Bellesguard

        

1900 - 1909

Gaudí was in hart en nieren een Catalaan.
Bijna in al zijn gebouwen vinden we kleine details die getuigen van zijn nationale gezindheid.
In 1900 begon hij een werk dat zou uitgroeien tot een Catalaans symbool.
Een dBellesguardroom van een groots verleden.
Dit verleden lag in de Middeleeuwen. Gaudí bouwde voor doña María Sagués een landhuis waar een graaf zich niet voor had hoeven schamen.
Met de statige poort, slanke kantelen en spitse toren lijkt het op een overblijfsel uit vroegere tijden.
Niet alleen de stijl herinnert aan het roemruchte verleden van Catalonië, maar ook de grond waarop het gebouwd werd.
Hier stond eens een prachtig landhuis van Martí I, de laatste koning van Barcelona.
De weinige ruïnes van deze heerlijkheid heeft Gaudí uit eerbied laten staan - als gedenkteken voor de Catalanen.

Veel van Gaudí's werken getuigen van zijn Catalaanse afkomst en patriottisme.
Niet ten onrechte noemde zijn vriend Joaquim Torres García hem de 'Catalaan der Catalanen'.
Steeds weer treffen we in zijn huizen (bijvoorbeeld in het Casa Calvet en het Casa Milà) de woorden 'Fe, Pàtria, Amor' aan, het motto van Jocs Floral, een Catalaanse dichtwedstrijd.
Ook de Catalaanse rood en geel gestreepte vlag vinden we overal terug, evenals de slangekop uit het wapen van Catalonië (bijvoorbeeld als grote mozaïekschaal aan het eind van de grote groene trap, die toegang heeft tot het Park Güell).
In 1907 stelde Gaudí voor om ter gelegenheid van de 700ste verjaardag van koning Jaume I een gedenkteken in de vorm van een zonnewijzer op te richten.
Ook de 100ste verjaardag van de Catalaanse filosoof Jaume Balmes in 1910 wilde hij met grootse projecten luister bijzetten.
Daar kwam in beide gevallen niets van, aangezien een dergelijke nationalistische denkwijze bij de regering geen weerklank vond.
Hij mocht alleen maar twee reusachtige straatlantaarns maken, die in 1924 al weer werden verwijderd.
Maar met openbare instituties had Gaudí toch al geen geluk.
Zijn plannen en dromen kon hij in de eerste plaats door privé-opdrachten realiseren.
Zo is het Catalaanse wapen op het Palacio Güell tot op de dag van vandaag bewaard gebleven.

Het meest patriottische gebouw van Gaudí is echter het tussen 1900 en 1909 gebouwde huis Bellesguard.
Het ontstond in een tijd waarin Gaudí zijn eerste, voorzichtige pogingen op de weg naar zijn eigen architectuur al lang achter de rug had, maar nog niet als gerijpte, van zichzelf overtuigde architect van Park Güell optrad.

Vanuit de architectonische structuur beschouwd, laat het huis een duidelijke overgang zien.
We vinden oude, gotische elementen en de plattegrond is - net als bij het Casa Calvet - relatief eenvoudig.
In het geheel van zijn werken heeft Bellesguard een speciale positie.
De verwijzingen naar de Moorse architectuur ontbreken; verder ontbreken de sierlijke lijnen van zijn Jugendstilparafrasen en vooral de kleur, waarvan hij in dezelfde tijd zo uitvoerig gebruik maakte in het Park Güell en waaraan hij tot de torens van de Sagrada Familia trouw zou blijven.
Ook al is Bellesguard geen huis met een homogene stijl - wat bij Gaudí toch al nooit het geval is -, toch lijkt het op een overblijfsel uit vorige eeuwen.
Mede als gevolg van de bijna vierkante vorm, staat het als een blok steen in het landschap.

Als het dwars geplaatste, al van verre zichtbare kruis niet op de spits van de toren zou staan, dat bijna een kenmerk van de gebouwen van Gaudí is - het is ook op het paviljoen bij de ingang van het Park Güell te zien - zou men kunnen denken dat men een overblijfsel uit de Middeleeuwen voor zich heeft.
Gaudí greep in zijn stijl bewust terug op de Middeleeuwen.
Al is het landhuis geen voorbeeld van Gaudí's avantgardistische architectuur, het is wel een soort monument van het grootse Catalaanse verleden.
Al bij de vormgeving liet Gaudí zich vooral door de plaats inspireren en leiden, net zoals bij zijn andere gebouwen uit deze tijd.
Bij het Park Güell is de hele vormgeving in dienst van het landschap gesteld.
Bellesguard is uit het historische verleden van de plaats zelf ontstaan.
Doña María Sagués, de weduwe van Figueras was al lang een bewonderaarster van Gaudí.
Ze gaf hem in 1900 de opdracht een gebouw te creëren dat de historische betekenis van de plaats zou moeten laten herleven: op deze plaats heeft Martí I, de laatste koning van Barcelona - met de bijnaam 'de humane' - in 1408 ene landhuis laten bouwen.
Hij noemde het 'Bell Esguard' ('mooi uitzicht'), een naam, die het huis verdient: het ligt halverwege een heuvel voor de stad Barcelona en biedt een prachtig panorama over de hele stad.
Na de dood van Martí I heeft Castilië het roer overgenomen; de grote tijden van Catalonië waren voorbij.

