikt tijdens de restauratie van 1887 door de Gentse architect M. Goethals (1844-1902). Architect E.
Serrure zegt over het gebruik van deze steen het volgende: Quelques ouvrages y effectués vers 1887, n'ont pas été heureux ; c'est à tort qu'on a mis en oeuvre, à cette époque, une pierre étrangère alors que l'on pouvait se procurer sur place des matériaux semblables à ceux employés lors de la construction primitive.
- Links van de kapel werd in het natuursteenmetselwerk ten noorden van de blindboog een inkeping aangetroffen waarin een metalen grendel inpaste. Zo zien we dat niet alleen rechts tussen de blindboog in de loop van de tijd achtereenvolgens een houten poort en na verhoging van het vloerpeil een metalen hekken (fenestella) was aangebracht maar ook tussen de linkse blindboog.
- De twee koorramen in het rechthoekig gedeelte van het koor waren oorspronkelijk kleine Romaanse vensters die zich boven de doorlopende lijst bevonden van een recht afgesloten koor. De later bijgebouwde apsis werd voorzien van 5 ramen die oorspronkelijk ongeveer 1 m korter waren. De 2 ramen van het rechthoekig koor werden later aangepast aan deze van het koor, alhoewel ze een tijdje iets langer waren, (zie gravure hierboven) tot men ook deze van het koor heeft verlaagd.
- De doorbraakopening tussen het koor en het portaal van de Livinuskapel is beschilderd in een blauwe kleur zoals trouwens ook het plafond van de kapel.
Volgens Vandenborre zijn bij deze doorbraak 2 bouwfasen te herkennen:
begin 17 de eeuw: eigenlijke doorbraak bezit 1 pleisterlaag en 5 afwerkingslagen waarvan de 3 laatste blauw zijn.
18 de eeuw: muurinvulling naar trap bezit 1 witte en 3 blauwe lagen.
Archeoloog Van Eenhooge situeert de koorverbinding met het portaal tussen 1769 en 1779.
- Jan De Vos, koster van de St.Baafsabdij beschrijft in 1488 de gebruiken bij de Livinusbedevaart. Hij schrijft hierbij dat hij den gheheelen dach in de St.Lievenkapel zit inden buec vandekerke. Mocht deze beschrijving slaan op Houtem i.p.v. op de
St.Baafsabdijkerk dan zouden we er mogen op uitmaken dat in datzelfde jaar de Livinuskapel nog uitgaf op de dwarsbeuk.
- Het verwijderen van de vroegere korbelen onder de goten van absis en priesterkoor, werd wellicht uitgevoerd in 1812 tijdens de volgens Serrure minder geslaagde restauratiewerken onder leiding van de Gentse architect M. Goethals alhoewel op een tekening van Heins uit 1901 schijnbaar nog een 3-tal korbelen (of zijn het vlakke steenaanduidingen ?) aanwezig zijn ter plaatse van het priesterkoor.
Het baksteenformaat 205/100/65 en 195/95/60 dat heden de plaats inneemt van deze verwijderde korbelen verwijst evenwel naar de restauratie van 1950 door de Wetterse architect De Witte daar ook de buitenmuur van de kapel ter plaatse van de inkomdeur hetzelfde formaat en dezelfde paars-rode kleur heeft en deze buitenmuur tijdens deze laatste restauratie werd aangebracht.
- Is het ondenkbaar te mogen veronderstellen dat de verzwaring van de koormuur niet in verband dient gebracht te worden met de insprong van de enorme blindboog binnenin de kerk, aangezien deze buitenmuurverzwaring verder oostwaarts doorloopt dan deze blindboog, maar dat deze verzwaring ons eerder een aanwijzing geeft dat men aldaar zinnens was er zijlokalen (pastophoria ) tegenaan te bouwen of men althans de bedoeling had er later een toegang tot een buitencrypte aan te leggen, zoals dit eveneens het geval was bij de St.Baafsabdij te Gent. Bekijk in dit verband ook de vertanding aan de kapel van O.L. Vrouw te Gingelom (Montenaken) waar vroeger zijbeuken waren tegen aangebracht en waarboven zich 3 Romaanse ramen bevinden, waarvan de middelste in de loop der tijd de verbrede lijst doorbreekt en de 2 andere werden dichtgemets of bekijk de afbeelding hieronder waar een identieke verzwaring der muren aan de kathedraal van Tulle (Frankrijk) is getekend, die als steun diende voor dakconstructie van de aanbouw.
