|
|
|
|
Sinds de laatste keer dat ik mijn dagboek heb bijgewerkt, hebben we de wacht van 4-8 uur gedaan. De eerste paar dagen gingen vrij rustig, maar met name de laatste twee dagen waren enorm druk, omdat er tijdens onze wacht van alles en nog wat gebeurde.
Gisteren ochtend (3 april) sloeg het weer om moesten we één voor één alle zeilen binnenhalen, omdat de wind het liet afweten. Om een uur of zeven werd de motor aangezet, omdat we voor het donker het eiland Henderson (deel van Pitcairn) wilde bereiken. Het is een onbewoond eiland, alhoewel de bewoners van Pitcairn er regelmatig komen om hout te hakken. Op dat tijdstip was het nog niet duidelijk of we op dat eiland mochten landen, maar later die dag kwam vanuit Nieuw Zeeland toestemming om daar aan land te gaan, maar we moesten wel op het strand blijven.
Eénmaal daar aangekomen ging een groep met behulp van een zodiac (rubberboot) een landingsplaats zoeken, maar slaagde daar niet in, waarschijnlijk omdat het tij niet erg gunstig was. Landen schijnt sowieso lastig te zijn, en de mensen van Pitcairn gebruiken gewoonlijk een ruwe methode waarbij hun boten het koraal schrapen.
Net nadat we besloten hadden om koers richting Pitcairn te zetten, brak er iets in het stuurmechanisme, en moesten we inprovisorisch sturen m.b.v. touwen, terwijl de boordwerktuigkundige m.b.v. enkele andere personen, waaronder ondergetekende, het stuurmechanisme probeerden te repareren, wat na een uur of twee slaagde.
Omdat we vanochtend om 4 uur nog steeds motor-voortgedreven voeren, was het de beurt van Kirsten en ik om uit te slapen tot 6 uur i.p.v. 4 uur. Om een uur of 5 kwam de wind weer opzetten en dus werden de zeilen weer bijgezet door in totaal 5 personen, die in alle commotie vergaten mij en Kirsten tijdig te wekken. Dus om kwart over zes stonden we aan dek, druk bezig de zeilen in gereedheid te brengen. Tegen een uur of acht waren we daarmee zo goed als klaar, slechts twee zeilen overlaten voor de volgende wacht. En omdat we nu goede wind hebben, gaan we zo'n 6 knopen (11 km/h), een snelheid die we in geen dagen gehaald hebben.
Vanochtend rond een uur of negen hebben we voor het eerst Pitcairn aan de horizon gezien en radiocontact gehad. Schijnbaar zijn de personen die we hoopten aan te treffen niet op het eiland, maar we hebben al het bericht gekregen dat ze ons waarschijnlijk kunnen onderbrengen.
Pitcairn is een ietwat bijzonder eiland door haar geïsoleerde ligging. Er kunnen geen vliegtuigen landen, en slechts ongeveer 3 keer per jaar komt er een schip langs. Eén van de gevolgen hiervan is dat er geen hotels zijn, en de schaarse bezoekers worden dus bij families ondergebracht. Gezien de lage bezoekfrequentie zijn deze mensen uiteraard blij om nieuwe gezichten te zien en dus erg gastvrij, alhoewel we dit alleen nog van horen zeggen hebben.
Een ander aspect van de isolatie is dat de economie op Picairn niet op geld gebaseerd is, en dat ruilhandel de meer normale gang van zaken is. Uiteraard hebben deze mensen wel geld nodig voor handel met de buitenwereld en daarom verdienen ze wat bij met onder andere de verkoop van postzegels en eerste-dag enveloppen, die schijnbaar erg gewild zijn. Mocht je dus een ansichtkaart van mij uit Pitcairn ontvangen, dan heb je iets unieks in handen! Overigens zullen we zelf als postschip moeten dienen en de ansichtkaarten posten in Frans Polynesië. We zijn benieuwd wat we hier aan zullen treffen.
