De Taal van het Water - A

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
A

AAIC. Accounting Authority Identification Code. Ook : radio code, accounting code of verrekeningscode. Identificatiecode die bij de opgaaf van een telegram of aanvraag van een telefoongesprek aan een buitenlands kuststation moet worden opgegeven, om de kosten te kunnen verrekenen met de verrekeningsmaatschappij. Voor Nederlandse schepen is deze verrekeningsmaatschappij de PTT, in de hoedanigheid van het station Scheveningen Radio, dat bij buitenlandse kuststations bekend is onder de code NL01 (November Lima zero one). De Nederlandse marine maakt gebruik van de verrekeningscode NL04 (November Lima zero four).

Aak. Platbodemd vaartuig met brede boeg, zonder voorstevenbalk. Een aak met voorstevenbalk wordt stevenaak genoemd. Praamaken, zandaken, stevenaken en rijnaken zijn typische vrachtvaartuigen. » Lemsteraken, boeieraken en wieringeraken worden nog wel gebouwd voor de watersport. Vroeger werden door hout- en rietvaarders grote, platte schouwen gebruikt (7 meter en langer), die door hen `aken' werden genoemd.

Aalbootje. » Wieringer bol.

Aalhoekwant (v). Vistuig met hoeken (haken) om paling te vangen.

Aaljaagnet (v). Verboden vistuig. Rechthoekig net, bijvoorbeeld 5 meter lang en 1.50 meter hoog, waarvan de opstaande zijden aan stokken zijn bevestigd. Het wordt aan vier lijnen door het water getrokken.

Aalkubbe (v). Het achterste deel van een » fuik.

Aalsgeweer (v). Visnet voor de aalvangst.

Aaltoeken (v). Met » aalhoekwant op paling vissen.

Aalwant (v). » Aalhoekwant.

Aalzegen (v). Elke » zegen waarvan de maaswijdte niet meer dan 25 millimeter en de lengte niet meer dan 40 meter bedraagt.

Aan de grond lopen. De boot raakt de grond in ondiep water en loopt vast.

Aan de wind. Onder een kleine hoek tegen de wind in, over bakboord of stuurboord. Zeil je `hoog aan de wind', dan zeil je bijna recht tegen de wind in. Zie ook afb. 44.

Aangeklede voorloop. Lang en mager persoon. Zie Voorloop.

Aangenomen waarnemer (AW) (n). Element om te berekenen of we ons op een cirkel buiten of binnen de » hoogtekromme van de aangenomen waarnemer bevinden.

Aangeven (v). Het aan de afslag doorgeven van de vermoedelijke hoeveelheid te verkopen vis.

Aangezette kiel. Los onder de romp geplaatste » vin.

Aangroeiing. Hechting van plantaardige (algen) en dierlijke (zeepok) organismen aan het zich onder water bevindende deel van de scheepsromp. Vindt hoofdzakelijk plaats in zout water, vooral wanneer het schip stil ligt. Dient periodiek te worden verwijderd (dit noemt men `knippen en scheren'), omdat de ruwe laag op de scheepshuid de snelheid nadelig beïnvloedt.

Aangroeiwerende verf. Ook:anti-fouling. Verf die op scheepsrompen wordt aangebracht om de aangroei van bacteriën, algen, wieren, zeepokken, kokerwormen, mosselen en andere organismen te voorkomen. Wanneer deze verf giftige koper- of tinverbindingen bevat, die schadelijk zijn voor zout en zoet water, is het (sinds 1990) verboden haar te gebruiken op plezierjachten die kleiner zijn dan 25 meter.

Aanhangmotor. (1) Buitenboordmotor. (2) (m) Marineterm voor verloofde of echtgenote.

Aanlandig. De wind waait naar het land toe.

Aanleggen (v). Het klaarmaken van de netten en het overig vistuig.

Aan lij. Aan de kant waar de wind naartoe blaast.

Aan loef. Aan de kant waar de wind vandaan komt. Het oorspronkelijke gezegde luidt:

Aan loef loden en gissen

aan lij loggen en vissen

Ter wille van de hygiëne wordt `loggen en vissen' vaak veranderd in `kotsen en pissen'.

Aanlopen. Horizontale knieën in het voordek, onder andere van een botter.

Aanmonsteren. In dienst nemen van » schepelingen voor een reis. Daarbij wordt de » monsterrol getekend en het » monsterboekje overlegd. Zie ook afmonsteren.

Aanpennen (v). Strak zetten van een » fuik.

Aanschakelen (s). Een schoot of iets dergelijks door middel van een schakel bevestigen.

Aanslaan. Een zeil bevestigen aan zijn » rondhout of » stag, klaar om te worden gehesen. Zie ook Afslaan.

Aanvangsstabiliteit. De weerstand tegen omslaan als de boot recht op het water ligt. Zie ook Eindstabiliteit.

Aanvaring. De botsing van schepen met elkaar.

Aanvaringsklamp. Stootklos, houten klos voor de kop van het » zwaard.

Aanwakkeren. Het sterker worden van de windkracht.

Aanwenders (v). Lijnen waarmee de » oorstokken van de » kwakkuil gedraaid worden.

Aanzeillijn (w). » Layline.

Aanzetten (m). Vaart meerderen.

Aanzijde (k). De kant waar je in de normale positie peddelt. Zie ook Afzijde.

Aap. Bezaansstagzeil, ook achterzeil, bezaansstagzeil, broodwinner, bras of ransel genoemd.

Aardplaat. Lichte plaat voor de aarding van elektronische apparatuur (zenders, ontvangers, radar) aan boord van polyester en houten jachten. Voor de aarding van zenders tot 800 Watt heeft men toch al gauw een aardplaat van 45x15 centimeter nodig, met een dikte van 13 millimeter.

Aardse projectie (a.p.) (n). De geografische positie van een hemellichaam.

Aasbak (v). Houten bak waarin het » hoekwant gehaald en geaasd wordt, of van waaruit het geschoten wordt. Zie ook Halen en Schieten.

Aaskuil (v). » Kuil voor het vangen van aas.

Aasplank (v). Plank waar tijdens het » halen, » schieten, » azen en » spleten de » aasbakken op geplaatst worden.

Aatje (v). Achterste deel van de » kuil, waar de vis zich verzamelt.

Aatjeslijn (v). Lijnstuk tussen » aatje en bakentje op de » wonderkuil.

a/b. Afkorting van `aan boord'. Wordt gebruikt in adressering, bijvoorbeeld: Jan Visser, a/b ms Spes Major.

Abandonee (e). » Cessionaris.

Able Apogee 50. Comfortabele toerzeiler met vin-/vleugelkiel en twee hutten. Materiaal: GRP + kevlar. L.O.A. 15,54 m., breedte 4,27 m., diepgang 1,80 m., grootzeil 52 m², genua-1 64 m², stagzeil 24 m².

Abondonneren. Verlaten of in de steek laten van het schip.

Aborderen. » Enteren (2).

