Syndroom
van Down 
Down syndroom
is het meest voorkomende en het meest bekende syndroom wanneer het gaat om
kinderen met een verstandelijke handicap. In Nederland worden jaarlijks ongeveer
230 kinderen met Down syndroom geboren.
Toen Langdon Down in 1866 het syndroom, dat naar hem genoemd is, voor het eerst
beschreef, noemde hij ongeveer tien verschillende kenmerken. Sindsdien is er nog
een flink aantal bijgekomen. Zelden zal een baby met Down syndroom al deze
kenmerken hebben.
Bijna altijd kan al bij de geboorte worden gezien dat de baby Down syndroom
heeft. De manier waarop dit aan de ouders wordt verteld is heel belangrijk. In
de eerste uren en dagen na de bevalling zijn ouders altijd emotioneel kwetsbaar.
Daarom komt de schok van een handicap in deze periode extra hard aan. Naast de
manier waarop is natuurlijk ook van belang wat er aan ouders wordt verteld. Het
is natuurlijk niet mogelijk om ouders precies te vertellen hoe hun kind later
worden zal; dat kan bij geen enkel kind. Enig zicht op de ontwikkeling is echter
goed te geven.
|
|
Rick |
Ontwikkeling
Tijdens de eerste levensmaanden zal de baby zich niet veel anders gedragen dan
andere baby's. De baby vraagt dezelfde zorg en aandacht als ieder pasgeboren
kind (tenzij er ernstige gezondheidsproblemen zijn). Sommige baby's met Down
syndroom huilen echter veel minder en moeten bij iedere voeding worden wakker
gemaakt.
Ze kunnen en langer over doen om te leren zuigen en drinken. Het duurt soms
langer voor zij hun hoofdje kunnen optillen of kunnen omrollen. Zij ontwikkelen
zich in een langzamer tempo.
De meeste ouders zullen zich vooral zorgen maken over de verstandelijke
ontwikkeling van hun kind. Wat zal hij kunnen leren, wat zal hij begrijpen, hoe
groeit hij op?
Vroeger werd wel gedacht dat alle kinderen met Down syndroom een ernstige
verstandelijke handicap hebben. Vandaag de dag weten we beter.
We weten nu dat kinderen met Down syndroom veel mogelijkheden hebben en dat
niemand kan voorspellen waar de grens ligt van de mogelijkheden van dit kind.
Dit maakt de opvoeding tot een uitdaging.
Het belangrijkste in het begin is dat ouders leren om van hun baby te genieten.
Hun kind is geen optelsom van kenmerken. Het is een baby met nog onbekende
kwaliteiten, maar et is bovenal een kind dat liefde nodig heeft en liefde geven
zal.
Kenmerken
De meest voorkomende kenmerken van Down syndroom zijn:
Geringe spierspanning
Baby's met Down syndroom hebben vrijwel altijd een geringe spierspanning (hypotonie).
De spieren kunnen zo ontspannen zijn, dat het kind helemaal slap is. Sommige
reflexen die spierspanning vereisen kunnen ontbreken.
Veel baby's met Down syndroom hebben een grotere beweeglijkheid
(hypermobiliteit) in de gewrichten, ten gevolge van slappe gewrichtsbanden.
Een geringe spierspanning heeft gevolgen voor het bewegen, de kracht en de
ontwikkeling van het kind. Daarom is het belangrijk om al vroeg, met behulp van
een kinderfysiotherapeut, te beginnen met oefeningen die de spieren kunnen
versterken.
Het hoofd
Baby's met Down syndroom hebben een kenmerkend uiterlijk. Soms is het hoofdje
van achteren enigszins afgeplat en is de nek wat korter. De zachte plek bovenop
het hoofd (de fontanel) is meestal wat groter dan gemiddeld en de schedelnaden
zijn wijder dan normaal.
Gelaatstrekken
Veel onderdelen van het gezicht van kinderen met Down syndroom zijn doorgaans
wat kleiner dan normaal. Ze hebben vaak een klein neusje en ook de neus- en
bijholten zijn klein. Mede als gevolg daarvan kan de baby meer last hebben van
verkoudheden. Sommige baby's hebben een klein mondje, dat ook van binnen kleiner
kan zijn. Dit maakt dat de tong groter lijkt. Is ook de spierspanning gering en
zit het neusje verstopt als gevolg van een luchtweginfectie, dan houdt het kind
de mond vaak open. Ook de oren kunnen kleiner zijn, of wat lager op het hoofd
staan. De nauwere gehoorgang maakt het moeilijker om de oren te onderzoeken op
vocht en ontstekingen.