Het is al bijna weer een week geleden dat ik voor het laatst in dit dagboek schreef. Dit keer is er een lange tijd verstreken omdat Kirsten en ik nu in de zogenaamde "Dagwacht" zitten, die overdag niet veel vrije tijd over laat, maar daarover later meer.
Pitcairn ligt inmiddels al weer enkele honderden zeemijlen achter ons en mag wel een bijzondere belevenis genoemd worden, vooral in sociaal opzicht. Zoals eerder gemeld, zagen we Picairn voor het eerst aan de horizon op 4 april vroeg in de ochtend. Zo rond het middaguur kwamen we daar aan en nadat we voor anker waren gegaan, kwam een grote groep eilanders in een zogenaamde "longboat" naar ons toe gevaren. Vervolgens was het één grote hectische bende aan dek: mensen die zich aan elkaar voorstelden en gesprekken aanknoopten, met als hoofdonderwerp de plaats waar wij vandaan kwamen. Het bleek dat er naast geboren en getogen Pitcairners ook een aantal vreemdelingen, al dan niet tijdelijk, op het eiland woonden. Zo trofffen we een Amerikaanse antropoloog, een Oostenrijker en een behoorlijk irritant lachende Amerikaanse trut aan. Gelukkig zagen we haar niet eerder terug dan voor ons vertrek.
Degenen die aan land wilden verblijven konden met de longboat terug naar land en de meesten onder ons grepen deze kans. Eenmaal aan land werden we verdeeld over de families, want hotels op het eiland ontbreken gezien het geringe aantal bezoekers elk jaar. Kirsten en ik werden ondergebracht bij Steve en Olive Christian, een gastvrij echtpaar met een groot huis op een heuvel. Op dit eiland zijn de taken verdeeld en dus is Steve zowel burgemeester, tandarts en bestuurder van de longboat. Olive is de officiële penningmeester, met instemming van de gouveneur in Nieuw Zeeland. Hoe dan ook, ze waren enorm gastvrij en we konden in hun huis zoveel mogelijk ons eigen gang gaan, wat in het begin even wennen was, want je gaat niet zomaar in iemand koelkast zitten graaien. Een ander aspect dat ons allemaal erg ongemakkelijk zat, was dat deze mensen geen betaling voor dit alles wilden.
Die middag hebben we wat rondgewandeld in het dorpje en met wat mensen gesproken. Stuk voor stuk bijzonder vriendelijke mensen, zonder opdringerig te worden. 's Avonds serveerde Olive ons een heerlijke maaltijd met kip, verse komkommer/tomaat salade en zelfgebakken brood. Daarna veel kletsen met onze gastheer en -vrouw en met Jamie, een jonge Amerikaanse antropoloog die sinds oktober op Pitcairn verblijft om de levensvatbaarheid van deze kleine samenleving te onderzoeken. De daaropvolgende dagen zou hij toch één van de meest interessante informatiebronnen worden, omdat hij als buitenstaander zaken vanuit een ander perspectief bekijkt.
De volgende dag waren we al redelijk vroeg op en na het ontbijt zijn we naar het postkantoor gegaan om postzegels te kopen voor de ansichtkaarten die we de avond daarvoor bij Steve en Olive hadden gekocht. Het verzenden van post vanuit Pitcairn wordt gesubsidiëerd vanwege de geïsoleerde ligging, en dus betaal je slechts ongeveer een gulden per ansichtkaart. Voor de mensen thuis overigens: postzegels van Pitcairn zijn zeer geliefd bij verzamelaars, want zeldzaam, dus niet weggooien die kaarten! Bij het postkantoor kwamen we ook veel van onze reisgenoten tegen, en iedereen was zeer uitgelaten over de gastvrijheid van deze mensen.