Mogelijks staat dit in verband met de bewering van mevr. Van den Abeele, die van mening is dat de beide flankeertorens onder het koor met elkaar zijn verbonden.
- Ten noorden van het kerkschip ca. 1 m voorbij de voorgevel staat de datum 1877 in een baksteen gegrift.
Is dit het jaartal van een restauratie ? We weten dat in hetzelfde jaar architect Emile Van Houcke-Peeters (Gent) een woning op de markt keurde om er een gemeenteschool in onder te brengen.
- Uit de opname van de baksteenformaten kunnen we heel wat afleiden:
a) Metselwerk binnenkant raam etagekapel
260/120/50 - datering kort na 1582
230/110/55 - herstelling Coen 1952
b) Invulmetselwerk achter huidig Livinualtaar
260/130/60 - datering kort na 1582
c) Het middelste gewelf van het koor
260/120/60 - datering kort na 1582 en herstelling Coen 1952
d) Muur waarachter kist in het etageportaal
260/120/50 - datering kort na 1582
e) Binnenmuur inkom Livinuskapel
260/130/55 - datering kort na 1582
255/125/50 - datering kort na 1582
f) Invulmetselwerk in noordelijke buitenmuur van de afgebroken kapel
220/115/55
g) Metselwerk schip
225/115/55 - datering 1769-1779
220/100/55 - datering 1769-1779
220/111/60 - datering 1769-1779
h) Metselwerk binnen de smalle doorgang naar de vieringstoren
230/100/50 - herstelling Coen 1952
i) Parementmetselwerk inkom Livinuskapel
220/100/50 - datering 1769-1779
205/100/50 - datering 1769-1779
j) Rechts van blindoog onder muurschildering
220/110/55 - datering 1735
200/110/50 - datering 1735
k) Links van credensdeurtje Livinuskapel
230/110/60 - herstelling Coen 1952
l) Raam of doorgang onderaan de spiltrapruimte
220/110/55 - datering 1735 aanbouw sacristie
m) Invulmetselwerk ten westen van het etageportaal
230/120/50
240/120/50 - datering 17 de eeuw
n) Invulmuur ten westen van de etagekapel
230/110/55
230 110/ 60.
Hieruit volgt dat toen men de scheidingsmuur aanbracht in het etageportaal om er een houten koffer achter te stoppen als berging voor de kunstschatten van de kerk men ook het raam in de naastgelegen etagekapel heeft verkleind om indringers te beletten. De overstap in natuursteen tussen het spiltrapbordes en de toegang tot het etageportaal is om dezelfde reden een getuigenis van het afsluiten van de etage voor mogelijke indringers.
Tot op heden was men de mening toegedaan dat het praktisch volledig dichtgemetste raam in de etagekapel doorgevoerd was om verdere scheuren te beletten daar zich links van dat raam en verder over de vloer een breuklijn voordoet.
Tegelijkertijd met deze ingrepen sloot men ook toen het dwarsschip af van het gelijkvloers portaal naast de Livinuskapel. Dit alles moet gebeurt zijn kort nadat in 1582 de Calvinisten de kerk hadden aangevallen waarna een gedeelte van het koorgewelf moest worden hersteld en de Livinuskapel moest worden afgesloten gezien het dwarsschip niet meer aanwezig was. Al deze ingrepen werden met eenzelfde baksteenformaat uitgevoerd. De volledige restauratie liep over verscheidene jaren, want, alhoewel ze in 1619 reeds in een betrekkelijke goede staat werd bevonden, zouden pas in 1603, 1605 en 1625 verscheidene altaren ingewijd worden bij het beëindigen van deze restauratiewerken.