ABS (s). Kunststof materiaal dat onder andere wordt gebruikt voor de fabricage van surfplanken.

ABS-keur. Keurmerk van het American Bureau of Shipping. Wanneer een schip is gebouwd volgens de richtlijnen van het ABS, wil dit nog niet zeggen dat het schip het keurmerk van de ABS heeft.

Accommodatie. Benaming van de ruimten aan boord van het schip uitsluitend ten behoeve van de » opvarenden.

Accomodation ladder (e). » Staatsietrap.

Accounting Code (e). » AAIC.
 
 


Brand op de Achille Lauro

Achille Lauro (voorheen de Willem Ruys van de Kon. Rotterdamse Lloyd). Italiaans cruise-schip dat op 8 oktober 1985 werd gekaapt door een groep terroristen van de thans legale PLO. Voordat de kapers zich overgaven werd een invalide Amerikaanse passagier (in de film gespeeld door Karl Malden) vermoord en overboord gegooid. Op 30 november 1994 vloog het schip op de Indische Oceaan in brand en verging het voor de kust van Somalië. Van de bijna duizend opvarenden kwamen twee bejaarde passagiers om het leven.

Achterboegie (v). » Stuurboog.

Achterdogt. Zeilbank aan de achterzijde van de roef van een hoogaars of hengst.

Achterduikroerganger (m). Functie van een matroos op een onderzeeër.

Achterebbe. De ebstroom tegen laagwater; verder stroomafwaarts begint al vloed te lopen.

Achterend (v). Achterste deel van een » botter.

Achtergat. Stuurkuip van een hoogaars of hengst.

Achterhuisje. (1) Klein achterdekje waarin een kastje zit. (2) Met vaste of losse planken afgedekt achterste gedeelte van een vaartuig.

Achterin (v). » Logies voor schipper en stuurman.

Achterkajuit. Hut onder het achterdek, achter de kuip. Op veel jachten is dit het gastenverblijf.

Achterkluiver. Binnenkluiver. Zie Kluiver. Zie ook afb. 20 en 52.

Achterlastig. Heklastig. Zegt men van schip dat achter te diep steekt. Zie ook Boeglastig en Koplastig.

Achterlijk. De achterrand van een zeil.

Achterlijker dan dwars. De wind valt in tussen haaks op de romp en de achterkant van het schip.

Achterlijkstrekker. Koord waarmee het zeil wordt getrimd.

Achtermiddag. » Wacht van twaalf tot vier uur 's middags.

Achterpiek. De ruimte tussen achtersteven of » spiegel en het achterste waterdichte » schot.

Achterschip. Deel van het schip achter de grootste breedte, doorgaans achter de mast.

Achterspring. Touw dat vanaf het achterschip naar voren aan de wal is bevestigd. Zie ook Landvasten.

Achterstag. Ook: hekstag. Stag die van de bovenkant van de mast naar de achterkant van de boot loopt. Meestal op grotere boten en schepen. Zie ook Staand want.

Achterste hand (s). De hand die zich het dichtst bij de spiegel van de surfplank bevindt.

Achtersteven. Achterkant van de boot.

Achtertouw (v). Touw vanaf de achtersteven naar de » dwarskuil.

Achtertros. Ook: hektros. Touw dat vanaf het achterschip naar achteren aan de wal is bevestigd. Zie ook Landvasten.

Achtertrosje steken. Zijn gevoeg doen; zich ontlasten.

Achteruit. (1) Op oude » fregatschepen het deel van het schip achter de » bezaansmast, verblijf van kapitein, stuurlieden en passagiers. (2) Verzamelnaam voor officieren en civiele gasten, in tegenstelling tot `vooruit' voor de bemanning en `midden' voor de onderofficieren.

Achteruitbidden (m). Vloeken.

Achterzeil. » Aap.

Achterzeilen (m). Te laat komen. `Hij achterzeilde het schip.' Hij bleef aan de wal achter omdat het schip al was vertrokken.

Achtsteek. Knoop om » uitscheren uit een » blok te voorkomen.

Achttienguldensgast. Grote dekzwabber.

Acte de Francisation (f). » Zeebrief.

Action messing (e) (m). Middagschaften tijdens gevechtswacht. De bemanning moet binnen 20 minuten hebben gegeten en alles moet dan weer opgeruimd zijn.

Action snack (e) (m). Snelle hap tijdens gevechtswacht.

Act of God (e). Overmacht. Zie Averij particulier.

Act of men (e). Zie Averij particulier.

Adelborst (m). Leerling van het Koninklijk Instituut voor de Marine » (KIM).

Ademhalingsautomaat. Ook: automaat. Onderdeel van een persluchtduikapparaat. Het apparaat zorgt ervoor dat de druk van de perslucht in de cilinders wordt teruggebracht en dat de duiker wordt voorzien van lucht waarvan de druk gelijk is aan de heersende druk op de diepte waar de duiker zich bevindt. Zie ook Backpack, Eerste trap, Tweede trap en Duikset.

ADF. Automatic Direction Finder. Automatische radiorichtingzoeker.

Adjudant-kok (m). Hoogst in rang onder de koks aan boord van een marineschip, die steevast `chef' wordt genoemd.

Admiraal. Van het Arabische `emir'. In theorie de hoogste officiersrang bij de Koninklijke Marine. Tevens de aanspreektitel van een luitenant-admiraal, de rang die in de praktijk het hoogst is.

Admiraalsanker (m). Stokanker.

Admiraalsduiven. Zeemeeuwen.

Admiraalszwaai (m). (1) Met een overdreven bocht langszij komen. (2) Figuurlijk: met een grote boog om iets heengaan.

Admiraalzeilen. Manoeuvre van eskaders zeiljachten onder aanvoering van een gekozen `admiraal'. Vroeger een beveiligende konvooieringsmaatregel voor koopvaardijschepen. Wordt door tal van watersportverenigingen in ere gehouden als sportief evenement.

Admiral Nachimov. Russisch passagiersschip dat op 31 augustus 1986 op de Zwarte Zee in aanvaring kwam met het Russische koopvaardijschip Pjotr Vasev. 398 opvarenden kwamen bij deze ramp om.

Admiraliteit. In de Republiek der Nederlanden een college dat het zeewezen beheerde.

Admiralty charts (e) (n). Zeekaarten uitgegeven door het Britse Hydrographic Department of the Admiralty. Zie ook ATT.

Admiralty mile (e) (n). » Zeemijl.

Adventure. Schip van kapitein William Kidd (1645-1701), de bekende Engels-Amerikaanse piraat. Hij was door de Engelsen in dienst genomen om de zeeroverij tegen te gaan, maar al gauw ontdekte hij dat het veel lucratiever was om zich met piraterij bezig te houden dan haar te bestrijden. Op 23 mei 1701 werd kapitein Kidd in Londen opgehangen. Nog altijd zijn er op Gardiners Island, ten oosten van Long Island, mensen op zoek naar zijn schatten.