Die middag liepen we weer wat rond in de omgeving van het dorp. We bezochten o.a. de begraafplaats, die er nogal slecht onderhouden uitzag en zelfs recente graven waren aan een onderhoudsbeurt toe. Mogelijk is de slechte toestand toe te schrijven aan het feit dat vele nabestaanden geëmigreerd zijn en dus niet meer voor de graven kunnen zorgen. Op een ander locatie bezochten we het graf van ene John Adams, één van de muiters op de Bounty en de enige van die groep die niet door onderling geweld om het leven is gekomen. Het schijnt dat deze man min of meer de richting heeft aangegeven waarin zich de levenstijl van de Picairners heeft ontwikkeld.
Al lopende over het eiland kwamen ontdekten we ook een zeer gevarieerde flora met o.a. palmbomen, bamboe, een verscheidenheid aan bloemen etc. Het geheel is nogal dichtbegroeid, dus je kunt hier niet zomaar het bos inlopen.
Bij onze terugkomst bij het huis van Steve en Olive bleek dat enkele vaste bemanningsleden daar ook hun onderdak hadden gevonden. We waren enkelen van hen die middag al tegengekomen en zij vertelden ons dat ze ruim een dag vrij hadden. De teleurstelling was dan ook groot toen de volgende ochtend het bericht kwam dat alle vaste bemanningsleden aan land zich weer om 9 uur aan boord moesten begeven: de zee was die nacht zo ruw geweest dat de nog aan boord aanwezige bemanning geen oog had dichtgedaan, de hele nacht wacht had gelopen om klaar te staan in het geval het anker het zou begeven. Voor ons had dit tot gevolg dat we ons die middag weer aan boord moesten melden, i.p.v. de volgende dag (zaterdag 7 april). Dus namen we die dag nog de gelegenheid om naar een bepaalde grot te klimmen (waar de muiters van de Bounty schuilden wanneer er een schip aan de horizon verscheen) en naar een bepaald hoog punt met een schittereend uitzicht.
Ook kochten we die dag het één en ander aan houtsnijwerk. Persoonlijk vond ik het houtsnijwerk hier mooier dan op Paaseiland, en het was bovendien goedkoper, dus kochten we meteen het eiland leeg.
Om een uur of vier werden we door de locale longboat weer aan boord van het schip gebracht en de zee was inderdaad een sruk ruwer dan toen we aan land gingen: overstappen van de longboat op het schip was ronduit gevaarlijk te noemen en het schip liep hierbij ook enkele beschadigingen op. Gelukkig raakte niemand gewond of erger.
Nu we koers hebben gezet richting de Marquesas eiland (deel uitmakend van Frans Polynesië), zitten we ook weer in een nieuwe wacht. Dit keer is dit de zogenaamde dagwacht, die overdag beschikbaar is om allerlei klusjes te doen, zoals afwassen en de vloer schoonmaken. Op zich is dit niet zo erg, maar na enkele dagen heb ik nu wel het gevoel dat mijn activiteiten weinig meer met zeilen te maken hebben. Ik heb mezelf dan ook al enige malen met succes 's middags vrijaf gegeven; immers, niets is verplicht! Er zijn in deze wacht ook enkele Britten die deze wacht niet zien zitten, maar slechts één persoon beklaagt zich openlijk, maar doet uiteindelijk toch gewoon wat hem gevraagd wordt.
Morgen moet onze wacht de avondmaaltijd bereiden. In ons eerste gesprek hierover kreeg ik de indruk dat de drie Britten onder ons naar een echt Britse maaltijd snakten, waar ik weer weinig trek in had, omdat ik al twee maanden lang tegen een Britse ontbijttafel aankijk: achtentachtig soorten Marmite (één of ander gistbrouwsel dat in Nederland waarschijnlijk nooit afzet zal vinden), enkele jams en "cereals" zoals muesli en cornflakes. Een ander aspect van de gemiddelde Britse maaltijd is dat deze niet bereid worden met zout, kruiden en specerijen, althans niet in die mate zoals in Nederland gebruikelijk is. Deze gewoonte strekt zich soms uit tot niet-Britse maaltijden, waardoor het soms aan de flauwe kant is. Hoe dan ook, één van ons kwam op het idee om iets met kip en mosterd te doen, dus wat hartigheid betreft kan dit nauwelijks mis gaan. Verder zal de maaltijd weer vergezeld gaan van een thema: souveniers, dus je moet met souveniers of als souvenier aan tafel verschijnen. Gelukkig mag ieder thema redelijk vrij geïnterpreteerd worden!