- De grote blindboog in het koor en de kleinere in de naastgelegen portalen alsook in de eigenlijke Livinuskapel hebben typisch Ottoonse Noordduitse trekken die een erfenis zijn van de Karolingische bouwkunst. Het zou ons zelfs niet verbazen mocht in het koor, ten oosten van de grote blindbogen, eveneens zulke blindnissen aanwezig zijn, welke nu nog achter de lambrisering verborgen zitten.
Architect-archeoloog Paul Roland is er van overtuigd dat de St.Michaëlkerk twee koren bezat; een oost- en een tegenover liggend westkoor. Samen met het feit dat naast het oostelijk koor 2 flankeertorens aanwezig zijn getuigt dit alles van zijn Ottoonse oorsprong.
- Het Romaanse pleisterwerk in de Livinuskapel was licht roze, in de massa gekleurd met baksteengruis.
- Volgens een 19 de eeuwse beschrijving verlichtte de blinde raamnis in de Livinuskapel eertijds de spiltrap naar de bovenkapel.
- Van Den Bossche (M L) en Wylleman (M L) merken op dat de ramen van de Livinuskapel en zijn etage een hoefijzervorm hebben. Volgens hen heeft deze vorm geen uitstaans met Islamitische invloeden, maar is dit eigen aan de vroeg-Romaanse bouwkunst, waarbij een semi-impost drager was van een formeel en aldus daar ter plaatse voor een insnoering zorgde, Aldus kreeg de raamopening de vorm van een sleutelgat. Meestal werd de dragende impost nadien afgekapt. Zulk een raamconstructie komt ook veelvuldig voor in de Karolingische St.Laurentiuskerk van Ename.
- Volgens Revoil zijn volgende karakteristieken eigen aan de Karolingische
bouwkunst
a) profielen en sculpturen geïmiteerd naar de antieke bouwkunst doch onhandig uitgewerkt
b) constructie met grote stenen, afgewisseld met metselwerk van kleinere omvang visgraat of varenverband
c) letters nagemaakt van het Romeins alfabet, vnl. H,C en M waarvan de uiteinden eindigen op een visstaart
d) gepointilleerde bewerking van het metselwerk
e) de afwisseling baksteen-natuursteen in de arcaturen
f) de inplanting van de flankeertorens links en rechts van het koor.
- De ramen van de Livinuskapel en zijn etage worden gereconstrueerd zoals ze eertijds waren. Ze worden hierdoor smaller en langer. Het waren eerder kijkgaten met reminiscenties naar de schietgaten van de burgerlijke bouwkunst. Karolingische kerkramen waren niet alleen klein gehouden om bouwkundige redenen maar het verdedigingsidee domineerde reeds vanaf de 8ste tot zelfs in de 12 de eeuw .
- De mortel voor de restauratie in 1910 van het St.Lievenstorentje bestond uit:
3 maatdelen hydraulische kalk
1 maatdeel scherp zand
1 maatdeel gezeefde asse afkomstig van een ijzersmederij
Dit laatste staat in verband met de mortelstalen, die genomen werden onderaan de goot van het koor en die bij verbrijzeling binnenin helemaal zwart zien. Deze steenharde mortel werd toen gebruikt als kunstmatige steen, ter vervanging van de Balegemse steen. Waar de hoeveelheid hoogovenslak bij de bereiding van ruw ijzer min. 30 m³ per dag bedraagt en vroeger als een waardeloos product werd opgestapeld, wordt het sinds lang, naast het vervaardigen van kunstmatige steen (cfr. Ytong) eveneens gebruikt in de cementindustrie (Cfr. hoogovencement, ijzercement, permetaalcement) en als ballast bij de wegenaanleg.