Adviesjacht. » Aviso.

Aegir. Heerser van de wereldzee, uit de Oudnoorse mythologie.

AEGIS surface-to-air missile system (m). Zie Kruiser (2).

Aeolus. Heerser der winden, beroemd om zijn rechtvaardigheid, uit de Griekse mythologie.

Afbijt (m). Eén van de twee soorten vieux aan boord van marineschepen halverwege deze eeuw. Zie ook Peut. De bijnamen geven een juiste weergave van de onderhavige kwaliteit.

Afblazen (m). Urineren.

Afbranden (m). Een slechte beurt maken. `Ik moet me voorlopig gedeisd houden, want ik ben tot m'n enkels afgebrand.'

Afbreken (w). Een wedstrijd wordt afgebroken wanneer het wedstrijdcomité hem, op welk tijdstip na het startsignaal dan ook, ongeldig verklaart.

Afbrengen. Het schip van de plaats waar het » aan de grond zit naar dieper water brengen, zodat het vlot raakt.

Afdekken (w). Met jouw zeilen de wind van een tegenstander vangen, waardoor deze vaart verliest. Zie ook Close cover en Loose cover.

Afdekkingskegel (w). De zone waarin de wind van een boot wordt afgedekt door de zeilen van een andere boot. Strekt zich ± zesmaal over de mastlengte van die boot uit en het is nagenoeg onmogelijk hier doorheen te breken.

Afdichtingsplug. Bestaat uit twee gelijke delen, met aan de buitenzijde een zaagtandvormig profiel en aan de binnenzijde een karteling, en wordt gebruikt voor het brandvast doorvoeren van leidingen door dekken.

Afdichtingsstrip (s). Rubber strip die de zwaardkast van de surfplank aan de onderkant afsluit wanneer het zwaard in de plank wordt weggeklapt.

Afdraaien (m). Van koers veranderen.

Afdrift (s). Drift. Het zijdelings wegdrijven, veroorzaakt door wind of stroom.

Afdrijving. Verleieren. Zijdelingse verplaatsing van een vaartuig door de wind.

Afdrogen. Iemand een pak slaag geven. Nadat iemand voor straf van de » ra in het koude water was gegooid werd hij `afgedroogd' met honderd slagen.

Afduwen. Een schip aan de kade uitzwaaien. `Veel afduwers deze reis, hè?'

Afduwers. Familieleden die de bemanning van het schip uitzwaaien, het schip van de wal afduwen.

Afflauwen. » Krimpen van de wind.

Afgelasten (w). Een wedstrijd waarvan het wedstrijdcomité bepaalt dat deze niet meer zal worden gezeild.

Afhouden. (1) Met handen en voeten voorkomen dat de boot een andere boot of de kade raakt. (2) » Afvallen.

Afhouwertje (v). Leerling-matroos op een vissersboot.

Aflandig. Zegt men van een wind die naar de zee of het water gericht is.

Afloop (v). Deel van de kust dat met laagwater droogvalt.

Aflossing van de wacht. De » chef van de wacht mag de » wacht niet overgeven aan zijn aflosser wanneer hij reden heeft om aan te nemen dat deze op enigerlei wijze onbekwaam is om zijn taak te vervullen. Ook niet wanneer die aflosser de kapitein zelf is. De opkomende chef van de wacht mag de wacht niet overnemen voordat zijn ogen zich aan het donker hebben aangepast en hij zich persoonlijk op de hoogte heeft gesteld van de orders en bijzondere instructies van de kapitein met betrekking tot de navigatie; de positie, de koers, de vaart en de diepgang van het schip; de stromen, het weer, het zicht en de invloed daarvan op de koers en de vaart; de staat van alle hulpmiddelen voor de navigatie; de fouten van gyro- en magnetische kompassen; de aanwezigheid van schepen in de omgeving enzovoort. Mocht er tijdens het aflossen van de wacht een manoeuvre plaatsvinden ter vermijding van gevaar, dan moet de aflossing worden uitgesteld totdat de handeling is voltooid.

Afmeren. Het degelijk bevestigen van de boot aan een steiger, kade of meerboei. `Meren' is niet juist.

Afmonsteren. Het dienstverband op een bepaald schip beëindigen. Bij de afmonstering aan het einde van de reis wordt de » gage uitbetaald.

Afnokken. Ophouden met werken. De nok van de laadboom in de » mik laten zakken.

Afrijden. Een storm wordt afgereden als men voor anker gaat en de ketting laat vieren. Zie ook Rijden.

Afrotten (m). Weigering van een verzoek. `Je kunt afrotten!' `Rot gauw af, joh!'

Afpoeieren (m). Het beschieten van een vijandelijk vaartuig.

Afslaan (van een zeil). Afnemen van het zeil van het » rondhout of » stag, waaraan het was aangeslagen.

Afslag. (1) De ondermijning van kust-, duin- en oevergedeelten door werking van het water (branding, stormvloed, scheepvaart). (2) Zie Visafslag.

Afslechten. Bedaren van de zee.
 
 


Afsluiting van de Zuiderzee

Afsluiting van de Zuiderzee. De daadwerkelijke afsluiting vond plaats op zaterdag 28 mei 1932, in bijzijn van prinses Juliana, op de Zeemeeuw, nabij De Vlieter. Luister mee naar de radiocommentator, in Polygoonstijl: `De Waddenzee staat hoog. Door het smalle gat stort zich een alles meeslepende waterval. Stug en staag doen de drijvende kranen hun werk. De grijpers werpen de taaie keileem bak na bak in de bruisende stroom. Water en modder spatten op. Nog tien, nog zes, nog vier meter. Als de laatste leemblok het gat afsluit en de dijk sluit kijkt iedereen op zijn horloge: 13.02, de Zuiderzee is IJsselmeer geworden. De dijk, 200 miljoen gekost, 90 meter breed en 7 meter boven het water oprijzende, is dicht.'

Afsnij. Nadat het schip afgesneden is, wordt het overgeschoten proviand onder de bemanning verdeeld. Dat noemt men een `afsnijdje'. Zie ook Afsnijden.

Afsnijden (v). Beëindigen van de teelt door het wegtrekken van de vis.

Afsnijder (v). Het einde van een teelt door het wegtrekken van de vis.

Afstoppen. Vaart verminderen door een lijn aan de wal te brengen.

Aft (e). Achter, vanachter.

Aftaaien. Vertrekken. Tegengestelde van tie up (e) (vastmaken). Zie ook Afnokken.

Aftrap (m). Einde oefening; einde activiteit.

Aftrimmen (m). Het uitbalanceren van een onderzeeër door middel van de trimpomp.

Aftuigen. (1) De »tuigage van de boot afnemen. Ook wel gebruikt voor » afslaan, dus alleen de zeilen afnemen. (2) Zich van zijn bovenkleding ontdoen. (3) Iemand een pak slaag geven.

Afvallen. Lager of ruimer aan de wind gaan zeilen, de boot met de boeg van de windrichting af laten draaien.

