
HOOGEVEEN EN DE LUCHTOORLOG
ALBERT METSELAAR
HET VLIEGENDE FORT
Ergens in het midden van de oorlog, zo werd verteld, werd de bevolking van Nieuwlande overdag opgeschrikt door een viermotorige bommenwerper. Het toestel vloog ter hoogte van het Oostopgaande westwaarts. Aan alles was af te lezen dat het er slecht aan toe was. Twee propellers stonden stil. Het geluid van de overige motoren klonk onheilspellend. In de romp zaten grote gaten. Het vliegtuig vloog erg laag. De mensen renden erbij weg, bang dat ze waren dat het grote toestel op hen zou vallen. Iedereen was blij als het over gevlogen was, maar maakte zich zorgen over hoe het af moest lopen met de bemanning. Dat kon niet goed gaan! Die haalden Engeland niet meer! Het toestel vervolgde zijn vlucht over het Hollandsche Veld en drong, gezien de vliegrichting en route, het luchtruim van Zuidwolde binnen. Dat het vliegtuig over het Hollandsche Veld vloog, wordt bevestigd door Piet Uiterwijk Winkel. Hij woonde even ten westen van de Riegshoogtendijk ter hoogte van de Carstensdijk (Riegshoogtendijk 166). Hij was op de bewuste dag zijn land aan het bemesten, aan het "gieren". Er stond weinig of geen wind. Het was donker, somber weer. Plotseling kwam vanuit het oosten een dreunend geluid op, dat aanzwol tot angstaanjagende proporties. Een groot, beschadigd vliegtuig kwam laagvliegend over. Het hing wat over naar rechts, doordat de rechter motoren beide uitgevallen waren. Piet dook weg bij het zien van een jager. Een jachtvliegtuig cirkelde rond het grote toestel. Het schoot niet, maar bleef steeds meevliegen. Piet kreeg de indruk dat het een Amerikaanse jager was, die het grote toestel beschermde. Het toestel verdween in westelijke richting. Plotseling hoorde Piet een enorme knal. Het toestel had de grond geraakt. De mensen waren getuige van de laatste vlucht van een vliegend fort.
De vlucht begon die 22ste december 1943 in het Engelse Orham, ten oosten van Eye. Het ging om een Boeing B-17F (serienummer 42-37766) van het 334ste Bombardement Squadron van de 95ste Bombardement Group. Het toestel, één van de zogenaamde Vliegende Forten, vloog die dag naar Münster. Al boven het doel was men genoodzaakt de formatie te verlaten. Blijkbaar werd het toestel boven Münster geraakt door afweergeschut en/of de kogelregen van een jager. Toch slaagden ze er nog in om Zuidwolde te bereiken. Dat het toestel zo laag vloog zal te maken gehad hebben met de vijandelijke radar. Een toestel dat alleen en op twee motoren de lange terugweg naar Engeland moest afleggen, was een gemakkelijke prooi voor de Duitse jagers, zeker als het ook nog eens flink beschadigd was. Door laag onder het bereik van de radarinstallaties te vliegen, maakten ze nog een kans, mits het toestel technisch in staat was het Verenigd Koninkrijk te halen en ze geen afweergeschut ontmoetten. Het was 14.00 uur toen de Amerikaanse bommenwerper boven Zuidwolder gebied plotseling naar het zuiden zwenkte, onmiddellijk afgleed en in een weiland bij de familie Moes neerstortte. Direct nadat het de grond geraakt had vloog het in brand. Het moment van zwenken en afglijden moet het moment geweest zijn waarop de piloot of de co-piloot het toestel aan de grond trachtte te zetten, terwijl een deel van de bemanningsleden de parachute gebruikte om de grond te bereiken. Opvallend is namelijk dat zowel de piloot als de co-piloot omkwamen. Waren ze al eerder gestorven dan was het toestel nooit zo ver gekomen. Net als bij de crash van de Lancaster van Wilfred Still kan ook hier gedacht worden aan een bommenwerper die verongelukte tijdens een mislukte noodlanding. De bemanning zag er als volgt uit:
0-741923, 2/Lt. Maurice W. Mangis, Pilot, KIA
0-679898, 2/Lt. Donald F. Lembcke, Co-Pilot, KIA
0-755165, 2/Lt. Ernest J. Bennett, Navigator
0-681522, 2/Lt. Leonard J. Celusnak, Bombardier, POW
32491515, S/Sgt. William R. Tracy, Top Turret Gunner, POW
35447983, S/Sgt. Richard C. Dabney, Radio-operator
39184867, Sgt. Dale W. Aldrich , Ball Turret Gunner, POW
34477207, Sgt. William H. McMaster, Right Waist Gunner, KIA
16148558, Sgt. Jack B. Short Left Waist Gunner, KIA
16128300, Sgt. Anton Svobada, Tail Turret Gunner, POW
KIA = Killed in Action. POW = Prisoner Of War.
