Informatie over symbolen in de kersttijd.
Verzameld door Frans Trieschnigg te Groenlo (ten tijde van het schrijven van dit stuk: schoolcatecheet te Wijchen). Als consulenten, aangesteld bij de Muziekschool Wijchen, werkten we toentertijd veel (en naar hartelust) met Frans samen. Zijn informatie rond kerstsymboliek heeft mij toen en daarna altijd zeer geboeid. Misschien hebt U er als Internetgebruiker ook wat aan, ter voorbereiding op de komende Kersttijd!

ONZE GERMAANSE VOOROUDERS vierden na de kortste dag van het jaar (21 december) het zogeheten Joelfeest, ook wel midwinterfeest of zonnewendefeest genaamd. "Joel" is woordkundig hetzelfde als "wiel". Daarmee wordt het zonnerad bedoeld, één van de belangrijkste Germaanse symbolen. We vinden dit rad o.a. terug in de ADVENTSKRANS. Dit feest, waarop de Germanen de terugkeer van de zon vierden, duurde ongeveer van 25 december tot 6 januari. Twaalf dagen dus, of liever twaalf nachten. Want ze telden in nachten. "WEIHNACHTEN" is nog steeds het Duitse woord voor Kerstmis.
Tijdens dit feest stonden twee goden in het middelpunt: Frey en Wodan. Frey was de zonnegod. Volgens de voorstelling van de Germanen reed hij op een geweldig everzwijn, "Gullinbursti", d.w.z. "met gouden borstels". Dat waren de zonnestralen die de natuur weer tot leven moesten brengen. Men offerde Frey in deze dagen een everzwijn, maar ook ossen en paarden. De mensen gaven hem het beste wat ze hadden om zoveel mogelijk vruchtbaarheid te krijgen. Ook Wodan werd geëerd op het joelfeest. Hij was de oppergod. Onze Germaanse voorouders geloofden, dat hij tijdens storm en onweer, op zijn witte paard Sleipnir door het luchtruim reed, met in zijn gevolg een aantal andere goden en vele gestorvenen. De mensen offerden hem dieren en koeken om hem te vriend te houden.
De zon schonk nauwelijks meer licht en kracht. De dagen waren kort en de nachten lang. Het leven had zich teruggetrokken uit de natuur en zich diep in de grond verborgen. Het was koud en kaal buiten. De zon scheen niet meer opgewassen tegen de macht van de duisternis. Het was een kritieke en angstwekkende periode. Het leven van mens en dier werd bedreigd. Door te feesten probeerde de natuurmens de zon over haar dode punt heen te helpen. Zijn voornaamste hulpmiddelen daarbij waren vuur, licht en lawaai. Hij blies op hoorns. In latere tijden schoot men of luidde de klokken. Al dat lawaai diende om de boze geesten te verjagen en de goede welkom te heten, vooral de zonnegod. Restanten hiervan vinden we nog in onze NIEUWJAARSNACHT. Ook geschenken behoorden bij het joelfeest. Het waren ZEGENWENSEN voor het komende jaar.
Het midwinterfeest was zonnefeest en verrijzenisfeest tegelijkertijd. Daarin drukte de natuurmens zijn vertrouwen uit in de zon die het nooit helemaal zou laten afweten, maar altijd als overwinnaar te voorschijn zou treden uit het strijdperk. Het midwinterfeest was tevens vruchtbaarheidsfeest. Licht, leven en vruchtbaarheid hoorden voor de Germaanse mens onlosmakelijk bij elkaar. Door het brengen van offers probeerde hij de goden gunstig te stemmen zodat ze vruchtbaarheid zouden verlenen aan veld, vee en mensen. Het joelfeest was een belangrijk feest voor onze Germaanse voorouders. Het was een feest van de nieuwe zon, het nieuwe leven en de nieuwe vruchtbaarheid.
DE ROMEINEN vierden in de midwintertijd de GEBOORTEDAG van de onoverwinnelijke zon. Omstreeks de 3e eeuw na Chr. werd in het Romeinse rijk de zonnegod Mithras vereerd. Deze god, afkomstig uit Perzië, was bijzonder populair. Zijn geboorte werd gevierd op 25 DECEMBER. Zijn grootste daad was het doden van een geweldige stier. Men geloofde dat daardoor de vruchtbaarheid van het leven vrijkwam. Keizer Aurelianus was zo enthousiast voor deze godheid dat hij in het jaar 274 een grote zonnetempel liet bouwen. Hij vereerde de zonnegod als de ene, hemelse, almachtige, goddelijke kracht. En keizer Diocletianus bepaalde in het jaar 307 dat Mithras de zonnegod voor het hele rijk zou zijn. De 25ste december werd tot een officiële feestdag verklaard: de geboorte van de onoverwinnelijke zon (in het latijn: "sol-invictus").