Gelet het feit dat het alweer twee weken geleden is dat ik in dit dagboek schreef, zou je haast zeggen dat er niets is gebeurd in al die tijd. Integendeel echter, er is een hele hoop gebeurd, dus er was niet bepaald veel tijd om alles op te schrijven, en bovendien zitten Kirsten en ik weer eens in de wacht van 12 tot 4 uur, m.a.w. de slechte wacht, waarbij je aan weinig anders dan wacht lopen, slapen en eten toekomt.
Laat in de middag van 15 april kwamen we aan bij het eiland Fatu Hiva, onderdeel van de Marquesas eilanden in Frans Polynesië. We konden hier niet aan land vanwege nog af te handelen douaneformaliteiten, maar we spraken al wel met enige lokale bewoners, die met hun kano naar ons schip kwamen geroeid. We gingen hier voornamelijk voor anker om wat tijd te doden, want het was Eerste Paasdag, en dan valt er in Frans Polynesië weinig te doen. Pas de volgende dag zetten we koers naar het hoofdeiland van de zuidelijke eilanden in de Marquesas, genaamd Hiva Oa. We kwamen daar laat in de middag aan, maar gingen pas de volgende dag aan land omdat vanwege Tweede Paasdag alles dicht was er dus niets te beleven.
Toen we op 17 april dus eindelijk aan land gingen, werden we bevangen door een enorme hitte, maar gelukkig zijn de mensen op Hiva Oa zeer vriendelijk en boden ze ons een lift aan, zodat we niet hoefden te lopen naar het dorp Atuona. Onze eerste bestemming was de bank om geld op te nemen, en de airco daar maakte het lange wachten meer dan goed. Kirsten slaagde er niet in om geld op te nemen met haar Visa kaart, die later geblokkeerd bleek te zijn. In de twee jaar dat wij nu samen zijn, is dit al zo vaak gebeurd, om de simpele reden dat Visa het verdacht vindt dat de kaart opeens gebruikt wordt in landen als de V.S., Panama, Paaseiland en Frans Polynesië. Ondanks het feit dat ze dit keer saldo op haar kaart heeft gezet en voor vertrek uit Nederland heeft opgebeld met de melding dat we een halve wereldreis gaan maken en of ze alsjeblieft niet bij elke transactie de rekening willen blokkeren. Maar dat is in deze tijd van geautomatiseerde processen niet mogelijk.
Na het bankbezoek ging Kirsten terug naar het schip om onze bagage op te halen, terwijl ik op zoek ging naar een kamer voor twee nachten. Dat was binnen een poep en een scheet geregeld, en dus had ik tijd om naar de plaatselijke begraafplaats te lopen (klimmen is eigenlijk een beter woord) om een bezoek te brengen aan het graf van niemand minder dan Jacques Brel. Een andere "beroemdheid" die hier zijn laatste dagen sleet, was de Franse schilder Paul Gauguin.
Om een uur of twee begaven Kirsten en ik ons naar ons pension: een eenvoudige kamer met gemeenschappelijke badkamer en keuken. Gelukkig waren er geen andere gasten, dus de voorzieningen hoefden we niet te delen. En na een stevige koude douche gingen we naar een restaurant om een hapje te eten.