Het toestel lag in het Lageveen, ten noordwesten van Steenbergen, tussen de Willem Woesbrug en de Tranendijk. Bennett en Dabney werden opgevangen door contactpersonen van het verzet en door Jos van Aalderen uit Hoogeveen afgevoerd. Celusnak, Tracy, Aldrich en Svobada werden onmiddellijk door de Duitsers opgevangen en krijgsgevangen gemaakt. ze lieten het vliegtuig uitbranden en doorzochten het wrak. Er werden vier bemanningsleden in het wrak aangetroffen, die allen overleden waren: Mangis, Lembcke, McMaster en Short. Evenals elders stroomde ook hier de bevolking toe om te zien wat er gebeurd was. De Duitsers lieten het wrak bewaken tot het gesloopt en afgevoerd was. Gelukkig waren er verder geen burgerslachtoffers gevallen door het neerkomen van het toestel. Er was ook geen schade aan bezittingen opgetreden, op een omgewoeld gedeelte van het weiland na, dat zich na enig grondwerk wel weer herstelde. De vier lichamen werden 24 december gekist en overgebracht naar de Algemene Begraafplaats van Zuidwolde. De identiteitsplaatjes werden, zoals gewoonlijk, in duplo aangetroffen. Eén exemplaar werd meegegeven in de kist, het andere meegenomen door de Duitse militairen van vliegveld Twente die bij de identificatie betrokken waren. Op de kisten werden koperen plaatjes bevestigd, waarop woordelijk overgenomen werd wat op de identiteitsplaatjes stond. Alle persoonlijke bezittingen waren door de Duitsers meegenomen.
De kisten met de lichamen stonden enkele dagen opgebaard op de begraafplaats, in de daarvoor bestemde ruimte. 27 December werd er een korte, sobere plechtigheid gehouden. om 14.30 uur sprak ds. W. de Jong aan de graven, in aanwezigheid van gemeentesecretaris H. Jans (de latere burgemeester), een Oberfeldwebel van de Luftwaffe en de grafdelver. De kisten werden bijgezet in enkele graven, waarop later witte eikenhouten kruizen stonden. De dag erop werd een brief geschreven aan het Nederlandse Rode Kruis, waarin alle bekende informatie over de gesneuvelden opgenomen werd. Via hen werd het thuisfront ingelicht. Na de oorlog werden overal in Nederland de lichamen van gesneuvelde Amerikanen overgebracht naar centrale begraafplaatsen. In Zuidwolde werden de kisten van de drie Amerikanen 10 januari 1946 weer opgegraven en weggevoerd. Ze werden herbegraven te Margraten. In april werden de stoffelijke resten van Mangis, naar men zei een Canadees, opgegraven om op de Canadese erebegraafplaats op de Holterberg bijgezet te worden.
Dat laatste, dat van dat herbegraven, was mij niet bekend, toen ik de eerste keer een poging deed om hun graven te bezoeken. Oudere inwoners van de gemeente Zuidwolde vertelden me waar de Amerikanen begraven lagen en wisten me precies te vertellen hoe ik over de begraafplaats van Zuidwolde moest lopen om de graven te bezoeken. Terwijl ik aan het zoeken was, en niets vond, was er een oude dame, welke eveneens precies zei te weten waar ik moest zijn. Ze bracht me naar een stukje leeg groen. Blijkbaar werden de graven in de eerste jaren goed bezocht, want de herinneringen eraan waren levendig, maar zakte de aandacht al snel af, en was het de mensen ontgaan dat ze al 45 jaar verwijderd waren, toen ze me er heen verwezen. Ook de gegevens over het opgraven en het zogenaamd herbegraven op zowel de Holterberg als te Margraten zette me op het verkeerde been, terwijl deze gegevens uit het gemeentearchief van Zuidwolde afkomstig waren.