DE EERSTE CHRISTENEN interesseerden zich eigenlijk niet voor de geboorte van Jezus. Pasen en Pinksteren waren aanvankelijk de grote kerkelijke feesten. In de 2e en 3e eeuw na Chr. werd in het oosten op 6 januari "Epifanie" (Griekse woord voor ons "openbaring") gevierd, de dag waarop de Wijzen uit het Oosten de pasgeboren Jezus hun hulde komen brengen. De geboorte van Christus was van ondergeschikt belang in dit feest. Waarom deze datum gekozen was is onzeker, wel werd al vanaf 2000 v.Chr. in Egypte de winterzonnewende op 6 januari gevierd.
De oudste vermelding van KERSTMIS OP 25 DECEMBER in het westen te Rome vindt men in een geschrift van 354, waarvan de kalender teruggaat tot ongeveer 336. Het is rond de tijd dat keizer Constantijn de Grote (323-337) zich in 310 tot christen bekeerde, dat het oosterse epifaniefeest in het westen wordt overgenomen. Paus Julius I verklaart in het jaar 330 de 25e december tot geboortedag van Christus, en geeft aan 25 december een andere betekenis: niet de zon, maar Christus is "de onoverwinnelijke zon" ("Sol-Invictus"), "de zon der gerechtigheid" ("Sol Justitiae"), kortom "het licht der wereld", Het openbaringsfeest van het oosten wordt nu in het westen het feest van de drie Wijzen en de roeping van de heidenen ("Driekoningen"). Zo krijgen begin en einde van het midwinterfeest een christelijke betekenis. Het is vrijwel zeker, dat Kerstmis - in Rome althans - ois ontstaan als christelijke tegenhanger (of vervanger) van het heidense feest van de geboortedag van de zon. Vanaf die tijd viert men het feest op de 25e december en het duurt vier dagen. Later viert men het geboortefeest alleen op de 25e en wordt de 26e gewijd aan Sint Stefanus, de eerste christelijke martelaar; de 27e aan Sint Jan, de evangelist en de 28e aan de Heilige Onnozele kinderen, naar het verhaal van Mattheüs 2. Vanuit Rome wordt in het laatste kwart van de 4e eeuw het Kerstfeest ook in het oosten overgenomen, o.m. te Konstantinopel, het huidige Istanboel.
De inhoud van het
Kerstfeest is nu: 
Jezus is het Licht dezer wereld, de opgaan Zon, die nooit meer zal ondergaan. In het donker of in de kou van een mensenleven is Jezus met zijn boodschap licht en warmte. Zó herimterpreteert de christen de oeroude Germaanse/Romeinse symbolen. Zo kan de liturgie het donker, de winter, de kou duiden als ons leven dat onverlost is, hard soms en koud. Het licht dat is Jezus. Van Hem zingen we in deze langste winternacht.
De KERSTBOOM zou eigenlijk joelboom moeten heten, omdat hij teruggaat op het Joelfeest van onze GERMAANSE VOOROUDERS. Dat Joelfeest was een vruchtbaarheidsfeest, een dodenfeest en een zonnefeest. Hoogtepunt van het Joelfeest was 21 december, de donkerste dag van het jaar.
VRUCHTBAARHEIDSSYMBOLEN:
Onze voorouders offerden vruchten van de binnengehaalde oogst aan hun goden door ze op te hangen aan de joelboom.
Als eerste een APPEL, een eetbaar attribuut dat oorspronkelijk niet als versiering diende, maar een vruchtbaarheidssymbool was. Associaties zijn te maken met de appel van het paradijsverhaal.
Dan een NOOT. Eveneens een vrucht van het veld: het zaad van de nieuwe oogst. Omstreeks 1880 gingen glasblazers in Thüringen een nieuw procedé toepassen voor verzilvering van glazen voorwerpen. Men blies appels en noten en kleurde die. Meestal rood, de kleur van de vruchtbaarheid. Sinds die tijd zijn de echte appels, noten en andere vruchten verdrongen door verglaasde voorwerpen.
Dat gebeurde bijvoorbeeld met de SPARAPPELS, de zaden van de kerstboom, die ook verzilverd werden opgehangen.
