Enkele muntateliers:
| Graafschap |
Muntateliers |
Kenmerk |
| Brabant: |
Antwerpen |
hand - vóór 1510 leeuw |
| |
Maastricht |
ster |
| |
's Hertogenbosch |
boom |
| |
Brussel |
B of hoofd van Sint Michel(engelkopje). |
| |
Mechelen |
stadswapen,M of leeuw |
| Doornik: |
Doornik |
toren |
| Vlaanderen: |
Brugge |
lelie |
| |
Gent |
leeuw, GAND(A) of zonder |
| Artois: |
Arras |
leeuw of rat |
| Luxemburg: |
Luxemburg |
leeuw - wapenschild |
| Namen: |
Namen |
vuurijzer - leeuw |
| Henegouwen: |
Bergen |
toren |
Een aantal steeds weerkerende benamingen.
Afkorting muntmetalen:
AE = brons; AR = zilver; Av = goud.
Albertijn: Gouden munt van 2,5 gulden(50 Stuivers), geslagen
onder de aartshertogen Albrecht en Isabella in de periode van omstreeks 1600 tot
1610. Gewicht van 5,15 gr, gehalte van 0,895%. Er bestaan ook
"dubbele" albertijnen van 5 gulden(100 stuivers).
Botdrager:
een dubbele groot of plak, uitgegeven in Vlaanderen in 1365 door Lodewijk van
Male. De zilveren munt werd in alle Nederlandse gewesten en in vele delen van
Duitseland nagebootst. Ook door Antonie van Bourgondië (1406-1415). Op de
voorzijde is een zittende leeuw afgebeeld met een grote helm op zijn kop. Die
lijkt op een "pot". daaraan zou de munt zijn naam hebben ontleend. De
waarde was een stuiver.
Bourgondische gulden:
Ook wel "Andriesgulden",
gouden munt met de afbeelding van Sint-Andries. Geslagen in de Bourgondische
Nederlanden tussen 1474-1491 en 1567-1571.
Bourgondische rijksdaalder:
Zilveren munt van de Nederlanden, geslagen van 1567 tot 1571. De Bourgondische
Nederlanden hadden toen hetzelfde muntstelsel als het Duitse Rijk. De beeldenaar
was een Bourgondisch stokkenkruis met vuurslag. Later werd de munt in de
Noordelijke Nederlanden weer aangemunt onder de naam kruisrijksdaalder
(1584 -1591).
Braspenning:
Zilveren munt van oorspronkelijk 2 en later 2,5 groot, voor het eerst geslagen
door Jan zonder Vrees (1404 - 1419) in Vlaanderen in 1409. Munten van de zelfde
waarde kregen later ook de naam braspenning. Aan het einden van de 16e eeuw was
het een rekeneenheid van dezelfde waarde.
Carolusgulden:
Gouden (ook zilveren) munt van Karel V (Keizer Karel). het goudstuk had een
gewicht van 2,91gr, gehalte van slechts 0,583%(14 karaat). De zilveren
carolusgulden werd in 1540 ingevoerd met een gewicht van 22,85gr. en een gehalte
van 0,833%.
Drielander:
Dit is een dubbele groot, geslagen door hertog Jan IV van Brabant (1415 - 1427).
Hij liet de munt slaan na zijn huwelijk met Jacoba van Beieren in Brabant,
Holland en Henegouwen. Daaraan ontleende ook de munt haar naam. De munt droeg
overal dezelfde beeldenaar en had dezelfde gehalte en gewicht.
Dukaat:
Zowel in goud en zilver geslagen. Afkomstig uit Venetië (einde 13e eeuw), nadien overal nagebootst, ook
veelvuldig gebruikt in de Nederlanden. Bleef lang het voornaamste goudstuk in de
verenigde Republiek.
Dukaton: Zilveren
munt met een waarde van 3 gulden en een gewicht van 32,48gr., gehalte 0,944%
fijn zilver, uitgegeven in 1618 met de borstbeelden van Albrecht en Isabella.
Later ook geslagen door Philips IV en Karel II. Omstreeks het midden van de 17e
eeuw beheerste de Zuid-Nederlandse dukaton ook de geldcirculatie in de
Noordelijke Nederlanden. Dat werd ongaarne gezien, zodat de Republiek de
Verenigde Nederlanden in 1659 een munt uitgaf met een gewicht van 32,574gr. en
0,935% fijn zilver onder de naam "zilveren rijder". Het volk bleef
deze munt echter "dukaton" noemen.