- Het hoog geplaatste credenskastje, links van het noordelijk blindraam in de gelijkvloerse kapel (evangeliekant) werd pas aangebracht na het verhogen van het vloerpeil zoals dit was vóór de huidige restauratie. Het credensnisje naast de buitendeur is evenwel ouder en werd aangebracht toen het vloerpeil lag zoals na de huidige restauratie. Dit is het bewijs dat vóór de toen nog niet doorbroken blindboog een altaar heeft gestaan. Doorheen de tegenoverliggende ontdekte zuidelijke deuropening konden de bedevaarders de mis volgen van op het kerkhof.
Volgens De Caumont kwamen zulke kastjes ten vroegste in voege in de 2 de helft van de 12 de eeuw en was dit gebruik zelfs eerder nog zeldzaam in de 13 de eeuw. Oorspronkelijk bewaarde men links de heilige boeken: missaal, evangelie- psalm- en epistelboek. Credensnisjes langs de epistelkant waren eerder bestemd voor het opbergen van religieuze voorwerpen zoals kelken en andere recipiënten bestemd voor de eredienst.
Op de verdieping zien we langs de epistelkant zon rechthoekig in de muur uitgespaard nisje met rechts ervan nog een smalle kokervormige uitsparing in de muur waarvan de diepte praktisch tot buiten reikt. Het nisje moet later aangebracht zijn dan de eigenlijke bouw van de kapel, want de naast geplaatste kraagsteen werd afgekapt omdat hij de toegang tot dit nisje belemmerde. Mogelijks was de naastgelegen kokervormige uitsparing een sacrarium of een afloop om na de handwassing het gebruikte water naar buiten te laten weglopen. Volgens De Caumont, zou zon sacrarium op de zeer hoge ouderdom kunnen wijzen..
Aangezien rechts van het raam nog zon diepe kokervormige uitsparing wordt aangetroffen, denken we eveneens in de richting van stellingsgaten, zoals op onderstaande tekening wordt verduidelijkt.
- Sinds een nieuwe raamopening is gemaakt in de bovenkapel kan men duidelijk zien dat 2 balkkoppen zijn afgebrand, waarna een herstelling volgde door onder de doorgebrande balk een onderbalk aan te brengen.
Ignace Van der Kelen
Darcos
GERAADPLEEGDE WERKEN:
Bohnen A . Recueil de notions dArchitecture et d Archéologie, Brugge, 1924
Bouman, Toponymie van Sint-Lievens-Houtem van 1227 tot 1642, Gent 1961
Braekman G. , Sint-Lievens-Houtem in oude prentkaarten, Zaltbommel;
Braekman W.L. , De bedevaart uit het St.-Baafsdorp bij Gent naar St.-Lievens-Houtem, in: Het Land van Aalst, nr. 2/1998
Braekman W.L. , Historische aantekeningen over Sint-Lievens-Houtem, in: het Land van Aalst, nr. 4, 1995
Cloquet Louis, LArt Monumental Romain, Latin et Byzantin, Bruxelles, .
David F.K. , Een grote, oude Heilige wordt vereerd te Sint-Lievens-Houtem: waar een gang begint onder het praalgraf van St.-Livinus, in: Het nieuws van den dag, 4/3/1947;
De Belie Alfons, Onze familienamen, Belsele, 1993
De Coumant M. , Abécédaire ou rudiment darchéologie, Caen, 1858
De Smet J.J. , Leven van den heiligen Livinus, Gent 1857
De Vries J. , Etymologisch woordenboek, Antwerpen, 1964.
De Vries J. , Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse plaatsnamen, Antwerpen, 1962;
Duquet Frans & De Pauw Walter, Oude en verdwenen herbergnamen te Sint-Lievens-Houtem, in Darcos tijdschrift nr. 2/1990
Duquet Frans, De Paardemarktstraat in: Darcos tijdschrift nr. 2 van 1998
Duquet Frans, Het oude dorpsplein van Sint-Lievens-Houtem, in: Darcos tijdschrift nr. 3/1996
Duquet Frans, Zo was Sint-Lievens-Houtem, Eigen Beheer, 1976.