Handen en voeten
De handen en voeten zijn vaak wat kleiner, of eigenlijk korter. De pink heeft
soms maar een buigplooi en er is ook wat meer ruimte tussen de grote teen en de
overige tenen. Veel baby's hebben een karakteristiek lijnenpatroon in de
handpalmen en op de voetzolen.
Aandachtspunten
Er zijn een aantal specifiek lichamelijke aandachtspunten bij Down syndroom:
De schedel en het gezicht
De karakteristieke gelaatstrekken zijn voornamelijk toe te schrijven aan de
achterblijvende ontwikkeling van de schedel. De beenderen van het middendeel van
het gezicht blijven onderontwikkeld, wat het gezicht zijn vlakke karakter geeft.
De bovenkaak is klein en daardoor is ook de mond klein. Vaak zijn de
neusbijholten niet of zwak ontwikkeld. De neus en de bijholten kunnen daardoor
snel verstopt raken. Omdat het kind dan door de mond gaat ademen, zal het
geneigd zijn de mond open te houden en de tong naar buiten te steken (waardoor
er weer een verhoogde kans is op kloofjes in de lippen, een droge tong en
infecties). Daarom is het belangrijk de neus en de bijholten zo schoon en zo
open mogelijk te houden en het kind van jongs af aan te stimuleren door de neus
te ademen en de tong binnen te houden.
|
|
Summer |
Gehoor
Doordat de schedel klein is, zijn ook de oorholten en gehoorgangen klein. Dit
betekent dat deze ook makkelijk verstopt kunnen raken, met als gevolg tijdelijke
slechthorendheid. Het gaat dan om een geleidingsslechthorendheid, die te wijten
is aan een middenoorontsteking met vochtafscheiding. Het middenoor is dan met
vocht in plaats van met lucht gevuld.
Een tweede oorzaak voor het verminderde gehoor zijn proppen van oorsmeer die
makkelijk in de (kleine) gehoorgangen ontstaan en deze soms geheel afsluiten. De
kleine gehoorgang maakt het bovendien moeilijk het trommelvlies goed te
onderzoeken. Ongeveer 80 procent van de jonge kinderen met het Down syndroom
heeft in een of beide oren enig gehoorverlies.
In ongeveer een derde van deze gevallen gaat het om een gering gehoorverlies,
waar het kind waarschijnlijk weinig last van heeft. Maar vanwege de risico's is
het belangrijk dat het gehoor regelmatig wordt gecontroleerd vanaf de leeftijd
van ongeveer zes maanden.
Ogen
Bij baby's met het Down syndroom komt scheelzien vaak voor (strabismus). Het
duurt langer dan normaal voor de bewegingen van beide ogen worden gecoördineerd.
Gedeeltelijk is dit te wijten aan de slapte van de oogspieren. Naarmate het kind
ouder wordt en meer ervaring opdoet komt hierin verbetering, vaak totdat er
helemaal geen sprake meer is van scheelzien. De coördinatie van de ogen is te
bespoedigen door met de baby te oefenen (de ogen laten richten op langzaam
bewegende voorwerpen en die voorwerpen volgen). Er is ook een verhoogde kans dat
het kind ver- of bijziend is. Daarom is het nodig regelmatig de ogen te laten
controleren en zo nodig een bril aan te schaffen.
Nogal eens wordt bij baby's met het Down syndroom een lichte vorm van cataract
(een troebeling van de lens) geconstateerd. Een operatieve ingreep is meestal
niet noodzakelijk, maar goede controle wel.
|
Piet |
![]() |
Groei
Bij pasgeboren baby's met Down syndroom zijn de armen en benen kort in
verhouding tot de romp. Over het geheel genomen valt de lengte van de kinderen
echter niet uit de toon.
Op twee- tot driejarige leeftijd zijn veel van de kinderen ietsje kleiner dan
gemiddeld.
