
DE NEDERLANDSE HERVORMDE KERK
VAN HOLLANDSCHEVELD
Albert Metselaar
(De tekst van dit artikel is ook als brochure verkrijgbaar. U kunt zich daarvoor in verbinding stellen met de predikant of de koster van de Nederlandse Hervormde Gemeente van Hollandscheveld. De foto's bij dit artikelen tonen kerk en pastorie, zoals deze de afgelopen 150 jaar te zien waren.)
Inleiding
Wie anno 2000 door het Hollandscheveld rijdt, kan zich amper meer een voorstelling maken van het voormalige hoogveengebied dat wordt gepasseerd. Er zijn maar weinig zaken die daar nog aan herinneren. De oude veenwijken, namen van straten (opgaande zus, opgaande zo) en andere zaken, waarvoor je toch wel enige historische kennis moet hebben wil je ze herkennen. Op het oudste gedeelte van de Hollandscheveldse begraafplaats vinden we een grafsteen van een opzichter van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen. Dit was de alles overheersende verveningsmaatschappij, waarin de individuele grootgrondbezitters en verveners samenwerkten. Ook de kerk was van hen afhankelijk. Eén van de laatste herinneringen aan de vervening is ook de windvaan op de Hervormde kerk van het dorp. Een veenschop. De schop werd overgenomen in de vlag en in het wapen van het gebied. De toren werd het logo van de Aktiviteitencommissie ’t Oekie, en ging de plaatselijke krant sieren. Het is het symbool van het dorp geworden. Wereldwijd verspreid werd een schetsje van de toren op een brieftekening van Vincent van Gogh. Deze werkte in 1883 op het kerkhof van het dorp, met de toren op de achtergrond. Het is deze kerk, de moederkerk van Hervormd Elim, Nieuwlande, Geesbrug en Nieuweroord, die in dit artikel aan u wordt voorgesteld.
Voorgeschiedenis
De geschiedenis van de Hervormde Gemeente van Hollandscheveld begint in 1757, als meester Pieter Jans Steen zich vestigt als onderwijzer aan het Hollandscheveldse Opgaande. Zijn onderwijs is doorspekt met bijbelkennis en catechismus en hij krijgt in 1767 een officiële aanstelling als oefenaar. Het begin van kerkewerk in de velden! Meester Pieter was in 1764 als volmacht betrokken bij het zoeken naar een nieuwe predikant voor de kerk van Hoogeveen, na de dood van ds. De Vriese. Dat jaar is er voor het eerst aantoonbaar sprake van een serieus gesprek over een kerk in de velden, als het comité van volmachten de toekomstplannen van kerkelijk Hoogeveen bespreekt. We kennen geen notulen, maar we lezen in de kerspelrekening van Hoogeveen over 1764: ’Extra ordinaire vertering over het vergroten der kerk of om een tweede kerk en predikant te bekomen, item een andermaal over het beroepen van de tegenwoordige predikant vergaderd geweest door kerkeraad en gecommitteerden etc. f 32,18,-’ Behalve het beroepen van een opvolger van ds.De Vriese besprak men dus de mogelijkheid voor een tweede predikant. Tevens vroeg men zich af of de kerk vergroot moest worden, of dat men een tweede kerk in de velden zou gaan bouwen.
Men koos er voor om de kerk van Hoogeveen te vergroten, zonder het idee van een kerk in de velden los te laten. Het resultaat van al deze vergaderingen was, dat de kerk van Hoogeveen een provinciale subsidie kreeg voor een tweede predikant, met de vermelding dat deze subsidie en de tweede predikant naar de velden zouden gaan, zo gauw daar een kerk gebouwd zou worden. In de Franse Tijd (1795-1813) moesten de velden nogal wat teleurstellingen verwerken. Zo werd onder meer de kerk van Hoogeveen een paar maal vergroot, ondanks protest van de Hollandschevelders. Al in 1804, toen deze een eigen kerk en een nieuwe school van de Hoogeveense besturen vroegen, was het de bevolking van het Hollandsche Veld duidelijk dat de grond op de kop van het Zuideropgaande, een zandkop in het voormalige veengebied, de plaats van hun kerk zou moeten worden. Daarbij zou de kerk een centrale plaats in de venen ten oosten van het dorp Hoogeveen krijgen, en bereikbaar zijn voor zowel de bevolking van het Hollandsche Veld als het Krakeel. Vanaf 1819, toen er een door de gemeente Hoogeveen bekostigde school in de velden was gebouwd, kwamen er predikanten van de Hervormde Gemeente van Hoogeveen in deze school catechisatie geven. In 1832 en 1833 werd er tijdelijk een hulpprediker aangesteld, om de velden pastoraal van dienst te zijn. Het was ds.Cornelis van Schaick. Hij en Geert Roelofs Raak, onderwijzer in de in school bij het Allee, zouden iets in gang zetten, wat uiteindelijk de lang verwachte kerk zou brengen. Geert als plaatselijk leider en voorman, Cornelis als raadgever en lobbyist op de achtergrond.
Geert Roelofs Raak.
