
|
Verslag van dagtochtjes vanuit Phnom Penh
Voor we vanuit Phnom Penh doorgaan naar Siem Reap willen we eerst nog wat gaan bekijken in de omgeving. Ons eerste dagtochtje is naar Udong, een dorp 40 km ten noord-westen van Phnom Penh. In het vlakke landschap liggen hier twee met tempels bezaaide heuvels. We verwachten er eigenlijk niet zo veel van. Met een lokale bus rijden we er heen. De weg is redelijk goed, hoewel enkele kuilen er op zijn tijd voor zorgen dat iedereen in de bus de lucht in vliegt. Deze "opvliegers" zorgen voor een groot gevoel van saamhorigheid op de achterbank, die we delen met twee Khmers. We worden afgezet op de kruising met de weg die naar de heuvels leidt. Het is vandaag een mooie dag, het zonnetje schijnt en er staat een lekker koel windje: we besluiten te gaan lopen. Ook in dit stukje, landelijk, Cambodja is de welvaart ver te zoeken. Het is twee kilometer lopen over het stoffige rode zandpad. Twee kilometer van zwaaien en hallo roepen naar de bewoners van de krakkemikkige paalhutjes die langs het pad staan. Bij een waterpomp gebaren enkele lachende vrouwen dat we water bij ze moeten komen drinken. Dat doen we voor de zekerheid toch maar even niet. Af en toe worden we ingehaald door een motor met daarachter een bolderkar vol met mensen. Aan het lachen te horen vinden ze het buitengewoon grappig om ons te zien lopen. We zijn dan ook de enige voetgangers. Boven op de heuvels worden we getrakteerd op schitterende, grotendeels platgebombardeerde en kapotgeschoten, bouwwerken die verspreid liggen op de beboste heuvels. Op enkele lokale bezoekers, bedelaars en werklui na, is er verder niemand. We hebben een hele stapel met briefjes van 100 en 200 Riel en geven ieder oorlogsslachtoffer/monnik/bedelaar iets. In ruil daar voor zeggen de monniken een gebedje en lachen de tandenloze monden ons dankbaar toe. We zijn blij dat we hier naar toe zijn gegaan. Nu we weer in Phnom Penh zijn kunnen we mooi nog even naar de StaatsBank. We hebben gelezen dat ze daar oud, niet meer in roulatie zijnd, cambodjaans muntgeld hebben. Leuk als souvenir, of voor Frank's neef die muntjes spaart. Al voor we het terrein van de bank op lopen wijst een bewaker op een uitgeprint A4'tje waarop staat dat de Foreign Exchange Bank verplaatst is. We proberen duidelijk te maken dat we muntjes willen kopen, hier bij de StaatsBank. De wanhoop nabij stuurt hij ons uiteindelijk door richting de ingang een eind verderop. Voor we naar binnen kunnen komen we een andere bewaker tegen die ons een zelfde A4'tje laat lezen. Ook hem proberen we uit te leggen wat we willen. Nadat hij nog drie bewakers geraadpleegd heeft worden we naar binnen geloodst en doorverwezen naar de informatiebalie. Die is er niet maar als we een beetje duf rond staan te kijken spreekt iemand ons aan. Een paar personen later wordt er een klein plastic zakje met enkele muntjes uit een kluisje gehaald. Die mogen we mee nemen. Onze tweede dagtochtje is naar Tonle Bati. De bus naar Takeo is te laat. Een medewerker van het busbedrijf zegt ons: "bus is delayed, traffic jam". Dit lijkt ons onwaarschijnlijk, zoveel auto's zijn er nou ook weer niet in Cambodja. Maar het maakt ook niets uit, we wachten wel. De weg is slechter dan naar Udong. Ruim anderhalf uur rijden over 33 kilometer. Als we uitstappen begint het hard te regenen. Niet voor lang gelukkig en als het droog is rijden we achterop een motor naar het complex. Vlak voor we er zijn moeten we entreekaartjes kopen. Daar hebben we niet op gerekend maar ja we zijn er nu toch. We betalen het motor-mannetje en zeggen hem gedag, hij is echter nog lang niet van plan afscheid van ons te nemen. De tempels zijn alvast een voorproefje voor Angkor. We wandelen rond in de tempels en gaan daarna naar het erachter liggende meer. DE hang-out voor lokalen. Aan de waterkant staan bamboo hutjes waarin families aan het picknicken zijn. Het motor-mannetje houdt ons goed in de gaten en stuurt voortdurend mensen op ons af die hem promoten. Dat we terug gaan lopen wil hij maar niet snappen. Het is toch echt niet zo ver. Halverwege onze wandeling terug naar de hoofdweg komt hij naast ons rijden. "Two persons 1000 Riel." No, we walk. " 500 Riel?" No, not even if it is free. Really we want to walk. Hoofdschuddend rijdt hij door. De bus laat anderhalf uur op zich wachten. In de tussentijd vermaken wij ons met het bekijken van het voorbijkomende verkeer. Werkelijk iedere ruimte in en op een vervoersmiddel wordt gebruikt. Auto's zijn afgeladen met mensen en/of bagage. De bagage op trucks torent meters hoog de lucht in, en als het even kan zitten daar bovenop nog mensen. Vier personen op een motorfiets is niks. Een vrouw die achterop een motor zit is ondertussen haar baby borstvoeding aan het geven. Ook levende varkens en zelfs een kalf komen achterop een motor gebonden langs. Ons laatste avondje Phnom Penh en dus ook ons laatste avondje DJ Max. Op ons transistorradiotje hebben we deze lokale zendgigant iedere avond kunnen ontvangen. De muziek is leuk maar de aankondigingen en de interviews met bellers (als die er al zijn) zijn vooral lachwekkend omdat ze zo slecht zijn. Zijn legendarische opmerking "I keep losing my callers" is er een beetje kenmerkend voor. We zullen hem missen, leedvermaak is tenslotte ook vermaak! Als we in bed liggen horen we het geluid van kogelschoten in de straat. Het blijft een rare gewaarwording.
|