Op zesjarige leeftijd zijn ze gemiddeld ruim 12 centimeter kleiner dan andere
kinderen.
Een baby met het Down syndroom weegt vaak iets minder dan andere baby's en neemt
niet zo snel toe in gewicht. In verhouding tot de gewichtstoename, die lager is
dan normaal, blijft de lengtegroei nog verder achter. Dit verschil in gewicht
ten opzichte van de lichaamslengte is bij meisjes groter dan bij jongens. Er
zijn speciale groeicurven voor kinderen met het Down syndroom. Ouders kunnen op
het consultatiebureau om zo'n groeicurve vragen, zodat zij de groei van hun
kindje kunnen vergelijken met die van kinderen met het Down syndroom in het
algemeen.
Tanden
De tanden komen vaak later en minder regelmatig door dan bij andere kinderen.
Over het algemeen houden de kinderen hun melkgebit langer, waardoor dit meer aan
slijtage onderhevig is. Ook tandenknarsen komt bij kinderen met Down syndroom
veel voor. Dit geeft eveneens een sterke slijtage van de tanden en kiezen.
Een andere factor van belang kan zijn, dat ze hun tanden met hun (slappere) tong
minder goed schoonhouden. Daarbij komt dat kinderen met Down syndroom vatbaarder
zijn voor tandvleesontstekingen. Het is daarom belangrijk veel aandacht te
besteden aan mondhygiëne. De kleine mond kan het tandenpoetsen bemoeilijken.
Een electrische tandenborstel is veelal onmisbaar.
Spijsverteringsorganen
Het merendeel van de kinderen met Down syndroom heeft normale ingewanden. Bij
ongeveer 5 procent van deze kinderen is er sprake van darmproblemen.
Het komt regelmatig voor dat de baby allergisch is voor koemelk. In dat geval
dient men op andere voeding over te gaan.
Borstvoeding is bij baby's met Down syndroom goed mogelijk, al gaat dit de
eerste dagen wat moeizaam. Dat is te wijten aan het feit dat de baby nog niet
volgroeid is, waardoor de zuig- en slikreflexen en de spieren nog zwak zijn.
Omdat borstvoeding erg goed is voor het stimuleren van de mondmotoriek, is het
de moeite waard even door te zetten. Meestal kunnen de problemen binnen een paar
dagen overwonnen worden.
Kinderen met het Down syndroom zijn vaak passieve eters met een voorkeur voor
vrij zacht voedsel. Dit houdt verband met de lage spanning van de kauw- en
slikspieren. Vaak spuugt de baby het vaste voedsel uit wanneer op gemengde
voeding wordt overgegaan.
Soms komt dit alleen maar doordat de baby zijn of haar tong naar voren duwt,
zoals dat bij borstvoeding noodzakelijk is. Het kan langer duren voor de baby's
hun tong leren gebruiken op de manier, die is vereist voor het eten van vast
voedsel. Maar sommige baby's hebben echt een afkeer van de 'harde' stukjes in de
voeding.
Een ander probleem, dat bij ongeveer driekwart van de baby's met Down syndroom
voorkomt, is dat het hun nogal wat moeite lijkt te kosten om ontlasting kwijt te
raken. Dit probleem is veelal eenvoudigweg een gevolg van de slapte van de
darmspieren en gebrek aan lichaamsbeweging. Wanneer het kind groter wordt en
meer in beweging is, komt het maar zelden voor dat de ontlasting een ernstig
probleem wordt.

Schildklier
Problemen met de schildklier komen bij mensen met Down syndroom vaker voor dan
bij de rest van de bevolking. Heeft de baby een gebrekkig functionerende
schildklier, dan is behandeling met schildklier-preparaten vereist. Omdat dit
relatief vaak voorkomt, dienen alle baby's met Down syndroom hierop periodiek
onderzocht te worden. Gelukkig worden alle pasgeborenen al op de werking van de
schildklier onderzocht. Dit gebeurt via de hielprik die in de eerste week na de
geboorte plaatsvindt.
Naarmate kinderen met Down syndroom ouder worden, wordt de kans op een
verstoring van de normale werking van de schildklier groter. De uitslag van de
hielprik kan bijvoorbeeld goed zijn, terwijl al vrij snel, in de maanden erna,
de werking van de schildklier minder wordt. Ongeveer tien procent van de
kinderen en een nog hoger percentage van de volwassenen met Down syndroom heeft
een te traag werkende schildklier.