En dan de BALLEN. Men kan hierbij associëren met appels, maar vooral het ei. Tegen het einde van de 19e eeuw werden vergulde en uitgeblazen eieren opgehangen. Ook dit is een vruchtbaarheidssymbool. Je ziet ze ook aan de meiboom hangen, waar de kerstboom gelijkenis mee heeft en zelfs is er een voorstelling van sinterklaas op een paasei. Appels, noten, zaden en eieren werden als offers aan de goden opgehangen. ze werden gezien als symbolen van vruchtbaarheid. In oude graven zijn overblijfselen van fruit en noten gevonden: men al ze om gezondheid, jeugd, goddelijkheid te krijgen. De goden nuttihden ze om hun onsterfelijkheid te behouden.
BLOEMEN EN ROZETTEN. Deze herinneren ons eraan dat de kerstboom oorspronkelijk ook een bloeiende boom was. Vergelijk met palmpasen en een meiboom. Er zijn middeleeuwse sagen over appelbomen die met kerstmis plotseling bloeien en tegelijkertijd vrucht dragen. Dat heeft misschien iets met de kerstening van het joelfeest te maken, maar er komt misschien ook in tot uitdrukking dat bloei en vruchtdragen in éénzelfde levenscyclus bij elkaar horen.
Het JOELBROOD (kerstbrood, kerststollen) was oorspronkelijk weer een offer aan de goden met name Wodan en Freya. Vergezeld van een offergebaar hing men het brood op aan de boom. Wat later at men het zelf op. De joelbroden werden gebakken van het meel van de laatste schoof die op het veld stond. Men geloofde namelijk dat in die laatste schoof de veldgod gevangen werd en daarmee de groeikracht van het gewas. Na het offer werd het brood soms bewaard om het meel te vermengen met het nieuw uit te zaaien graan: zo zou de vruchtbaarheid van het oude jaar overgaan in het nieuwe jaar. Soms liet men de laatste schoof op het veld staan en sprak men er de geheiligde woorden bij: "Für Wodans Pferd". Het brood werd gebakken in de vorm van een ever(zwijn) of een eikel of een krans. De ever doet denken aan het everzwijn met gouden haren waarop de godin Freya rondreed. De eikelvorm spreekt voor zichzelf. En de krans, de ronde vorm, stelt de kringloop voor van vegetatie en levensvernieuwing.
De BEELDKOEKJES. Vanuit het kerstbrood ontwikkelden zich de beeldkoekjes. Vormen zijn o.a. een paard (waarop Freya, vrouw Holle volgens de mythe zegenend over de landerijen reed). De koekjes zijn gebakken met honing, waardoor ze taai werden. Vergelijk TAAI-TAAI met Sinterklaas. De honing heeft verwantschap met nectar, ambrozijn, de godendrank van de Griekse goden, en ook met soma, de bedwelmende drank, die gedronken werd bij offerfeesten in het oude Indië. In het Walhalla dronken de gevallen krijgers een drank van honing, die levenwekkend was. De Germaanse priesters kwamen er door in een bovenzinnelijke toestand. Ze werden dronken, maar omdat men dit niet begreep en alles wat men niet begreep heilig vond, beschouwde men deze dronkenschap van goddelijke oorsprong.
De GESCHENKEN. Ook het uitwisselen van cadeautjes verwijst naar oude vruchtbaarheidsriten "de natuur geeft weer haar gaven". In de 16e eeuw is dit gebruik verschoven van Sinterklaas naar Kerstmis onder invloed van de Reformatie.
De PIEK is een heel hoofdstuk apart. In sommige streken van Europa was er tot aan de 20ste eeuw nog geen kerstboom, maar wel een kerstpyramide. Dat was geen boom, maar een constructie van latwerk, lijkend op een adventskrans. De vorm was driehoekig met op de top een appel, gestoken op een houten staafje. Dit vruchtbaarheidssymbool is waarschijnlijk de voorloper van onze piek.

Binnen in deze stellage stond een afbeelding van Sinterklaas, Santa Claus, het KERSTMANNETJE. Het zijn allemaal herinneringen aan Wodan, de oppergod der Germanen, die tijdens het joelfeest samen met Freya in de zogenaamde wilde jacht vanuit de bergen meereed met het zielenleger der voorouders die in deze dagen werden opgeroepen. Ook de vele soorten ommegangen en gemaskerde dansen herinneren eraan.