Afwijking van het reglement. Volgens het » BPR moeten we van de regels afwijken als dat nodig is om het gevaar te keren.

Afzijde (k). De kant waar je in de normale positie niet peddelt. Zie ook Aanzijde.

Agger. Dubbel laagwater. Geringe rijzing van het water gedurende eb. Komt onder andere bij Hoek van Holland voor.

Agulhasstroom. Onderdeel van het stromenstelsel in het zuidelijke deel van de Indische Oceaan, voortzetting van de westwaarts gerichte » Zuidequatoriale stroom.

Ahoy (e). Gebruikt men bij het aanroepen van een vreemd schip, in plaats van I say, old chump.

Airbrush (s). Methode om surfplanken decoratief te beschilderen met een verfspuit.

Aize (v). Volendams voor » azen.

Akelig (m). Woord dat soms voor verwarring zorgt. `Niet zo akelig dronken' betekent heel erg dronken.

Akertje (m). Drinkglas aan een kettinkje; wordt gebruikt om water uit de zoetwatertank van een sloep te putten.

Akoestische mijnen (m). Zeemijnen die ontploffen als ze andere geluiden dan die van de zee en de wind waarnemen.

Akte van Navigatie. Scheepvaartwet die tijdens het bewind van Richard II (1377-1399) werd uitgevaardigd ter bescherming van de Engelse zeehandel. De wet was voornamelijk gericht tegen de concurrentie van de Hollandse scheepvaart. In 1668, na een tweejarige oorlog, werd de wet afgezwakt.

Alarmrol. Op koopvaardij- en passagiersschepen de lijst met de algemene en individuele verplichtingen van de bemanning in geval van brand of ander gevaar. Deze taken moeten regelmatig worden geoefend.

Alaskastroom. Noordwaartse voortzetting van de in de Grote Oceaan in oostelijke richting lopende » Aleoetenstroom.

Albacore. Witte tonijn (Thunnus alalunga).

Albion. Letterlijk: witland. Naam die men in de oudheid aan Engeland gaf, vanwege de krijtrotsen.

Alcoholgebruik. Krachtens de Scheepvaartverkeerswet is onder invloed varen verboden, en dat is maar goed ook. Zelf drink ik geen alcohol totdat de boot vastligt en er die dag niet meer mee wordt gevaren. Dat eis ik, wanneer ik voor de afwisseling eens niet alleen vaar, ook van mijn bemanning. Voor de rest geldt: 's avonds een hele vent, dan de volgende ochtend ook een hele vent, dus niet zeuren over een kater. Zie ook Wet van Murphy en Wet van Van der Wijk.

Alcyone. IJsvogel. Vogel uit de mythologie, die zijn nest op de golven maakte. Als hij broedde heerste er windstilte.

Alderwest (v). De westelijke » eindboei.

Aldislamp. Dagseinlamp, waarbij het licht tot een smalle bundel wordt geconcentreerd door middel van een reflector.

Aleoetenstroom. Stroom die zich bij de kust van Noord-Amerika in tweeën splitst, waarbij het noordelijke deel de naam » Alaskastroom krijgt.

Alert. Zie Pilgrim.

Alfred (m). Scheepsvlakratje dat meestal op een rood fietsje rondrijdt. Hij krijgt de schuld van alles wanneer de overige bemanningsleden van niets zeggen te weten. `Dat is weer een typisch Alfredje.'

Alg. Wier. Verzamelnaam voor een aantal in het water levende groepen organismen, waarvan de Bruinwieren, Goudwieren, Groenwieren, Pyrrophyta en Roodwieren tot de planten worden gerekend, en de Euglenophyta en Blauwwieren tot respectievelijk de Protisten en de Moneren. Zie ook Aangroeiing.

Algemeen oproepkanaal marifoon. Nu (1996) nog kanaal 16. Dit wordt kanaal 13. Voor dit kanaal geldt echter geen uitluisterplicht en dat zal ook in de toekomst niet veranderen.

Algemeen plan. Langsdoorsnede van het schip, waarop de indeling, de uitrusting en de belangrijkste maten vermeld staan. Zie ook Capaciteitsplan, Meetbrief, Pijpenplan, Stabiliteitsgegevens, Tuigplan en Zeebrief.

Alidade (n). De draaibare wijzer van de » sextant en de » octant. Zie ook afb. 41.

Alkmaarklasse (m). Type » mijnenjager.

Alle hens. De gehele bemanning. `Alle hens aan dek!'

Allemanseind. » Eind gevlochten of op andere wijze samengesteld touw, aan de klepel van een scheepsbel.

Alles in orde. Signaal van duiker aan zijn » buddy, door middel van één ruk aan de lijn of een duidelijke cirkel beschreven met een duiklamp.

Alles los voor en achter (m). Klaar om te vertrekken; de trossen voor en achter zijn los van de wal.

Alles op (m). Iedereen staat gereed.

All ranks (e) (m). Feest voor de hele bemanning.

Allroundplank (s). Vlakbodem die geschikt is voor zwaarweerzeilen, zowel voor beginners als gevorderden.

Allroundzeil (s). Categorie kleiner dan het » wedstrijdzeil. Het » achterlijk is recht of een beetje bol.

Alluvierecht. Recht van oeverbewoners om zich het aangeslibte land toe te eigenen.

Alluvium. Aanslibbing.

Almanak. Boek of tabel met een kalender van dagen, weken en maanden, aangevuld met diverse gegevens over bijvoorbeeld eb en vloed en de stand van zon en maan.

Alt. (n). Alternating. Aanduiding op de zeekaart die betekent dat het hier om een van kleur veranderend licht gaat.

Alternatieve scheepsnamen. Noem uw (volgende) boot nu eens niet `Orca', `Hoop op wind' of `Wiltina' (van `Willem' en `Jantina'). Wees creatief en kies een naam die echt bij u of uw boot past, bijvoorbeeld Alsoran (eeuwige verliezer), Bucko (bullebak), Bursarship (studiebeurs), Callipygous (met welgevormde billen), Cap Size 67 (hoedenmaat 67), Carpet Knight (zoetwatermatroos), Della Banca (van de bank), of Ramshackle (krakkemik).

Alternator. Wisselstroomdynamo.

Aluminium. Zeer lichte metaalsoort, zilverachtig van kleur. De eerste aluminium boten werden in 1894 gebouwd voor de poolexpeditie van de Amerikaanse journalist en ontdekkingsreiziger Walter Wellman. Sommige oceaanzeilers zweren bij dit materiaal wanneer het om de romp van hun schip gaat. Zie Atlantic 36, Belle-fast 27, Hutting 40, Lemstra 36, Maxime 50, One Off BOC 50 voet, Outborn 44 L, Trintella en Wever 40.

Alvin. Zie Woods Hole Oceanographic Institution.

Ama. Japanse parelduikster.

Ambatche. Bootvormig vlot van bij elkaar gesjorde ambatche-takken, afkomstig van de Witte Nijl.