De belangrijkste symptomen van een traag werkende schildklier zijn:
de groeicurve buigt af; dit is vaak het eerste symptoom;
het kind wordt heel sloom, kan niet meer zo snel nadenken als het gewoon was, of
raakt in de war;
het kind heeft minder eetlust, maar wordt desondanks een stuk zwaarder en heeft
erg veel last van verstopping;
de stem wordt heser, het haar dunner en de huid droger dan normaal.
De kans dat schildklierproblemen niet worden ontdekt is groot, omdat de
hierboven genoemde symptomen bij iemand met Down syndroom minder snel opvallen.
Daarom is het aan te bevelen de kinderen regelmatig (bijvoorbeeld om de 2 à 3
jaar) hierop te laten onderzoeken. Behandeling met schildklierhormonen helpt het
probleem meestal de wereld uit.
Hart
Ongeveer 40 procent van de baby's met Down syndroom heeft een of ander
hartgebrek. Het betreft niet één kenmerkende hartafwijking, het kan om alle
mogelijke afwijkingen gaan. Ze variëren van milde gebreken, die na verloop van
tijd vanzelf weer verdwijnen, tot ernstige aandoeningen die een ingrijpende
operatie noodzakelijk maken. Ongeveer 10 tot 15 procent van de baby's met Down
syndroom heeft een ernstig hartgebrek. Soms is dit zo ernstig, dat een operatie
al in de eerste levensmaanden noodzakelijk is. De kans dat dergelijke operaties
slagen, is bij kinderen met Down syndroom niet kleiner dan bij een ander kind.
Voor de meeste baby's geldt, dat de arts al kort na de geboorte moet kunnen
constateren of er sprake is van een hartgebrek, maar het komt wel eens voor dat
de afwijking pas een paar maanden later wordt ontdekt.
|
|
Margriet als baby ....... |
Coördinatie
Kinderen met Down syndroom hebben vaak moeite met het onder de knie krijgen van
gecoördineerde activiteiten, zoals zitten zonder het evenwicht te verliezen en
lopen zonder hulp. De ontwikkelingsmijlpalen zoals met enige steun zitten,
zitten zonder steun, in evenwicht blijven, los staan, met steun lopen en zelf
lopen worden allemaal later bereikt dan verwacht wordt. Het lijkt alsof de
kinderen steeds op een bepaald niveau stil blijven staan. De volgorde waarin de
mijlpalen gehaald worden is over het algemeen normaal; de ontwikkeling blijft
harmonisch verlopen. Het ontwikkelingstempo is uiteraard sterk afhankelijk van
de ernst van de verstandelijke handicap van het kind.
Het komt heel vaak voor dat kinderen met Down syndroom er moeite mee hebben hun
evenwicht te bewaren en de juiste houding aan te nemen. Daar is overigens wel
het nodige aan te doen door middel van goed doordachte, lichamelijke
activiteiten vanaf de eerste levensdagen.
|
En ...............Margriet op haar vijftigste verjaardag!! |
|
Reactiesnelheid
Uit onderzoek blijkt dat het transport van boodschappen via de zenuwbanen bij
mensen met het Down syndroom iets langer duurt dan normaal. Dit is
waarschijnlijk te wijten aan verschillen in de structuur van het zenuwweefsel.
In de praktijk is een gevolg hiervan dat het langer duurt voor een boodschap de
hersenen bereikt en het ook langer duurt voor er, als reactie daarop, een
boodschap vanuit de hersenen wordt teruggestuurd.
Als we dan bedenken dat er ook meer tijd nodig is om de boodschap te verwerken
-dat wil zeggen, te herkennen, te begrijpen en te beslissen wat er moet gaan
gebeuren- dan kunnen we begrijpen waarom deze kinderen traag reageren.
Dit verschijnsel heeft vergaande gevolgen. Als je met een kind speelt of tegen
een kind praat verwacht je binnen een zekere tijd een reactie. Bij kinderen met
Down syndroom lijkt er soms helemaal geen reactie te komen (binnen de tijd, die
wij daarvoor normaal vinden). De kans is groot dat we alweer met het volgende
spelletje bezig zijn, voor het kind op het eerste heeft kunnen reageren.