De VOGEL duidt misschien op de adelaar tussen wiens ogen de valk Vedfolner alles bespeurde wat er op aarde geschiedde. Deze adelaar zat in de mythologische wereldboom, levensboom, waarop de joelboom teruggaat. Het kan ook duiden op de witte haan met gouden kam Salgofner, die in de top van de wereldboom met zijn gekraai de krijgers van het Walhalla wekte. De vogel is trouwens altijd in de mythen het beeld van transcedentie, aanwezigheid van het goddelijke.
ENGELENHAAR. Grieken en Germanen kenden het haaroffer en hingen lokken afgesneden haar in de bomen. Misschien heeft ons engelenhaar hier iets mee te maken.
OPWEKKINGSSYMBOLEN:
Het joelfeest was behalve een vruchtbaarheidsfeest ook een dodenfeest. Omdat men in vroeger tijden de samenhang voelde tussen vroeger, nu en toekomst in een cyclisch tijdsbesef hoorden de doden, de voorouders er als vanzelfsprekend bij.
Vandaar de KLOKKEN EN BELLEN die deze doden uit de grond moesten oproepen. Er werd ook luidruchtig bij gejoeld met veel gebaren, bewegingen en dans. In Zweden heet Kerstmis nog steeds JOELFEEST.
Vandaar ook het TROMPETJE, dat associaties oproept met de midwinterhoorn, maar ook met de god Heimdall, de wachter van de regenboogbrug, die hemel en aarde verbond. Hij blies als de vijanden in aantocht waren. En om zijn hoorn bij de hand te houden hing hij hem aan de tak van de wereldboom. Misschien heeft dit laatste ook weer iets te maken met het verbod van de christelijke kerk omtrent alles wat met deze heidense viering te maken had. De kerk verklaarde de doden tot demonen, die met lawaai verjaagd moesten worden in plaats van opgeroepen.

ZONNESYMBOLEN:
Het joelfeest was ook het zonnewendefeest.
De STER van de kerstboom is terug te voeren op de zonnecultus van onze voorouders. Ze is ouder dan de piek. De Germanen zagen de zon in de wintermaanden haar laagste punt bereiken en daarna weer omhoogstijgen om de aarde opnieuw te bevruchten. In alle zonnemythen wordt daarom telkens weer uitgedrukt: wedergeboorte van het grote Licht, eeuwige terugkeer, zonnewende. Men stelde dit voor in het symbool van het rad (julträd). In Scandinavië werden tijdens het Joelfeest waderen op de muren getekend. Er is ook verband tussen het reïncarnatieverloop en het rad van wedergeboorte bij het Boeddhisme. De kerstboomster heeft dus oorspronkelijk de zon voorgesteld met acht stralen, zodanig dat hij kon draaien. oorspronkelijk was het het wentelend zonnerad. Pas later werd het vereenzelvigd met de ster van Bethlehem. Zo liet men tijdens het Joelfeest vaak een brandend rad van een heuvel afrollen, nu nog in Engeland en Beieren. Maar dat was pas op het einde van het feest, want als de zon op de laagste stand stilstond mocht niets op aarde draaien. er was zelfs een spinverbod! Na de 12e nacht, tijdens Driekoningen, steeg de zon weer. Het zonnerad begon weer te wentelen. Vandaar het gebruik van de sterrezangers met Driekoningen, die met een ster die draait doordat aan een touwtje getrokken wordt, langs de huizen gingen.
De KERSTKRANSJES van chocolade of suiker stellen ook het zonnerad voor. De ronde vorm stelt de zon voor, de ribbels de uitstraling van de zon. Vroeger zaten er ook spaken in. waarschijnlijk zijn ook de krakelingen een zonnesymbool.