Het Limburgse Margraten werd 13 september 1944 bevrijd door de Amerikaanse troepen, in dit geval eenheden van de 30ste Infanterie Divisie van het Eerste Amerikaanse Leger, tijdens de opmars naar het Roergebied in Duitsland. Een groot stuk akkerland werd 10 november 1944 in gebruik genomen als begraafplaats van in Nederland, België en Duitsland gesneuvelde Amerikaanse en andere geallieerde militairen. Er werd tevens een groot kerkhof aangelegd voor Duitse soldaten. Na de val van Duitsland stuurde de Amerikaanse krijgsmacht zoektroepen uit door heel Nederland en de aangrenzende gebieden, opdat alle verspreid liggende Amerikaanse graven in kaart gebracht zouden worden. Gemeenten, pastoors uit de Limburgse dorpen, het Rode Kruis, iedereen die informatie aan zou kunnen leveren werd aangeschreven. Daarna begon het minder prettige, maar voor de familie o zo dankbare werk van het opgraven en naar Margraten overbrengen van de vaak ernstig verminkte lichamen. Er werd veel aandacht besteed aan de identificatie, opdat zo min mogelijk soldaten vermist en gevonden lichamen onbekend zouden blijven. Uiteindelijk werden de beide grafvelden van Margraten uitgebreid tot in totaal 17.738 graven van Amerikanen (waaronder slechts 106 onbekenden), 1.026 geallieerden uit andere landen en ongeveer 3000 Duitsers. De Duitsers waren voor het merendeel nog onbekend. Hun identificatie had voor het merendeel plaats toen de graven weer geopend werden, en de stoffelijke resten allemaal overgebracht werden naar de centrale Duitse begraafplaats in Nederland, die te Ysselsteijn. In Margraten bleef geen enkele Duitser achter. De stoffelijke resten van de vier gesneuvelde bemanningsleden van het Vliegende Fort van Zuidwolde hoorden vanaf het moment dat ze aldaar weg waren, bij de 17.738 gevallenen op de grote geallieerde begraafplaats van Margraten.
De Amerikanen schreven de nabestaanden van de eigen gevallenen aan om te vragen wat er met de stoffelijke resten van hun verwanten moest gebeuren. Ongeveer 60 procent van versneuvelden verliet daarop Margraten en werd terug gestuurd naar de Verenigde Staten. Er bleven uiteindelijk 8.302 Amerikanen achter. Deze werden herbegraven op een nieuwe erebegraafplaats ter plaatse, die 7 juli 1960 een officiële inwijdingsceremonie onderging: het huidige Amerikaanse ereveld Margraten. Zaterdag 13 juli 1996 bracht ik mijn tweede bezoek aan dit ereveld. De eerste keer was in 1980, toen de namen van de Amerikaanse gevallenen te Zuidwolde mij nog onbekend waren. Dit keer verwachtte ik de graven van Lembcke, Short en McMaster te kunnen bezoeken. Als ik in een gebouw bij de ingang vraag waar ik hun graven kan vinden, hoor ik dat alleen Lembcke hier begraven ligt. Er is maar een mogelijke verklaring voor de 'afwezigheid' van Short en McMaster: ze hoorden bij de 60 procent die na een tijdelijk verblijf te Margraten een nieuw graf kregen in de Verenigde Staten. Ik liep daarop met vrouw en kinderen naar vak M, regel 11, op zoek naar de laatste rustplaats van Lembcke. Het graf werd gevonden, gefotografeerd en voor de zoveelste keer vertelde ik over zijn dood en het neerstorten van het Vliegende Fort te Zuidwolde. Voor ik weg liep, keek ik nog eens naar het graf links van Lembcke. Als door stomheid geslagen bleef ik staan. Lembcke ligt begraven naast zijn makker Mangis! De zogenaamde Canadees, die overgebracht zou worden naar de Holterberg, bleek bij nader inzien helemaal geen Canadees te zijn. De tekst op de steen maakte me duidelijk dat hij 'gewoon' een Amerikaan was, net als Lembcke. Mangis had, als enige van de te Zuidwolde gesneuvelde Amerikanen, geen adres op zijn identiteitsplaatje staan. Zijn naam liet de mogelijkheid open dat het ging om een Franssprekende Canadees. Vandaar dat hij niet gelijk met de andere Amerikanen uit Zuidwolde werd overgebracht naar Margraten, en bijzetting op de Holterberg in het verschiet lag. Nader onderzoek bracht zijn identiteit boven water en er volgde alsnog bijzetting in Margraten. De beide piloten van het Vliegende Fort van Zuidwolde liggen gebroederlijk naast elkaar begraven, in de Limburgse grond van Margraten, in wat inmiddels hun derde graf is.