Op de 18e gingen we op een tour over het eiland. Vierwiel-aangedreven auto's reden ons langs ijzingwekkende afgronden (auto's zijn hier alleen te huur met chauffeur) langs een aantal mooie uitkijkplaatsen en archeologische opgravingen. Onze gids was behoorlijk goed en had veel te vertellen dat goed doorspekt was met humor ("De Tahitianen noemen ons kannibalen, maar wees gerust, ik heb al ontbeten!"). Aan de andere kant van het eiland had de gids voor enkelen onder ons een lunch geregeld. Sommigen maakten hier geen gebruik van, wat achteraf jammer was, want het bleek de enige kans op een authentieke Marquesas maaltijd, die erg lekker en gevarieerd was. De Marquesianen (of hoe ze ook mogen heten) hebben de hoofdmaaltijd tijdens de lunch en eten dan zeer uitgebreid. Er was behoorlijk veel over, en gezien de kwaliteit van al het goeds was het jammer dat we niet om een doggy-bag konden vragen. Na de lunch verplaatsten we ons naar het strand, waar we een uurtje konden zwemmen. Dat liet ik dit keer voorbijgaan, want het zeewater is hier extreem zout. Toen we arriveerden bij Hiva Oa had ik een half uurtje gezwommen, maar drie uur later droop mijn neus nog steeds!
Die avond gingen Kirsten en ik het dorp in om wat te eten, maar het was om half 7 al volledig uitgestorven, dus aten we maar een boterham in ons pension. De volgende ochtend naar vlug even douchen en weer terug naar het schip.
Onze volgende stop was het eiland Tahuata, dat pal naast Hiva Oa ligt. Hier gingen we om een uur of vijf voor anker in een baai bij het hoofddorp van dit eiland, Vaitahu, waar we de volgende ochtend aan land. Hier was niet bijzonder veel te doen of te zien, alhoewel de kerk bijzonder mooi is. Deze is gefinancieerd door het Vaticaan en is met name architectonisch en artistiek interessant. Het glas-in-lood is een combinatie van westers en Polynesisch motief, waarbij Maria het kind Jezus in haar handen aanbiedend vast houdt. Of hier een relatie is met de oorspronkelijke traditie van de Marquesanen om kindoffers te brengen, is niet duidelijk.
Op dit eiland zijn er ook een paar tattoo-artiesten, dus drie mensen namen hier hun eerste Polynesische tattoeage. Ik overwoog zelf ook nog even een tattoo, maar we moesten alweer op weg naar het volgende eiland, Ua Pou, in de noordelijke groep, waar we voor anker gingen in een baai zonder dorp of stad. We brachten hier één dag door, sommigen gingen aan land, maar ik maakte er een rustige dag van.
Hierna zeilden we naar het eiland Nuku Hiva, het hoofdeiland van de Marquesas. Zoals gewoonlijk kwamen we laat in de middag aan, dus meer dan een snelle verkenning aan land zat er niet in. Bovendien was het zondag, alles was dicht, we vonden alleen één winkel waar we een ijsje konden kopen. Wel kwamen regelmatig mensen op ons afgelopen die ons aanbiedingen deden voor rondleidingen over het eiland. Er was één figuur, genaamd Andy, die bij velen van ons in de smaak viel omdat hij met name genoemd werd in de Lonely Planet gids, maar op mij maakte hij geen bijzondere indruk. De volgende dag bleek mijn verwachting dat deze man geen echte gids is uit te komen: hij bracht ons naar alle archeologische plekken en mooie uitkijkplaatsen, maar wist daarover niets of weinig te vertellen. Nogal een contrast met de gids op Hiva Oa, die er echt werk van maakte.
Alhoewel er schijnbaar redelijk goede restaurants op Nuku Hiva zijn, roemde de Lonely Planet gids ook de plaatselijke pizzeria, en als je twee-en-een-halve maand geen junkfood hebt gehad, dan wil je wel een keertje zondigen. Vanochtend e-mails verzonden, het uploaden van de web site wilde om één of andere reden maar niet lukken. Een ander probleem is dat we hier geen vers drinkwater en benzine kunnen krijgen. Voor de benzine zullen we terug moeten naar Ua Pou, vers drinkwater is hier nergens te krijgen. De kapitein heeft daarom besloten om de watermaker dan maar 24 uur per dag aan te zetten.