De KAARSEN en de VERLICHTING. De boomverlichting gaat terug op het aansteken van lichten en vuren tussen 11 november en 6 januari om de zonneloop een beetje te versnellen. Zo werden in de Joeltijd joelblokken verbrand, in Engeland nog. Het joelblok is een wortelig stuk van de onderstam van een eik. men stookte dit in de open haard, goot er bier, wijn of honing over en strooide er veldvruchten of zout over uit als offer voor de goden. De as van het joelblok was genezend en maakte vruchtbaar. Het werd dan ook over de akkers uitgestrooid. Het VUUR en bijzonder het HAARDVUUR was iets heiligs voor de Germanen. Het is van goddelijke oorsprong, het goddelijke verschijnt erin. Het moest daarom voortdurend branden. Het was een ongeluksteken als het vuur uitging. Slechts één keer per jaar, op de joeldag, 25 december, doofde men het vuur om het opnieuw weer aan te steken. De vuurcultus is trouwens ook vanuit andere gebruiken bekend: Olympisch vuur, vuur met oud en nieuw, de brandende braambos, de eeuwige vlam voor de onbekende soldaat, de godslamp die eeuwig blijft branden. In het vuur verschijnt ook de eeuwige kringloop: het loutert, reinigt, het verteert tot as; uit de as komt weer nieuw leven. Daarom is het joelfeest of midwinterfeest tegelijkertijd een geboorte-en dodenfeest. De godin van de vruchtbaarheid, van geboorte en dood, Freya, is de hoofdfiguur. Door verlichting, waskaarsen, electrische kaarsen, in de boom te hangen krijgt deze de glorie van het goddelijke. Hij wordt een goddelijk teken.
Zo voert de kerstboom ons terug naar een voorchristelijke tijd: de tijd van de boomcultus, die over heel de wereld verspreid was. Boeddha werd geboren onder de satijnboom. Joden en Assyriërs kennen de boom van goed en kwaad. Grieken wijdden bomen aan een godheid toe: Zeus beuk, Dionysius vijgeboom. De Germanen vonden het hele bos heilig, heilige wouden. Speciaal werden de eik (Wodan), en de linde (Freya) vereerd. Denk aan Bonifacius, die de heilige eik omhakte, en aan de dorpslinde.
Wat maakte zo'n diepe indruk? De boom dringt door in drie sferen: de hemel (de goden), de aarde (de mensen), de onderwereld (de doden). De boom is de verbinding tussen hemel en aarde: van boven naar beneden is hij verworteld: uit beide werelden krijgt hij voedsel. Uit eerbied voor dit beeld van de levensboom werd hij versierd met attributen van de godheid en werd hij het centrum van het joelfeest. Langzamerhand is de joelboom kerstboom geworden en binnenskamers gehaald. Dat komt omdat het feest rond het jaar 340 vervangen is door het kerstfeest. Toen is het natuurfeest gehistoriseerd. Christus is de zon en het zonnerad werd de ster die stilstaat boven Bethlehem.
Van het gebruik van de KERSTBOOM wordt voor het eerst melding gemaakt in het jaar 1521 in Straatsburg. Volgens een legende is Maarten Luther een der eersten die voor zijn kinderen een kerstboom plantte. men vertelt: "hij wandelde eens door een uitgestrekt, eenzaam woud op de vooravond van Kerstmis. Aan de hemel twinkelden ontelbare sterren. Peinzend keek hij om zich heen en raakte diep onder de indruk van de statige dennen en sparren. Het leek alsof de kruinen tot aan de hemel reikten. Een hemel vol licht van glanzende sterren. Hij kon de verleiding niet weerstaan iets van al dat mooie mee naar huis te nemen. Hij hakte een kleine spar om en thuis gekomen versierde hij het voor de kinderen. Hij legde er kleine geschenken onder en vertelde zijn kinderen een prachtig verhaal over "het Licht dezer wereld".
Omstreeks het jaar 1850 verscheen de kerstboom in Nederland. Eerst bij de protestanten in hun kerken en zondagscholen, later ook in het gezin. Na de 2e wereldoorlog is het, naast de gebruikelijke kerststal, ook in de katholieke gezinnen gebruikelijk geworden een kerstboom in huis te halen.
DE KERSTSTAL:
De KERSTSTAL heeft een lange geschiedenis die begint met Jezus' geboorte. Uit het evangelie komen we er niet veel van te weten. De evangelisten en de eerste christenen hebben meer belangstelling voor het openbare leven van Jezus en het paasgebeuren. De kerstverhalen zijn dan ook later aan de evangeliën toegevoegd. Maar de volksfantasie heeft het er niet bij laten zitten. Het sobere gegeven van het evangelie is een bron geweest van allerlei kerstvoorstellingen en gebruiken.