Escalin of schelling:
Munt van 6 stuiver van de Zuidelijke Nederlanden. Naast hele escalins werden er
ook dubbele escalins aangemunt.
Frank:
Franse gouden munt, in omloop sedert 1360 door Jan II de Goede (1350 - 1364). Geïmiteerd in de Nederlanden in
diverse presentaties (franc à cheval, franc à pied).
Florijn:
Andere benaming voor de gouden (ook nog wel voor de zilveren) gulden. De florijn
werd voor het eerst in omloop gebracht in Florence.
Gouden helm:
Vlaamse gouden munt, ingevoerd door Lodewijk van Male (1346 - 1384) met een
gewicht van 6,7 gram. Ook werden er 1/3 gouden helm-stukken met een gewicht van
2,32 gram uitgegeven. Ook Jan zonder Vrees (1405 - 1419) en Filips de Goede
(1419 - 1467) lieten Gouden helmen slaan.
Gouden lam:
geliefde Franse gouden munt, die in de Nederlanden op grote schaal geïmiteerd
werd. Deze muntsoort werd in 1355 ingevoerd. In de verschillende Nederlandse
gewesten werden ook dubbele gouden lammen vervaardigd, echter niet in Frankrijk.
Gouden leeuw:
Voor Vlaanderen ingevoerd door Lodewijk van Male in 1365. Filips de Goede gaf
een gouden leeuw uit in 1454 voor Bourgondische Nederlanden, geslagen tot 1461.
De waarde was 30 stuiver, gehalte 958/1000, gewicht 4,25 gram. De Republiek der
Verenigde Belgische Staten gaf in 1790 een gouden leeuw uit met een warde van 14
Brabantse guldens.
Gouden vlies of toison d'or:
Gouden munt ingesteld in 1496 door Filips de Schone (1494-1506), waarde 50
stuivers. De munt werd genoemd naar het Gulden Vlies, dat er op werd afgebeeld.
Ook Karel V (1506 - 1555) sloeg deze munt. Deze was in omloop van 1496 tot 1521.
het gehalte was 992/1000, het gewicht 4,51 gram.
griffoen:
Munt met de afbeelding van een griffioen (een gevleugeld fabeldier met
het lichaam van een leeuw en de kop van een vogel). Geslagen in
de Bourgondische Nederlanden tijdens de 15e eeuw. Er waren ook naast hele ook
dubbele griffieonen.
Korte: Munt
ter waarde van 2 mijten, waarop een kort kruis voorkomt in tegenstelling tot
munten met een lang kruis. Ze werden geslagen sinds het midden van de 14e eeuw
in Vlaanderen; in de 15e en 16e eeuw ook in andere Bourgondische gewesten.
Aanvankelijk zilveren munten met een laag gehalte, na 1543 van koper.
Kromstaart:
Vlaamse zilveren munt ter waarde van twee groot, geslagen vanaf 1416 tijdens de
regering van Jan zonder Vrees (1405-1419). De munt dankt zijn naam aan de
klimmende leeuw met een kromme staart.
Kroon:
Zilvere munt, Oorspronkelijk in Frankrijk in omloop, nadien bij ons geïmiteerd.
Meestal met wapenschild en kroon.
Mouton d'or:
Ook wel gouden schaap of lam, gouden munt met afbeelding van een lam of schaap.
Ook
Nobel:
Engels munttype, bij ons nagemaakt en ook in de Verenigde Provinciën vrij veel
in omloop. De benamingen "rozenobel" en "Henricusnobel"
slaan op hetzelfde type.
Patagon:
grote zilveren munt van de Zuidelijke Nederlanden, geslagen sedert 1612 en
gangbaar voor 48 stuivers. De munt weegt 28,10 gram en is 875/1000 fijn van
gehalte. Ingevoerd tijdens de regering van Albrecht & Isabella (1598-1621).
zij worden ook wel Albertusdaalder genoemd. Op de voorzijde staat het
Andreaskruis met een Bourgondisch monogram. Op de keerzijde het gekroonde
Bourgondische wapenschild omhangen met de orde van het Gulden Vlies. Naast hele
zijn er ook halve en vierde patagons. Voor het laatst geslagen tijdens de
regering van Karel III (1703 - 1711) in 1711 te Antwerpen (voor Brabant).
Patard:
Benaming voor de stuiver in de Zuidelijke Nederlanden.
