| De overeenkomst De Vader klopt aan mijn deur op zoek naar een thuis voor Zijn Zoon. 'De huur is laag,' zeg ik. 'Ik wil niet huren, Ik wil kopen,' zegt God. 'Ik weet niet of ik wel wil verkopen, maar U kunt binnenkomen en rondkijken.' 'Dat wil ik wel,' zegt God. 'Ik kan u wel een paar kamers geven.' 'Ik vind het mooi,' zegt God. 'Doe er maar twee, je kunt zien of je er later nog een paar wilt geven.' 'Ik wacht wel,' zegt God. 'Ik zou U er nog wel een paar willen geven, maar dat ligt een beetje moeilijk, ik heb wat ruimte nodig voor mezelf.' 'Ik weet het,' zegt God. 'Ik neem ze, Ik vind ze mooi.' 'Ik zou U het hele huis wel willen geven, maar ik weet het niet zeker.' 'Denk er maar over na,' zegt God. 'Ik zal je er nooit uitzetten. Je huis zou Mijn huis kunnen worden en Mijn Zoon zou er kunnen wonen. Dan zou je meer ruimte hebben dan ooit tevoren.' 'Ik begrijp er helemaal niets van.' 'Weet ik,' zegt God. 'Ik kan het verder niet uitleggen, dat zul je zelf moeten ontdekken. Dat kan alleen als je Hem het hele huis geeft.' 'Dat is een risico,' zeg ik. 'Ja,' zegt God. 'Test Mij maar.' 'Ik weet het nog niet zeker, ik laat het nog wel weten.' 'Ik wacht wel,' zegt God. 'Wat Ik zie staat me aan.' Bron: onbekend |