Amel 46. Tweemast polyester zeiljacht met acht slaapplaatsen. L.O.A. 14 m., breedte 4 m., diepgang 2,25 m.

Ameraal (m). Grote slagputs van zeildoek.

Amerglass 32. Type motorkruiser. L.O.A. 9,60 m.

America. Klassiek zeiljacht in een nieuw jasje (» GRP-romp). Het jacht heeft slaapaccommodatie voor zes personen. L.O.A. 11,28 m., zeiloppervlak 65 m².

America's Cup. Ook: Auld Mug of `bodemloze pul' (de bokaal heeft geen bodem). Zeilwedstrijd (» matchrace) om de gelijknamige beker, die in 1851 als de Queen's Cup van het Royal Yacht Squadron, tijdens een internationale tentoonstelling te Londen, voor het eerst werd uitgereikt aan de America, een schoener van 170 ton. De race stond open voor alle klassen zeilboten uit de hele wereld en het traject was 60 mijl lang, om het eiland Wight. In 1989 werden richtlijnen voor de » IACC vastgesteld. Het jacht dat als eerste vijfmaal wint is winnaar. Dat is tot nu (1996) toe altijd een Amerikaans jacht geweest, behalve in 1983, toen een Australische deelnemer de zeilbeker won. Zie ook Synergy Racing Syndicate.

Amfibievoertuig. Voertuig voorzien van wielen, rupsbanden en/of een of meer scheepsschroeven, dat zowel op land als in het water kan opereren.

Amfidromisch getij. Hierbij draait het hoogwater op het noordelijk halfrond tegen de wijzers van de klok in om een nulpunt, het amfidromische punt. Het wordt veroorzaakt door de invloed van de draaiing van de aarde op een staande golf.

Amidships (e). » Midscheeps.

Amsterdam. Zie Oostindiëvaarders.

Amsterdammer. (1) Soort beurtschip. (2) Hijs die uit de strop schiet.

Amsterdams Peil (AP). Sinds ongeveer 1680 vergelijkingsvlak ten opzichte waarvan hoogten werden aangegeven. In 1885 vervangen door het Normaal Amsterdams Peil (NAP).

AMVER. Automated Mutual Assistance Vessel Rescue. Reddingsorganisatie die de oceanen als werkgebied heeft en in New York zetelt. Wordt geleid door de Amerikaanse kustwacht. Bij deze organisatie weet men precies of er een schip met een arts aan boord in de buurt is.

AN. Hoofdafdeling Waterhuishouding en Vaarwegen van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Zie ook ANP.

Andrea Dorea. Dit passagiersschip van de Italia Line werd op 26 juli 1956, op ongeveer 45 mijl van Nantucket, opengereten bij een aanvaring met de Stockholm van de Sweden-America Line. Elf uur daarna zonk de Andrea Doria, en op 51 personen na werden de 1706 opvarenden gered.

Anemograaf. Instrument dat de windkracht en -richting grafisch op een kaart tekent.

Anemometer. Windsnelheidsmeter. Werkt op basis van rotatie of aërodynamisch. Bij een rotatie-anemometer zit bovenin de mast een molentje met drie of vier halve bollen (anemometercups), dat door de wind langzaam of sneller ronddraait, waardoor beneden aan dek of in de » cockpit de snelheid af te lezen is.

Anglo-Saxon. Deze Britse stoomboot verging op 27 april 1863 bij Cape Race. 238 opvarenden vonden daarbij de dood.

Anker. Zware ijzeren houvast met zijarmen om een schip aan niet te diepe bodem vast te leggen. Bij het over de bodem slepen grijpt het anker zich vast en houdt zo het schip op zijn plaats. De punten aan de armen worden `spitsen', `handen' of `vloeien' genoemd, terwijl de centrale stang de `schacht' heet. De plek waar schacht en armen samenkomen noemen we `kruis'. De (eventuele) dwarsstang van het anker noemen we stok. De ankersluiting waarmee het anker aan de ankerketting is bevestig wordt `ankerring' of `roering' genoemd. Soms is er op het kruis van het anker ook een ring bevestigd, die we `neuring' noemen. Zie afb. 35.

Ankerage. Havengeld.

Ankerbal. » Ankerbol.

Ankerboei. Kleine boei, met een » boeireep aan het » anker bevestigd, om het anker te kunnen terugvinden wanneer de ankertros of -ketting breekt. Zie ook afb. 6 en » Neuringlijn.

Ankerbol, ankerlicht. Meestal wettelijk verplicht bij het » voor anker gaan (behalve ruim buiten de vaarroutes in de binnenwateren). Als dagmerk een goed zichtbare zwarte ankerbol op het voorschip, bij duisternis een wit rondschijnend ankerlicht. Zie ook Ankerwacht.

Ankeren. » Voor anker gaan.

Ankeren in span. Ook: gespreid ankeren. Twee ankers uitzetten naar voren, onder een hoek van ongeveer 45°. Hiermee voorkom je het gieren van het schip bij harde wind. Zie ook Vertuid ankeren.

Ankeren voor de voet. Een schip dat met harde wind achter één anker ligt, gaat meestal gieren. Om dit tegen te gaan laat men halverwege (of bij slecht weer aan het einde van) de gier een tweede anker vallen, dat enkele meters meer dan de diepte steekt.

Ankeren voor lange bot. Het op elkaar steken van twee ankerkettingen. Vindt plaats bij zware storm, wanneer er een goed verende verbinding tussen schip en anker dient te zijn. Risicovol, want wanneer deze ketting breekt is men alles kwijt.

Ankerketting. Zware ketting met langwerpige schalmen, vaak met gegoten ijzeren dwarsstukjes (mannetjes). De zwakste schakel bepaalt de sterkte van de hele ketting!

Ankerkluis. Ook: boegkluis. Doorvoer in de huid waar de ketting/schacht in opgesloten wordt.

Ankerkuil (v). Zeer groot » raamnet, dat uit een lange zak van netwerk bestaat en aan de voorzijde wordt opengehouden door een rechthoekig raam, dat wel 10 bij 5 meter groot kan zijn. Deze opening wordt tegen de stroomrichting in gekeerd en vanuit het vaartuig door lijnen staande gehouden. Het vistuig zelf wordt aan een anker bevestigd. Is in de binnenwateren verboden.

Ankerlicht. Rondschijnend gewoon licht, zichtbaar op 1 kilometer afstand, bij donkere nacht en heldere dampkring. Zie Ankerwacht.


Ankerlier

Ankerlier. Ook: ankerspil. Takelmechanisme om het » anker te lichten. We onderscheiden horizontale en verticale ankerlieren.

Ankerop gaan. Het » anker lichten en wegvaren.

Ankerplaats. Een speciaal aangewezen gedeelte van een buitenhaven of » rede om te ankeren.

Ankerrust. Uittimmering tegen de boeg van het schip, waarop de hand van het anker bij het » kippen rust.

