|
|
 |
|
|
 |
 |
 |
|
Hé! Kijk, we komen nu bij hele dichte struiken. We moeten op onze buik kruipen om er doorheen te komen. Huu, huu, kruipen jullie mee? Door de
modder. Zo, nu kunnen we opstaan. We zijn aan de andere kant van de struiken.
En wat is dit? We zijn bij de rivier aangekomen. We zullen moeten zwemmen. Klaar om in het water te duiken? Klaar?
Opgelet! Duik! Daar gaan we, we zwemmen de rivier over. O, mijn roestige pijlsnelle verrekijker wordt nat. En een beetje roestiger. Maar we hebben het gelapt. Zo, nu tegen de waterkant opklimmen.
Hoei! Kijk daar eens. Een troep olifanten. We gaan er op onze tenen langs. Lopen jullie ook op je tenen? Zet hem op! Gelukkig. Nu zijn we de olifanten voorbij. En wij zijn nu bijna bij het tijgerhuis. Laten
we in een boom klimmen. Dan kunnen we in het rond kijken. Klimmen jullie mee? Daar gaat ie. Goed zo. Nou daar zitten we dan. Hoog in de boom. En laat ik eens door mijn roestige pijlsnelle verrekijker kijken.
En proberen die tijger te vinden. Kijken naar rechts. En kijken naar links. Kijken naar beneden. Hm… ik zie geen tijger. |
|
|
 |
 |
|
Goeden dag! Hoe. Daar zit een vreemd beest onderaan de boom. Hoe (Gebrul) Het is een tijger! Rennen! Klim gauw uit de boom. Naar beneden, zo vlug als je kan. Vlug, vlug! Hij komt ons achterna. Rennen.
Vlug langs de olifanten. Gauw naar de waterkant. En we zwemmen de rivier over. Hoe, hoe. En klim omhoog. En kruip weer onder de struiken door. En we slaan de muggen weer weg. En we rennen door het oerwoud. En we
springen, we springen weer over de sloot. En nu de berg op. En er weer af. En open die deur! Hoei!! (Deur slaat dicht)
We hebben het gered. We zijn weer thuis. Hallo Ernie. Waar ben je geweest?
O, Bert. Praat me der niet van. (geklop op de deur) Laat maar Ernie. Ik doe wel open. (gebrul) Goedendag meneer de tijger. Eh… wat kan ik voor u doen. (gebrul) (Ernie, op de achtergrond die een beetje in paniek raakt) Ernie vergat zijn roestige pijlsnelle verrekijker, in mijn oerwoud.
Hoei. O, Bert. |
|