Kerstvoorstellingen in de kerk vinden we vanaf de 4e eeuw. In de middeleeuwen nemen die voorstellingen toe: schilderijen, kapitelen en altaarstukken. De eigenlijke kerststal vinden we pas op het einde van de middeleeuwen. De oudst bekende kerstkribbe (1289) staat in de Maria Maggiore in Rome. De oudst bekende kribben in Nederland zijn: Roermond 1370, kathedraal van Utrecht 1489, Nieuwe kerk te Delft 1502, Minderbroederskerk te Weert 1520. Gewoonlijk wordt de kerststal aan het initiatief van Franciscus van Assisi toegeschreven. Thomas van Celane beschrijft, hoe Franciscus in 1223 te Greccio het kerstfeest vierde. Enkele dagen tevoren zei hij tegen zijn vriend Johannes: "Als je wilt, dat we dit jaar in Greccio kerstmis vieren, tref dan vlug voorbereidingen en doe precies wat ik je zeg. ik wil de herinnering oproepen van het Kind, dat in Bethlehem geboren is en met eigen ogen de behoeftige omstandigheden zien waarvan het al te lijden had, toen het net geboren was. Ik wil zien, hoe het daar in een kribbe op stro lag tussen een os en een ezel. De vreugdevolle dag kwam nader. De mensen uit de straat, mannen en vrouwen, zorgden blijgestemd voor fakkels en kaarsen om daarmee het licht te brengen in de nacht. Het bos weergalmde van de stemmen en de rotsen kaatsten het geluid terug. De broeders zongen en brachten de Heer de verschuldigde lof. Boven de kribbe werd de plechtige heilige mis gevierd..."
Het initiatief van Franciscus is niet zo oorspronkelijk als vroeger werd gedacht. Wel is het zeker, dat de franciscaanse beweging met zijn bijzondere aandacht voor de menselijkheid en armoede van Jezus heeft bijgedragen tot het ontstaan en de verbreiding van de kerststal. Rijke lieden konden zich op het einde van de middeleeuwen veroorloven een kerstgroep in eigen huis te hebben. Ze moesten daartoe een beeldhouwer of houtsnijder de opdracht geven. Een kerststallenindustrie was er nog niet. in de huiskamer van het gewone volk begint de kerststal heel klein, een wiegje met een pop van hout of was. Het is een soort kinderspeelgoed. Vanaf 1500 (maar misschien is het gebruik al ouder) zijn ons berichten bekend over het "kindje wiegen". Tijdens de kerstplechtigheden stond er in de kerk op het altaar een wieg met een pop, de kribbe met het kindje Jezus. Ook de kinderen die met hun ouders naar de kerk kwamen, hadden een wiegje met een popje bij zich. Wanneer de priester het kindje op het altaar begon te wiegen deden ook de kinderen met hun speelgoed mee. uit dit gebruik zijn oude kerstwiegeliedjes ontstaan. Het wiegje met het poppetje van de kinderen kreeg na de plechtigheid in de kerk een ereplaats in de huiskamer. Zo is het eerste kerststalletje eigenlijk een kinderaangelegenheid. Later is het kerstkindje met andere beeldjes omgeven: Maria, Jozef, de herders, de drie koningen. ook in de kerk neemt het aantal beeldjes toe. Vooral in Italië wordt de kerstkribbe vaak omgeven met een dorpje of stadje, waarin zich het bonte volksleven afspeelt.
Zo hebben veel oorzaken de kerststal in het leven geroepen en naar de huiskamer gebracht: het kerstspel in de kerk, het kindje wiegen, de franciscaanse propaganda, de roomse romantiek rond 1900, de opkomst van de poppen- en beeldjesindustrie en niet te vergeten de koopkracht van de gelovigen.
Bronnen:
J.Beke e.a.,Voor vieren. OBR nr. 294 (Zwijnen/Tilburg 1981)
Nummers van Praxis-bulletin (Malmberg/Den Bosch)
H.van Rooij/A.Rooymans, Drie om te vieren, Schooltelevisieproject (NOT/KRO 1986)
M.van Raephorst, Het hele jaar rond... van Sint tot Sintemaarten (Rotterdam)
A.Kesseler-van der Klauw. De Feesten van het Jaar (Een verhalenboek over feesten en seizoenen/ Haarlem 1982)
B.Offringa, Verhalen om nooit te vergeten (bij de feesten en gedankdagen van het gehele jaar/Delft 1987)
Overzicht Kerstverhalen, uitgebracht door DK in december 1986)
Inez van Eijk, Van allerheiligen tot Sint Juttemis (achtergronden van onze feestdagen,Utrecht/Antwerpen 1993)
Eckhard Biegen, Das Kirchenjahr zum nachschlagen (Entstehung-Bedenkung-Brauchtum 1993)
Karel Douven, De jaarfeesten als inwijdingsmysterieën (De Ster/Breda)
(informatie verzameld door Frans Trieschnigg te Groenlo)