|
|
ONZE VADER Onze Vader in de hemel maak uw naam niet vogelvrij laat Uw koninkrijk niet breken op de mensen en op mij dat wij Uwe wil niet buigen naar de norm van ons verstand houd in hemel en op aarde alles in Uw Vaderhand. Geef wat leeft in heel de schepping daag'lijks wat het nodig heeft en leer ons elkaar vergeven zoals Gij de schuld vergeeft Red ons uit de macht van 't kwade die ons lokt met valse schijn om opnieuw tot slaaf te maken die Uw vrijgekochten zijn. Want alleen waar Gij regeert kan een rijk van vrede komen door Uw kracht die verder reikt dan raketten en atomen. Laat Uw glans en heerlijkheid 't rijk der duisternis beschamen opdat tot in de eeuwigheid aller tong U prijze. Amen. M.E. Bunk - v.d. Heiden
|
|
|
|
|
|
|
|
GEHANDICAPT Ze zingen stralend in de kerk, gehandicapt, maar niet voor Hem, die luisterd naar hun blijde stem, want in hun eenvoud zijn ze sterk. Ze zingen van de nieuwe aarde, waar niets meer onvolmaakt zal zijn; en onze wijsheid wordt zo klein bij wat Hij kinderen openbaarde. Hun eredienst is ongerept en wij, die met betraande ogen, meeluisteren en zingen mogen ... wij voelen ons gehandicapt. M.E. Bunk - v.d. Heiden
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
|
ER IS HOOP Wij leven in een donkere wereld we dansen op een stuurloos schip totdat we, door de storm gedreven straks hoop'loos stukslaan op een klip. "Doemdenken" heet dat tegenwoordig. Mens, eet en drink en wees maar blij, er is geen hoop meer en geen toekomst en morgen .... morgen sterven wij. Maar heb je wel eens vol bewond'ring vlak bij de zee gestaan? Heb je de branding horen bruisen, de golven op de kust zien slaan? Die onafzienbare watervlakte waarlangs de maan haar zilveren spoor, de zon haar gouden vonken tovert en die maar doordeint, eind'loos door. Tot aan de nooit betreden verten, tot aan het ondoordringbaar woud, dat diep van binnen gonst van leven nog door geen mensenoog aanschouwd. En ook mijn kleine mensenleven, een druppel zee .. een korrel zand, door de storm en golven voortgedreven schuilt in de holte van Gods Hand. M.E. Bunk v.d. Heiden
|
|
|
|
|
|
|
|
HET WITTE KLEED Ze ging, bekommerd en benard, haar leven lang in't akelig zwart. En nooit weerkaatste haar gezicht de weerschijn van Gods vriendelijk licht. Totdat ze, tobbend om haar zonden, pas in de dood heeft rust gevonden ... De dominee las, bij haar graf, van 'n koning die een feestmaal gaf, waar elke zondaar, groot of klein, een graag geziene gast zou zijn; omdat zij die daar binnengingen een smetteloos wit kleed ontvingen ... Opeens greep toen een kinderhand de toga van de predikant: "Zo'n ding wil opoe vast niet aan ..." En snikkend is ze weggegaan ... M.E. Bunk - v.d. Heiden
|
|
|
|
|
|
|
|
|