We zijn nu nog steeds bij Nuku Hiva, maar liggen nu in een andere baai, die toegang geeft tot een grote waterval. Een respectabel aantal mensen aan boord nam de gelegenheid om twee uur te lopen naar de waterval 15 minuten daar te zijn en vervolgens weer twee uur terug te lopen, en dat alles terwijl het voortdurende regende, het stikte van de muggen en ze bovendien hele stukken tot aan hun borst door het water moesten waden. Ik ben blij dat ik niet gegaan ben, want die waterval krijg ik vroeg of laat ook wel te zien op Discovery Channel op National Geographic ;-)
Terwijl Nederland Koninginnedag viert, hebben wij een ontspannen tijd in de lagune van het atol Apataki. M.a.w., na vier dagen van stevig doorzeilen zijn we aangekomen in de Tuamotus, een gebied vol met atollen dat zich uitstrekt over meer dan 1600 km. Het is lastig uit te leggen wat een atol precies is, maar stel je een eiland voor dat een binnenzee heeft, terwijl het land een cirkel vormt dat een grote doorsnee kan hebben (tot meer dan 100 km), terwijl het land dat de cirkel vormt vaak maar enige honderden meters breed is. De binnenzee of lagune, is zout zeewater, maar omdat het bescherm is door het atol, is het minder onderhevig aan de invloeden van golven dan de zee buiten het atol. Omdat het relatief ondiep is, soms maar enkele meters, zijn ze ideaal om te snorkelen of duiken.
Errgisteren, 28 april, zijn we de lagune ingevaren en liggen nu voor anker. Een kleine groep mensen is die avond aan wal gegaan om de situatie te verkennen, maar ik kan niet echt zeggen dat ze met spectaculaire verhalen zijn teruggekomen, behalve dan dan er veel muggen zijn. Die avond hadden we weer een verkleedpartij tijdens het avondmaal, en omdat er pittige Chili Con Carne op het menu stond, was het thema "Hot As Hell". Veel mensen lieten zich vooral door het woord "Hell" inspireren, maar aangezien het op het schip behoorlijk benauwd kan worden wanneer de ventilator in je cabine het begeeft (en de boordwerltuigkundige heeft al vele dagen verspilt met de reparaties ervan), vond ik het wel toepasselijk om met een defecte ventilator om mijn nek rond te lopen. En uiteraard waren er ook een paar figuren die zich niet konden inhouden en kinky gedrag moesten vertonen!
Gisteren konden hadden we de mogelijkheid tot snorkelen en aan land te gaan. Daar het land mij niet al te spectaculair leek en ik de muggen meer dan zat ben, koos ik ervoor om alleen te gaan snorkelen. Wederom is het jammer dat ik geen onderwatercamera bij me had, want het is werkelijk schitterend wat je ziet: vissen in allekleuren, vormen en maten, en hetzelfde geldt voor het koraal. Meer kun je er eigenlijk niet over vertellen, je zou het zelf moeten zien. Gisterenavond was er een beach barbecue voor degenen die de muggen wensten te trotseren, maar ik was niet één van hen.
Vanochtend is de laatste mogelijkheid om te snorkelen of aan land te gaan, maar sinds 5 uur vanochtend regent het, dus ben ik nu dit dagboek aan het bijwerken. Wanneer we voor anker liggen slaap ik meestal in mijn hangmat op dek omdat er beneden in de hut zo goed als geen ventilatie is. Gelukkig ging ik gisteren al om een uur of 9 slapen, dus toen het begon te regenen was ik zo goed als uitgeslapen. Wellicht dat ik nog een tukkie doe voordat we vertrekken naar het grootste atol van de Tuamotus, genaamd Rangiroa.