Ankerspil. » Ankerlier.

Ankertouw. (1) Touw waaraan het anker is bevestigd. (2) Lijn vanaf het uiteinde van een » reep staande haring- of ansjovisnetten naar een anker.

Ankervoering. IJzeren bekleding van een » ankerrust.

Ankerwacht. Wordt door de kapitein ingesteld bij onveilige situaties, bijvoorbeeld sterke stroom of mist. De » chef van de wacht moet zo spoedig mogelijk de positie van het schip bepalen en op de kaart aangeven, en met korte tussenpozen controleren of het schip veilig ten anker blijft liggen. Tevens dient hij zich ervan te vergewissen dat goede uitkijk wordt gehouden, dat er regelmatig ronden over het schip worden gelopen, dat de hoofd- en hulpwerktuigen gereed voor gebruik zijn, dat de juiste geluidsseinen worden gegeven en dat de juiste lichten en dagmerken worden gevoerd.

Ann McKim. De eerste echte » clipper ter wereld, ontworpen voor de theevaart op China. In 1832 te Baltimore in de vaart gebracht door de koopman Isaac McKim. De dwarsgetuigde driemaster was 493 ton en had een lengte van 49,76 meter.

Anoden. Kleine zinken plaatjes, aangebracht op de romp, de schroefas en het roer, die het » elektrolyse-effect naar zich toetrekken. Regelmatig onderhouden en niet schilderen.

Anodiseren. Elektrolytisch oxyderen, met name van aluminium masten. Dit kan in allerlei kleuren gebeuren. Voor mensen die van plan zijn te gaan varen in streken waar het kan vriezen, adviseer ik zwart. IJs hecht zich namelijk zeer slecht aan een zwart geanodiseerde mast, omdat zwart de meeste warmte vasthoudt.

Anomalistisch getijden. Getijdencyclus die afhangt van de wisselende afstand van de maan tot de aarde. Deze cyclus heeft een periode van 27½ dag en komt onder meer voor in de Fundy Baai, aan de Oostkust van Canada. Zie ook Declinatische getijden en Synodische getijden.

ANP. Afdeling Planstudie, Natte Infrastructuur en Scheepvaart van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Zie ook AN.

Ansjovisjol. Klein type » Staverse jol.

Antarctic. Schip waarmee Nils Nordenskjöld, een neef van de ontdekkingsreiziger Adolf Erik Nordenskjöld, in oktober 1901 aankwam op Snow Island, voor de kust van Graham Coast (Antarctica), van waaruit hij de omgeving verkende en waar hij van 1902-1903 overwinterde omdat zijn schip door het pakijs was verbrijzeld. Zie ook Vega.
 
 


Antarctica: voor zeezeilers een nieuw werelddeel om te ontdekken

Antarctische Zee. » Zuidelijke IJszee.

Antenne. De antenne van de marifoon moet verticaal zijn gemonteerd, opdat de straling in het horizontale vlak maximaal is. Op de binnenwateren is voor Rijn- en binnenvaartschepen en jachten een maximale hoogte van 12 meter toegestaan, gerekend vanaf de waterspiegel.

Antennekabel. Voor de verbinding tussen marifoon en marifoonantenne dient coaxkabel te worden gebruikt, met een impedantie van 50 ohm. De reflectie mag niet meer dan 10% bedragen.

Anticycloon. Hogedrukgebied met helder weer.

Anti-fouling (e). » Aangroeiwerende verf.

Antillenstroom. Noordelijke tak van de » Noordequatoriaalstroom die ten oosten van de Antillen langs trekt en zich met de » Floridastroom verenigt tot de » Golfstroom.

Anti-sifoneerklep. Klep die door het inlaten van lucht het door sifonwerking binnendringen van water voorkomt.

Antislingertanks. Tanks die aan bakboord en stuurboord in de scheepsromp zijn aangebracht en door een buizenstelsel met elkaar zijn verbonden. Omdat de tanks gedeeltelijk gevuld zijn ontstaat het effect dat de van buiten op het schip werkende krachten die de slingering veroorzaken worden tegengewerkt.

Antislingervinnen. Ook: stabilisatoren of stabilisers. Al dan niet beweegbare vinnen onder de waterlijn aan weerszijden van de romp.

Antislipprofiel (s). Is meestal in het dek van de surfplank ingebakken. De werking kan worden vergroot door toepassing van antislipverf.

a.p. (n). » Aardse projectie.

AP (w). Answering Pennant. Codevlag (onderscheidingswimpel), vergezeld van twee geluidssignalen. Betekent dat een wedstrijd is uitgesteld.

Apenet (m). Net dat langszij hangt om drenkelingen aan boord te helpen en mariniers van en aan boord te laten gaan.

Apentafel (m). Het bordes van het standaardkompas.

Apevuistje. Ook: monkeyfist. Knoop als verzwaring van het opgooi-eind van een » werplijn.

Apex (n). Het punt in het heelal waarheen een ster of sterrenbeeld zich beweegt. De apex van de aarde is de richting waarin de aarde zich in haar baan om de zon beweegt.

Aphrodite 29. Polyester zeiljacht met slaapaccommodatie voor vijf personen. L.O.A. 8,90 m., zeiloppervlak 40 m².

Aphrodite 33. Polyester zeiljacht met slaapaccommodatie voor zeven personen. L.O.A. 10,28 m., zeiloppervlak 58 m².

Aphrodite 36. Polyester zeiljacht met veel comfort. L.O.A. 10,97 m., zeiloppervlak 74 m².

Aphrodite 40. Luxe polyester zeiljacht met vaste slaapaccommodatie voor zes personen. L.O.A. 12,10 m., zeiloppervlak 77 m².

Aphrodite 42. Luxe polyester zeiljacht met bezaansmast en vaste slaapaccommodatie voor zes personen. L.O.A. 12,70 m., zeiloppervlak 77 m².

APK. » Aspaardekrachten.

Aplustre. Latijnse benaming van de achterstevenversiering van een Romeinse » galei.

Apogeum. De positie waarin de maan het verst van de aarde staat. Zie ook Getij en Perigeum.

Apostels. (1) De twee opstaande houten tegen de zijkant van de voorsteven. (2) De opstaande houten (stutten) die een schip op de helling steunen.

Apostis. Lange balk waarop de riemen van een » galei rusten.

Approvianderen. Van proviand voorzien.

Aquadrome (e). Watersportcentrum.

Aquanaut. Diepzeeonderzoeker.

Aquanaut Beauty 1050. Stalen knikspant motorboot met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,55 m., breedte 3,50 m., diepgang 0,85 m.

Aquanaut Drifter 1150. Stalen knikspant motorboot met vijf vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,»5 m., breedte 3,90 m., diepgang 1,10 m.

Aquaplane(e). Waterskiplank.

Aqua-Star Nelson. Polyester rondspant motorboot met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13,80 m., breedte 4,10 m., diepgang 1,10 m.