Bij dit bouwwerk grijpt Gaudí heel duidelijk op de middeleeuwse elementen terug.
De gotische spitsbogen die hij eigenlijk al niet meer gebruikte komen terug.
Een hoge spitse toren aan een van de hoeken steekt hoog boven het indrukwekkende gebouw uit, geheel in de stijl van bepaalde middeleeuwse paleizen.
De elementen zijn niet direct aan vroegere stijlvoorbeelden ontleend, maar door Gaudí op een geheel eigen manier 'geïnterpreteerd' en ondergeschikt gemaakt aan het geheel.
Zo liet hij bijvoorbeeld onder de kozijnen van de gotisch aandoende vensters grote kruisvormige motieven aanbrengen, die naar het kruis dat de torenspits bekroont verwijzen.

Eveneens aan de Middeleeuwen herinneren de kantelen die als bij een vesting om het gehele dak lopen.
Het bouwwerk kan als een monument worden beschouwd, als een herinnering aan de bloeitijd van Catalonië, iets wat Gaudí in de openbare gebouwen van Barcelona niet kon doorzetten.
Een klein mozaïek aan beide zijden van de hoofdingang is dan ook duidelijk als symbolische verwijzing naar de geschiedenis bedoeld: we zien daar twee stralend blauwe vissen, elk onder een gele kroon, waarmee aan de grote zeemacht van Barcelona herinnerd wordt (de door Jaume I geïnstalleerde 'Raad van Honderd' vaardigde al in 1259 de 'Consolat de Mar' uit, het eerste zeerecht in moderne zin, dat later in verschillende landen aan de Middellandse Zee vermoedelijk als voorbeeld voor soortgelijke wetgevingen werd gebruikt.)
De smeedijzeren deur van de hoofdingang stamt niet van Gaudí.
Hij had een bonte deur ontworpen, die beter bij de strenge architectuur van het kasteeltje paste.
Toch valt ook de ijzeren deur niet uit de toon, want de elegante krullen die Gaudí bij andere bouwwerken gebruikte, ontbreken hier.
Dat past bij de door Gaudí zelf ontworpen smeedijzeren vensters, die met hun ronde stangen (dit in tegenstelling tot de gebruikelijke hoekige staven) star en afwijzend werken.

Gaudí trachtte de geschiedenis van de plaats ook nog buiten het gebouw te bewaren.
De ruïnes van het oude landhuis liet hij staan en verbond ze met het nieuwe huis tot een gemeenschappelijke tuin.
Om dit plan te kunnen realiseren liet hij het kerkhofpad omleiden dat tussen twee torenresten doorliep.
In plaats hiervan bouwde hij - net als in het Park Güell - een colonnade met ietwat schuin staande zuilen.

Ondanks de wat stroeve, vierkante bouwvorm past het gebouw uitstekend in het landschap.
Gaudí combineerde zijn favoriete bakstenen met leisteen, dat in de buurt zelf beschikbaar was.
Daardoor kreeg het gebouw een somber aanzien met een fascinerende kleurmengeling van oker en donkergrijs.
Deze indruk krijgen we ook in de benedenetages.
Het van baksteen gemetselde gewelf wordt gedragen door dikke zuilen, die naar boven toe vertakken en daardoor wat kort en gedrongen lijken.
Hetzelfde herhaalt zich op de eerste etage, maar daar wordt de grote hal dankzij de raamopeningen van licht doorstroomd.
De enorme, van bruine, ongelazuurde (dus ruwe) baksteen gemetselde gewelfbogen krijgen daardoor een bijna ornamenteel aanzien, ondanks de ongepleisterde bakstenen die Gaudí in zijn eerlijke, zo weinig mogelijk verhullende architectuur prefereerde.