Philipsdaalder:
Zilveren munt van de Bourgondische Nederlanden met het borstbeeld van Philips II
(1555-1598), ingevoerd in 1557; De munt weegt 34,27gr. is 833/1000 fijn zilver
en was gangbaar voor 35 en later 50 stuiver. Behalve hele werden er ook 1/2,
1/5, 1/10, 1/20 (stoter) en 1/40 (braspenning) daalders vervaardigd.
Pieter:
Gouden munt van het hertogdom Brabant. De naam is ontleend aan de heilige St.Pieter,
die op deze munt is afgebeeld. De munt werd ingevoerd rond 1370, tijdens de
regering van Jeanne en Wenceslas (1355 - 1383). Ook werden deze munten
vervaardigd door Philips van St.Pol (1427 - 1430) te Leuven en door Philips de
Goede (1430 - 1467) te Leuven en Zevenbergen.
Reaal:
Gouden munt geslagen in 1487 onder Filips de Schone, maar ook , in een andere
vorm en met een bescheidener gewicht, onder Karel V en Filips II. Er zijn ook
zilveren realen in omloop geweest.
Rijder: Vrij
veel gebruikte benaming o.a. voor de 14e eeuwse gouden franc, maar ook voor een
Bourgondische goudstuk van 24 stuivers, voor een gouden munt geslagen in de
provincies Gelderland, Overijssel en Friesland 1581-1599 en voor een gouden munt
van de republiek der Verenigde Nederlanden. Gelderland Friesland en Republiek
kenden ook zilveren rijders.
Schuitken:
volksbenaming voor de halve gouden Bourgondische nobel, geslagen in 1488 tijdens
de regering van Philips de schone (1482 - 1506) en afkomstig uit Brabant,
Gelderland en Holland. deze munten wegen 3,4 gram, zijn vervaardigd van 952/1000
fijn goud en waren gangbeer voor 3 gulden en 12 stuiver.
Statendaalder:
Zilveren munt geslagen tussen 1577-1579, op last van de Staten-Generaal, gewicht
30,47gr. vervaardigd van 750/1000 fijn zilver en gangbaar voor 32 stuiver. Op de
voorzijde een wat schematische afbeelding van Philips II. Deze muntsoort werd
geslagen door Brabant (Antwerpen,Maastricht en Brussel, Doornik).
Schild:
imitatie in de nederlanden van de Franse "écu"
Soeverein:
Deze benaming wordt vooral gebruikt voor de gouden munt van 6 gulden geslagen in
de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden vanaf 1612. Gewicht 11,08gr., gehalte
0,947%. er bestonden ook dubbele, 1/3 en 2/3 soevereinen. Ze zijn geslagen tot
1798. De soeverein was een imitatie van de Engelse sovereign.
Vlieger: Is
de naam van een 4-stuiverstuk van Karel V (1505 - 1555) waarop de rijksadelaar
voorkomt. De populaire benaming voor deze munt was ook wel
"krabbelaar".
Zonnekroon:
De naam werd ontleend aan de zon die boven de kroon was geplaatst. Karel V (1506
- 1555) gaf in1540 de zonekroon uit. Deze was bijna identiek aan de Franse. Hij
werd tot 1555 geslagen door de Zuidelijke en noordelijke Nederlanden en was
gangbaar voor 42 stuiver. Het goudgehalte was 929/100 en het gewicht 3,41
gram.
Woordenlijst van A tot Z
|
Woordenlijst
|
Betekenis
en uitleg
|
|
|
|
|
Aangetast
|
Heel kleine putjes in de
munt, meestal bij munten die uit de grond komen.
|
|
Aanmunten
|
Metalen schijfje, het
muntplaatje, te slaan met een heel hard metaalblok waarop graveersels
worden aangebracht. Vroeger werd een moker gebruikt, enkele eeuwen
geleden verbeterd door de schroefpers, vanaf heden met "in de
muntring"
|
|
Gehalte
|
De betrekkelijke hoeveelheid
van een bestanddeel in een of andere mengsel.
|
|
Gekroond
of Gelauwerd
|
Hoofd
dat een kroon draagt van gesmeed goud of lauwerbladeren.
|
|
Graveursnaam
|
De
naam van de graveur op een munt, graveur staat altijd op de munt
vermeld.
|
|
Halssnede
|
De
plaats waar de hals wordt afgesneden van een afgebeeld hoofd, daaronder
bevindt zich meestal de graveursnaam.
|
|
Incuus
|
De
voorzijde is normaal afgebeeld, de keerzijde hetzelfde beeltenis
als de voorzijde maar in spiegelbeeld Waarom? een munt is blijven
liggen in de muntring en het volgend muntplaatje is er bovenop gevallen.