Arabische Zee. Het noordwestelijk deel van de Indische Oceaan, tussen India en het Arabisch Schiereiland, dat via de Golf van Oman en de Straat van Hormoez is verbonden met de Perzische Golf, en via de Golf van Aden en de Bab el Mandeb met de Rode Zee.

Aralzee. Ooit een van de grootste zeeën van de wereld, nu een dorre woestijn, de grootste milieuramp uit de wereldgeschiedenis. De vissersvloot ligt ruim tachtig kilometer van de thuishaven, in het zand. Waar zij eens de golven trotseerden lopen nu kamelen, in een onmetelijke zoutwoestijn. Weldra zal het laatste beetje water zijn opgedroogd.

Aramidelijnen. Ook: kevlar of twaron. Zeer sterke lijnen die nauwelijks rekken. Zijn slecht bestand tegen buigen en ultraviolette straling. Aramide is ongeveer zes keer zo sterk als staal.

ARC. Atlantic Rally for Cruisers.

Archimedes, Wet van - . Tamelijk bepalend bij de scheepsbouw. Luidt aldus: `Een geheel of gedeeltelijk in een vloeistof gedompeld lichaam ondervindt van de vloeistof een opwaartse kracht die gelijk is aan het gewicht van de door het lichaam verplaatste hoeveelheid vloeistof.' Als het misgaat krijg je te maken met een andere wet, namelijk die van de zwaartekracht.

Archipel. Groep eilanden of een gebied met veel eilanden, meestal vulkanisch.

Arctic. Stoomboot van de Collins Line. Zonk op 27 september 1854 na een aanvaring met de Franse stoomboot Vesta, nabij Cape Race. Daarbij kwamen 285-351 personen om.

Arctische Zee. » Noordelijke IJszee.

Arctische zeerook. Zie Mist.

Areit (allright) (e). Minder pretentieus equivalent van » aye aye.

Areometer (v). Instrument waarmee onder andere het zoutgehalte van het water of het zuurgehalte van de accu's gemeten kan worden.

Argonaut. (1) Elk der Griekse zeehelden die met Jason het Gulden Vlies gingen veroveren. (2) Een avonturier; een durfal. (3) De eerste onderzeeër die met succes in open wateren voer; in 1897 ontworpen door de Amerikaanse architect Simon Lake.

Ark. (1) Drijvende woning. (2) Houten keg die het vooreinde van een houten nagel wordt ingedreven om deze goed te doen pakken.

Armada (sp) (m). Gewapende vloot. De eerste Spaanse Armada was de oorlogsvloot van 130 schepen die in 1588 door Filips II werd uitgerust om de landing van Parma in Engeland te ondersteunen. Dat liep uit op een fiasco. De tweede Spaanse Armada werd in 1639 bij » Duins verslagen door Maarten Tromp.

Arme jongen (m). Gerecht van scheepsbeschuit gemengd met vlees en vetresten, vaak geserveerd aan het eind van de reis, wanneer de voorraden geslonken waren.

Armen- en benenbootje. Schip met mijnstutten of boomstammen.

Armen vol speculaas (m). Onderscheidingstekens van marineman op zijn rechter bovenarm.

Arnemuidense hoogaars. » Hoogaars die geen spriettuig maar een bezaantuig voert en in het algemeen een stoerder uiterlijk heeft dan andere hoogaarsen.

Aro (m). Aspirant reserve-officier bij de Koninklijke Marine.

Arsenaal (m). Marine-etablissement waar oorlogsschepen gebouwd, gerepareerd en bevoorraad worden.

Artekno Artina 33. Ruim zeiljacht van polyester, met drie afzonderlijke tweepersoons kooien. L.O.A. 9,98 m., zeiloppervlak 60 m².

Artekno H-boot. Polyester wedstrijdzeilboot. L.O.A. 8,28 m., zeiloppervlak 24,50 m².

Artekno Siesta. Comfortabel polyester zeiljacht dat gemakkelijk door één persoon kan worden gezeild. L.O.A. 9,70 m., zeiloppervlak 53,40 m².

Artemon. Klein voorzeil van een » galei, dat diende om het sturen te vergemakkelijken.

ASA. Soort » ABS.

Asbroek. Ook: hoos. Koker die de schroefas omsluit waar deze uit het schip komt.

A-serie. De 12 schepen van de Amsterdamse rederij Spliethoff waarvan de naam begint met een A: Aalsmeergracht, Achtergracht, Admiralengracht, Alblasgracht, Alexandergracht, Amstelgracht, Anjeliersgracht, Ankergracht, Apollogracht, Archangelgracht, Artisgracht en Atlasgracht. Zie ook B-serie, E-serie, H-serie, K-serie, L-serie en P-serie.

Asherat. Fenicische godin van de zee.

ASM. Amsterdamsche Stoomboot Maatschappij. Rederij die in 1825 werd opgericht te Amsterdam.

Aspaardekrachten (APK). Het vermogen dat door de motor aan de schroef wordt afgegeven.

Assaut (m). Jaarlijks feest van de adelborsten van het » KIM.

Asshole (e) (w). Kink of knoop in een schoot of lijn, die verhindert dat het touw vrij door een oog of blok loopt.

Assuradeur. Verzekeraar.

Astern (e). Achter.

Astra 11.60 OK. Stalen knikspant motorboot met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,60 m., breedte 3,75 m., diepgang 1 m.

Astronavigatie (n). Verzamelnaam voor technieken in de scheepvaart om positie en richting van een schip te bepalen aan de hand van waarnemingen van de sterrenhemel. Tegenwoordig wordt steeds meer gebruik gemaakt van » satellietnavigatie. Zie ook Breedte (3).

Astronomische plaatsbepaling. » Astronavigatie.

Atacamatrog. Diepzeetrog in het oostelijk deel van de Grote Oceaan voor de kust van Peru en Chili.

ATIS. Automatic Transmittor Identification System. Ingebouwd printplaatje in de » marifoon, dat elke keer wanneer de zendknop wordt losgelaten automatisch een digitale identificatiecode met de » roepnaam van het schip uitzendt, zodat walstations bijvoorbeeld de positie van het schip kunnen peilen. Vanaf 29 augustus 1992 moeten alle nieuwe marifoons die ter toelating aan de » HDTP worden aangeboden van deze identificatiechip zijn voorzien. Bestaande types moeten vanaf 29 augustus 1996 met de chip zijn uitgerust. Overigens maakt het ook na die datum voor » Scheveningen Radio niets uit of een marifoon al dan niet is voorzien van ATIS. Mocht u overwegen een ATIS-printplaatje te laten inbouwen, overweegt u dan ook de aanschaf van een marifoon met » DSC. Mogelijk bespaart u daarmee een hoop geld en ellende.

ATIS-killer. Apparaatje dat de korte pieptoon die gepaard gaat met het ATIS-signaal onderdrukt.