Esther Jean-Pierre, Romaans in België, Baarn, 1992.
Focillon Henri, Moyen Age Roman et Gothique, Paris,
Heins Armand, Oude hoekjes in Vlaanderen, Gent 1901.
Héliot Pierre, Le Chevet de la Collégiale de Nesle, l'Architecture schaldienne et les Influences allemandes en Picardie, in Belgisch Tijdschrift voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis XX-4, 1951
KCML , Bulletin Commissions Royales d'art et d'Archéologie Rapport du 12 juin 1903
Koch Wilfried, Bouwstijlen, Religieuse bouwkunst, De Karolingische bouwkunst, Amsterdam 1988, pag. 66 en 440
Laneau Herman, Verdwenen kasteel terecht, in: Het Volk 12/5/2001
Lemaire R. , De Romaanse bouwkunst in de Nederlanden, Leuven, 1952
Lindemans J. , Plaats en persoonsnamen in oude cijnsboeken, proeve van bewerking naar het renteboek der St.Baafsabdij te St.-Lievens-Houtem (15 de eeuw), Leuven, 1941
Lion Jan, Dertien km. natuur in Hofstade, in: Het Nieuwsblad, 16/10/2001
Nijs R. en De Geyter G. , De belangrijkste types natuursteen in onze historische monumenten in catalogus Goldsmidt
Nijs R. en De Geyter G. , Een petrografische kijk op onze historische monumenten, in: Vobov-info, nr. 18-19/1985
Noterman Adolf, Oosterzele, een bijdrage tot de toponymie en de folklore, in: Jaarboek van de Zottegemse culturele Kring,1951-1952
Pijnenburg & van der Voort, Woordenboek Middelnederlands, Antwerpen, 1984;
Revoil , Architecture romane du Midi de la France.
Rolland Paul, Un groupe belge d'églises romanes. Les églises bicéphales à tourelles orientales, in: Belgisch tijdschrift voor Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis XI, volume 2 en 3, Antwerpen 1941, Vertaling Van der Kelen Ignace, De Priorij van St.Lievens Houtem, in: Darcos tijdschrift nr. 11, 1989
Ter Kuile Engelbert, De Romaanse kerbouwkunst in de Nederlanden, Zutphen 1982,
Van den Abeele-Bellon Rosa, Sint-Lievens-Houtem aan de zoom van een heuvelig landschap, in: Toerisme in Oost-Vlaanderen, nr. 2, 1967.
Van Den Bossche Herman, De Romaanse en Gotische bouw van de St.
Martinuskerk te Velzeke(Zottegem) in: Gentse bijdragen tot de kunstgeschiedenis, XXIII, Gent, 1973-75;
Van der Kelen Ignace , Dateringsproblematiek der Sint-Michaëlkerk, in: Darcos tijdschrift nr. 4/1999
Van Durme Luc, Toponymie van Velzeke-Ruddershove en Bochoute, deel 1, Gent, 1986
Van Lokeren A. Histoire de labbaye de Saint Bavon et de la Crypte de Saint-Jean à Gand , Gand, 1855.
Vercouille, Beknopt Etymologisch Woordenboek, Gent, 1925;
Verhulst Adriaan, De Sint-Baafsabdij te Gent en haar grondbezit van de 7e tot de 14 de eeuw.Gent, 1958
XX, Voorschauwing van de dorps- en landwegen, alsook de los- hort- menne- en cautergaten te Sint-Lievens-Houtem in 1764, Rijksarchief Ronse,
XX,Archief pastorie Houtem
XX, Kaarten en Plans, nr. 2840/1-4, RA Gent,
XX, Notulen van de gemeenteraad, gemeentearchief St.Lievens-Houtem.