Met andere woorden de zijde van de eerste munt staat afgebeeld op de
tweede munt.
|
|
Kartelrand
|
De
rand van de munt is gekarteld.
|
|
Keerzijde
|
De
andere zijde van de munt. Keerzijde is meestal de kant met de waarde.
|
|
Kwartslag
|
Munt
waarvan de keerzijde gedeeltelijk verdraaid staat t.o.v. voorzijde.
|
|
Listel
|
Verheven
boord van een munt, die het snel slijten tegen gaat.
|
|
Lot
|
Hoeveelheid
munten te samen, dit kan ook bv. een volledige reeks zijn van een
bepaald type munt.
|
|
Maillechort
|
Legering
van koper, nikkel en zink. Ook wel eens Nieuw zilver, Argentaan of
Alpaca genoemd.
|
|
Medailleslag
|
Als
u de munt met de voorzijde leesbaar voor u legt en zijdelinks draait,
dan is de keerzijde ook leesbaar.
|
|
Misslag
|
Afwijking
van een bepaald munt.
|
|
Muntenset
|
Verschillende
munten samen gebracht in één gesloten verpakking. De officiële
uitgaven van jaarlijkse sets worden uitgegeven door de Rijksmunt te
Utrecht.
|
|
Muntplaat
|
Een
metalen schijfje waarop de graveersels worden aangebracht.
|
|
Muntslag
|
Als u de munt met de voorzijde
leesbaar voor u legt en zijdelinks draait, dan staat de tekst op de munt
omgedraaid. |
|
Naslag
|
Munten herslaan van een
bepaald type en/of jaartal na de officiële aanmunting. Met andere
woorden een naslag is veel later aangemaakt dan het jaartal op de munt
zelf, in sommige landen werden jaartallen geslagen die in de tijd niet
werden aangemaakt. |
|
Noodmunten
|
Door
te weinig geld in omloop tijdens de oorlog kregen steden de toestemming
om zelf munten te slaan. deze munten worden noodmunten genoemd.
|
|
Numismaat
|
Munten
en/of Penning kenner of een verzamelaar.
|
|
Numismatiek
|
De
kennis en het onderzoek van munten en penningen uit geschiedkundig
oogpunt.
|
|
Ontmunting
|
Munten
die uit de handel worden genomen, en ongeldig worden gemaakt.
|
|
Overslag
|
Bij
sommige munten is door gebruik van een andere stempel een jaartal over
een al bestaande munt heen geslagen.
|
|
Penning
|
Munt
zonder betaalwaarde.
|
|
Positie
a en b
|
Houd
de munt met de waarde naar boven, daaarna de munt recht voor het oog. Is
het randschrift leesbaar gaat het om positie A, is het randschrift NIET
leesbaar gaat het om positie B.
|
|
Proofset
|
Verschillende
munten in hoogst mogelijke kwaliteit (PROOF) samen gebracht in één
gesloten verpakking. De officiële uitgaven van jaarlijkse proofsets
worden uitgegeven door Rijksmunt te Utrecht.
|
|
Proefslag
|
Munten
aangemaakt als proefstuk. Soms vermeld op de munt als "essai"
|
|
R.
|
Zeldzaam
|
|
R.R.
|
Zeer
Zeldzaam
|
|
R.R.R.
|
Uiterst
Zeldzaam
|
|
R.R.R.R.
|
Uniek
in zijn soort
|
|
Rand
|
Vlak
dat overeenstemt met de dikte van het stuk.
|
|
Randschrift
|
De tekst die op de rand
van een munt staat. Ook wel eens inschrift genoemd. |
|
S
|
Schaars
|
|
Slagaantal
|
Aantal
aangemaakte munten van een bepaald jaartal.
|
|
Stempelglans
|
De
originele glans van een munt.
|
|
Variant
|
Afwijking
van een bepaald munt.
|
|
Voorzijde
|
Deze zijde toont meestal
het hoofdonderwerp van het stuk aan. bv. hoofd, leeuw enz.... |
|
Zinkziekte
|
Witte
plekken op een zinken munt. Indien uw zinken munt de zinkziekte vertoont
verwijder ze dan van uw andere zinken munten. De zinkziekte gaat nooit
meer weg en tast de andere zinken munten ook aan.
|
Gids voor
muntverzamelaars
©copyright 2000,-'02 Beirnaert Rudy
Alle rechten voorbehouden.