ATIS-nummer. Tiencijferige identificatiecode van een jacht. Bij Nederlandse schepen begint het ATIS-nummer met 9. Daarna volgt 244, 245 of 246. De volgende combinatie van cijfers is afhankelijk van de letters van de » roepnaam van het jacht. PA = 01, PI = 09. Alles wat daartussen zit kunt u zelf uitdokteren. De overige cijfers komen overeen met de cijfers van de roepnaam. Alleen roepnamen die bestaan uit twee letters en vier cijfers kunnen in een ATIS-nummer worden omgezet. Schepen met andere roepnamen zijn zeeschepen, en die zijn niet ATIS-plichtig.

Atlantic. Britse stoomboot van de maatschappij White Star die op 1 april 1873 verging voor de kust van Nova Scotia. 585 opvarenden kwamen om.

Atlantic 36. Aluminium rondspant zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11 m., breedte 3,63 m., zeiloppervlak 78 m².

Atlantic 444. Polyester knikspant (diep-V) motorboot met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13,94 m., breedte 4,48 m., diepgang 1,22 m.

Atlantikwall (d). Deze kustverdedigingslinie is in van 1942 tot 1944 aangelegd door de Duitsers, ter bescherming van het westelijk zeefront. De Atlantikwall liep van de Spaanse grens tot Noorwegen, en omvatte in Nederland onder andere verdedigingswerken te Den Helder, IJmuiden, Hoek van Holland en Vlissingen.

Atlantis. Legendarisch eilandenrijk in de Atlantische Oceaan, dat volgens Plato wegens wangedrag van de bewoners door de zee is verzwolgen.

Atlantische Oceaan. De op één na grootste oceaan ter wereld. Wordt in het westen begrensd door Amerika, in het oosten door Afrika en Europa, in het noorden door de Noordelijke IJszee en in het zuiden door het Antarctisch continent. Zie ook afb. 1.


Afb. 1. De belangrijkste winden en zeestromen op de Atlantische Oceaan,
die o.a. Columbus naar Amerika brachten en weer terug naar Europa.










Atol. Ringvormig koraalrif.

ATT (n). Admiralty Tide Tables. Getijdetabellen uitgegeven door het Britse Hydrographic Department of the Admiralty. Zie ook Admiralty Charts.

Auld mug (e) (w). » America's Cup.

Aulis. Oudgrieks havenstadje tegenover Chalkis, aan het Atalantikanaal in Beotië, waar de Griekse oorlogsvloot zich verzamelde om uit te zeilen tegen Troje.

Aurora. Gebouwd in 1903. L.O.A. 127 meter, breedte 16,80 m., diepgang 6,40 m. Op deze pantserkruiser werd met een salvo losse flodders het signaal gegeven dat het begin van de Russische Oktoberrevolutie aangaf. Ligt nog altijd in Sint Petersburg, op de rivier de Neva, aan de Petrovskaja naberezjnaja, in de buurt van de Vrijheidsbrug. Zie ook afb. 2.


Afb. 2. Pantserkruiser Aurora.
Te bezichtigen in St. Petersburg, aan de Petrogradskaja nab,
bij het Peter de Grote-huisje.









Aurora australis. » Poollicht.

Aurora borealis. » Poollicht.

Austria. Duitse stoomboot die op 23 september 1858 op de Atlantische Oceaan door brand werd verwoest. 471 opvarenden kwamen daarbij om.

Auto-carrier. Hoog op het water liggend schip met groot aantal dekken, die onderling weinig tussenruimte hebben. Het schip kan zo'n zesduizend auto's vervoeren. Zie ook Roll on/roll off-schip.

Automaat. » Ademhalingsautomaat.

Automatische piloot. Automatische stuurinrichting. Instrument dat een schip die koers doet laten varen waarop men hem heeft ingesteld. Het overgaan van automatisch sturen op sturen met de hand en omgekeerd dient onder toezicht van de » chef van de wacht te gebeuren. In situaties van gevaar dient te worden overgeschakeld op besturing met de hand en moet de chef van de wacht een roerganger op de brug laten komen.

Auxiliary (e). Zeilboot met (hulp)motor.

Aveling. Strook land langs een dijk die voor de stevigheid van die dijk onaangeroerd moet blijven.

Averij. Schade aan schip, tuig of lading, opgelopen tijdens de reis.

Averij grosse. Gemene averij. Daarvan is sprake wanneer er opzettelijk en redelijkerwijs een buitengewone opoffering of uitgave wordt gedaan ter gezamenlijke beveiliging, met het doel de zaken voor gevaar te bewaren. In de praktijk betekent dit bijvoorbeeld dat (een deel van) de lading overboord wordt gezet om het schip en de opvarenden te redden.

Averij particulier. Bijzondere averij. De » averij die niet het gevolg is van fouten of ingrepen van de bemanning of derden (act of men), bijvoorbeeld stormschade.

Avilastic. Kunststofweefsel dat geen water doorlaat en wordt gebruikt voor drysuits.

Aviso. Ook: adviesjacht. Snel varend schip dat vroeger werd ingezet om berichten van en naar de oorlogsvloot over te brengen.

AW (n). » Aangenomen waarnemer.

Awning-dek. Ook: tentdek of stormdek. Licht dek boven het eigenlijke hoofddek. Dient alleen als beschutting.

AWSA. American Water Ski Association. Organisatie die in 1939 werd opgericht toen de eerste waterskiwedstrijd ter wereld werd georganiseerd in Jones Beach Park, Long Island. De AWSA heeft ongeveer 31.000 leden, verdeeld over meer dan 550 waterskiclubs. In de Verenigde Staten worden jaarlijks meer dan 650 waterskiwedstrijden georganiseerd.

Axiometer. » Roerverklikker.

Aye aye. Uitroep waarmee men te kennen geeft dat men ergens mee instemt, de opdracht heeft begrepen of de mededeling heeft gehoord. Nederlanders maken er meestal zoiets als `ei, ei' van.

AZAB. AZores And Back. Zeilwedstrijd voor solozeilers.

Azen (v). Vistuigen van aas voorzien.

Azers en spletersboet (v). De schuur waar het hoekwant werd geaasd en gespleet.

Azijnzuurhoutenkettingkabelopsluitpen (m). Het kleinste onderdeel met de langste naam, dat vroeger werd gebruikt om de bout van de harpsluiting van een ankerketting te borgen.

Azimut (Zn) (n). De boog van de horizon begrepen tussen het zuidpunt en het snijpunt van de verticaalcirkel van een hemellichaam met de horizon, oftewel de ware peiling van de » aardse projectie van een hemellichaam.

Azimuttafels (n). Boeken die de tafels en tabellen bevatten die nodig zijn om de coördinaten van een hemellichaam te vinden.

Azov, Zee van - . Visrijke baai (haring, steur) ten noorden van de Zwarte Zee, daarmee verbonden door de Straat van Kertsj. Oppervlak: 38.000 km², gemiddelde diepte: 8 meter. De Zee van Azov slibt langzaam dicht, vanwege sedimentenaanvoer door de Don.
 

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z