Seksuele ontwikkeling
De geslachtsorganen van jongens en meisjes met Down syndroom zijn doorgaans
normaal.
De penis en de zaadballen zijn bij zuigelingen vaak klein en in de eerste
levensjaren wordt nogal eens geconstateerd dat de zaadballen niet in de balzak
(het scrotum) zijn ingedaald.
Er treden geen belangrijke verschillen op in de seksuele gevoelens en de
ontwikkeling van primaire en secundaire geslachtskenmerken (zoals de afmeting
van de genitaliën en de groei van schaamhaar). Het met de leeftijd toenemen van
de productie van geslachtshormonen komt overeen met wat als normaal geldt. De
snor- en baardgroei treedt over het algemeen echter wel later op en is minder
sterk. Meestal zijn mannen met Down syndroom onvruchtbaar.
De meisjes ontwikkelen doorgaans alle normale secundaire geslachtskenmerken, al
is de borstontwikkeling vaak geringer dan normaal. Ze beginnen ook op ongeveer
de normale leeftijd (12 ½ - 13 jaar) te menstrueren. Vrouwen met Down syndroom
zijn gewoon vruchtbaar. Indien een vrouw met Down syndroom kinderen krijgt is er
een kans van ongeveer 1 op 3 op een kind met Down syndroom.
Oorzaken
Down syndroom is het gevolg van een chromosoomafwijking. Chromosoom 21, normaal
in alle cellen van het lichaam in tweevoud aanwezig, is bij mensen met Down
syndroom in drievoud aanwezig. Men noemt dit trisomie 21, vanwege het extra
chromosoom 21. Het extra chromosomenmateriaal is verantwoordelijk voor de
verstandelijke en lichamelijke kenmerken.
'Gewone' trisomie 21
Meestal is een extra chromosoom 21 aanwezig in de zaadcel of de eicel. Na de
bevruchting, heeft iedere volgende cel dan 47 (in plaats van 46) chromosomen.
Deze gewone trisomie 21 komt voor bij 92 tot 93 procent van de kinderen met Down
syndroom.

Translocatie trisomie 21
Chromosomenonderzoek van kinderen met Down syndroom heeft aangetoond, dat bij
ongeveer vijf op de honderd kinderen niet drie afzonderlijke chromosomen van
nummer 21 kunnen worden onderscheiden.
In dat geval heeft een van de chromosomen 21 zich aan een ander chromosoom
gehecht. Dit wordt een translocatie (verplaatsing) genoemd. Het extra chromosoom
hecht zich bij voorkeur aan chromosoom 14, 13, 21 of 22.
Deze vorm van Down syndroom kan erfelijk zijn.
Mozaïek trisomie 21
Bij mozaïek-trisomie 21 komen zowel normale cellen als cellen met trisomie 21
naast elkaar voor.
Deze twee verschillende soorten cellen ontstaan, doordat pas tijdens een van de
latere delingen van de bevruchte eicel chromosomenpaar 21 zich niet deelt. Een
andere mogelijkheid is, dat het extra chromosoom 21 al wel bij de bevruchte
eicel en de eerste celdelingen aanwezig is, maar bij één van de latere
celdelingen weer verloren gaat.
Tussen de normale cellen kunnen zich soms heel weinig trisomie-cellen bevinden,
maar de cellen kunnen ook bijna allemaal trisoom zijn. Dat is mede afhankelijk
van het moment waarop de afwijking ontstaat of verdwijnt. Omdat niet alle cellen
afwijkend zijn, zijn de kenmerken van het Down syndroom meestal minder
uitgesproken.
Mozaïek-trisomie 21 komt slechts zelden voor. Naar schatting gaat het bij twee
van de honderd kinderen met Down syndroom om deze vorm.
![]() |
dit is een foto van Summer, als je op haar foto klikt kom je op haar site, die heeft haar papa Rob geschreven |
...
| De site van Jonathan, heel informatief ! Klik op zijn foto en neem een kijkje in zijn wereld: makkie gebakkie!! |
.
| En de site van de familie Stuitje uut Grun, hun verhaal over Leon en Raoel, druk op de foto en je komt bij hun terecht | ![]() |
.
.
.