De bovenste etages daarentegen stralen een verbazend lichte sfeer uit, wat men niet zou verwachten wanneer men het gebouw van buiten ziet.
Gaudí verkreeg deze werking door het grote aantal ramen, maar vooral ook door een element dat hij tot nu toe zelden gebruikte: hij liet de muren met gips bepleisteren.
Bellesguard verwijst daarmee naar toekomstige bouwwerken, waarin het licht een steeds grotere rol zou gaan spelen.
De pleisterlaag heeft nog een andere functie: de strenge structuur van de ruimte wordt daardoor afgezwakt; de muren worden 'zacht', en de hoeken minder hard.
De golfstructuur van het Casa Milà is hier al duidelijk aanwezig.
Zo wordt het stilistisch zo eenvoudige gebouw een complex van tegenstellingen, wat al bij de vergelijking van de plattegrond met het frontaanzicht in het oog valt.
De plattegrond is bijna vierkant; slechts de toreningang staat wat hoger.
De toren (die trouwens opnieuw het Catalaanse wapen aanduidt) verheft zich boven de ingang.
Het frontaanzicht ziet er heel anders uit.
Het gebouw lijkt zich trapsgewijs omhoog te werken.
Men kan een drievoudige stijging tot de toren die het geheel bekroont, herkennen.
Daardoor krijgt het kasteel een zekere elegantie.

Afgezien van de benedenetages en de buitengewoon moeilijke maar typisch Gaudiaanse bogen op de eerste zolderetage, lijkt deze van buiten zo trotse burcht van binnen veel meer op een elegante Jugenstilvilla.
De witgepleisterde, licht golfachtige muren en zuilen, die zich dikwijls merkwaardig vertakken en in andere ruimtes en etages naar binnen lijken te gaan, schijnen het licht praktisch aan te trekken, te versterken en het uiteindelijk verder te leiden; er ontstaat een ornamenteel spel van licht en schaduw.
Onze blik blijft nergens hangen en wordt voortdurend verder geleid.
De structuur komt daardoor op de tweede plaats.
De witgepleisterde bovenetages lijken één ruimte met talrijke uitstulpingen en verborgen hoekjes.
Maar ook hier weer probeert Gaudí stijlzuiverheid te vermijden, ook al is het zijn eigen stijl.
Bij de wat dunnere muren gebruikt hij ijzeren staven als steunelement.
En eerlijk als hij is, worden deze niet verhuld, hoewel dat gemakkelijk zou zijn geweest.
Op die manier zijn echter ook in de harmonieuze ruimtes steeds weer nieuwe verassingen, 'struikelblokken' verborgen, zoals de elegante, gekleurde glas-in-lood-ramen, waarmee Gaudí op speelse manier naar kerkramen verwijst.
Hij integreert ze echter in wat grotere Jugenstilachtige venstercomplexen en brengt in de motieven symbolische toespelingen aan op Venus - godin van de liefde. Deze schijnbaar uit een andere wereld stammende Jugendstilramen combineert hij weer met betegelde muren in de typische stijl van deze regio.
Een hoekje verder vinden we nuchtere, door donker hout omlijste naar boven toe spits oplopende 'gotische' ramen - een verbluffend contrast en opnieuw het bewijs dat Gaudí een vrijmoedig spel speelt met historische stijlelementen, waardoor een ware collage van de meest heterogene vormelementen ontstaat.
Deze versmelten - zoals later bij de surrealisten - tot een nieuwe eenheid, die zelf tot een nieuwe stijlrichting zal uitgroeien.

Zo werkt ook het merkwaardige piramidevormige dak, hoe robuust het ook is geconstrueerd, niet als stijlbreuk.
Wanneer men zich na de vederlicht werkende vertrekken op het dak begeeft, beleeft men daar de speelse bekroning van het gebouw.
Door de toepassing van allerlei grappige, spitse erkertjes en vooral door het 'mozaïek' van het dakoppervlak heeft Gaudí elke indruk van logheid, die eigenlijk inherent is aan dit gebouw, weten te vermijden.
Het dakmozaïek bestaat weliswaar geheel uit natuursteen, maar de werking ervan is door het gebruik van de meest gevarieerde steenvormen uitermate levendig en verrassend. bovendien is het dak wat kleur betreft in volmaakte harmonie met het omringende landschap.
Alleen de kanteeltjes van de dakomloop herinneren nog aan de tijden, die Gaudí met zijn 'mooi uitzicht' voor ogen stonden: de Middeleeuwen, waarin in het jaar 1409 koning
Martí I in Bellesguard met Margarida de Prades in het huwelijk trad.
En het is geen toeval dat de trotse Catalaan Gaudí de bouw precies 500 jaar na deze gebeurtenis beëindigde.
Geheel voltooid was Bellesguard toen nog niet, waardoor het in de grote categorie van door Gaudí onvoltooide bouwwerken valt.
Pas in 1917 legde Domènec Sugranes de laatste hand aan het geheel.

 

 

Terug naar de vorige pagina - Sagrada Familia   Door naar de volgende pagina - Casa Batlló  Naar de hoofdpagina  Naar het begin van deze pagina