Meester Geert Roelofs Raak was opgegroeid als landbouwer. Er was grond zat, in het Hollandsche Veld. Op 1 november 1824 nam Geert Roelofs Raak de grond in erfpacht waarop later de Nederlands Hervormde kerk en de bijbehorende pastorie gebouwd zouden worden. Geert Raak heeft woeste ondergrond in erfpacht gekregen. Door middel van ontginning, grondverbetering, en de aanplant van vrucht- en andere bomen, werd de grond waar nu de kerk staat een bloeiende hof. In 1826 nam Geert ook nog de grond in erfpacht, waarop we nu de oostelijke helft van het park ten noorden van de kerk vinden. Het was veel te veel grond om alleen voor kerkbouw te kunnen gebruiken. De bedoeling zal zijn geweest om een gedeelte als kerkhof te gaan gebruiken, zo gauw de kerk gebouwd was. Uiteindelijk kwam de begraafplaats van het dorp verderop te liggen, aan de huidige Kerkhoflaan, maar de plaatsing van de huidige kerk op de ondergrond doet nog steeds denken aan de oude, traditionele indeling. De huidige kerk staat namelijk geheel op de noordkant van een stuk grond, met op de zuidkant een grote hof. Kerken in Nederland werden al eeuwenlang zo gebouwd. De grote hof op de zuidkant van de kerk werd overal in Nederland gebruikt als begraafplaats, tot dit vanaf 1829 wettelijk verboden was. Ieder dorp met meer dan 1000 inwoners moest een begraafplaats buiten de bebouwde kom aanleggen. Nieuwe begraafplaatsen moesten sowieso buiten de bebouwing worden aangelegd.
Geert Roelofs Raak werd de spreekbuis van velen, net zo goed als velen zich samen met hem wilden inzetten voor het behoud van catechese en het uiteindelijk bouwen van een kerk. In 1827 ging bijvoorbeeld een comité van zeven veldelingen op bezoek bij de Hervormde Gemeente, om aan te dringen op catechisatie. Door de Afscheiding is de groep actieve veldelingen uit elkaar gevallen. Een deel van hen ging een eigen weg. Hun nageslacht zou eveneens inzet tonen voor een kerk in de velden, maar dat werd de Gereformeerde Kerk aan het Jan Wintersdijkje. Een ander deel bleef samen met Geert Roelofs Raak werken aan een Hervormde kerk, op de kop van het Zuideropgaande. We kennen vanaf 1839 brieven van deze groep mensen, opgesteld door meester Raak, gericht aan alle mogelijke kerkelijke organen. Ze schreven bijvoorbeeld in 1839 over de veldelingen:
"Voor het grootste gedeelte toch (te rekenen van drie kwartier tot twee en een half uur afstand van de kerk) hebben de mensen hun werk in het veld met de turf, heideplukken, boekweitenland bearbeiden enz. van de morgen tot de avond, om in de behoeften van zich of het huisgezin te voorzien. Nu komt de Zondag: dit is voor hen een dag van ledigheid, van verveling. De kerk wegens te verre afstand, wordt niet bezocht. Helaas! Het is treurig om te zeggen, en het is echter waarheid: hoe wordt die dag nu doorgebracht? Bij samenkomsten in kroegen of tappershuizen, onder allerlei ongeregeldheden, zodat menigeen met een ledige beurs, een berooid hoofd, suizebollend thuis komt; en wat is het gevolg? Huiskrakeel, vloeken en zweren, in het bijzijn der jeugd. Ware er nu een kerk en een godsdienstleraar in ons midden, dit beschouwen wij als het enigste en beste middel om het kwaad te weren, althans te verminderen."
Een kerk in de velden zou alles veranderen, zo was de verwachting van deze mensen. De mensen zouden zich zeer ten positieve ontwikkelen, de zondagsrust werd gehandhaafd, er zou een andere wereld ontstaan. We moeten deze brieven toch wel enigszins relativeren. Er werd extra nadruk gelegd op minder positieve zaken, om de lezers ervan te overtuigen dat er nu toch echt een kerk nodig was. In dat opzicht geven de brieven dus geen exact onbevangen en algemeen beeld van de gang van zaken in de velden, al zullen de genoemde misstanden van zichzelf natuurlijk wel op zijn tijd voorgekomen zijn. Dat we de zaak gerust kunnen relativeren, wordt misschien het best duidelijk als we zien wie de belangrijkste bewerker van de kerk in de velden was: een kroegbaas. Meester Geert Roelofs Raak was in gemeenschap van goederen getrouwd met Jentje Bakker, en Jentje had een café........
In de veertiger jaren richtten Geert Roelofs Raak en consorten zich tot het provinciaal kerkbestuur en tot de algemene synode van de Nederlands Hervormde Kerk. Er volgde overleg tussen de Algemene Synodale Commissie en de Hervormde Gemeente van Hoogeveen. Er was een lange weg te gaan, maar uiteindelijk ging de Hervormde Gemeente van Hoogeveen overstag, onder druk van de synode. Er zou een volledig zelfstandige Hervormde Gemeente in de velden komen, met een eigen kerk. Eigenlijk had de synode liever gewild dat er één gemeente met twee kerken gevormd zou worden, maar dat wilde Hoogeveen niet. Het gevolg was, dat Hollandscheveld wel een kerk en een eigen Hervormde Gemeente kreeg, maar dat daarmee tevens erg veel financiële zorgen op het bord van de jonge gemeente zouden komen. Hoe dan ook, de kerk zou er komen.
De bouw van de kerk.
Voor de bevolking was de bouw van de kerk een zaak van bidden en werken. De Hoogeveense predikant ds.De Holl, namens de Hervormde Gemeente van Hoogeveen belast met de zorg voor de velden, leidde samen met Geert Roelofs Raak bidstonden in de toenmalige school, nu het witte huis ten noorden van het park naast de kerk. Het eerste biduur werd gehouden op 16 mei 1850 en handelde over Mattheus 3:5, de woorden van Jezus tot Johannes de Doper, toen deze hem aanvankelijk niet wilde dopen: "Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af". De gerechtigheid voor de velden was, dat er nu eindelijk een kerk zou komen. Aan het gegeven dat er niet alleen gebeden werd, maar een bijbeltekst centraal stond, kunnen we afleiden dat het hier ging om godsdienstige samenkomsten, die vooruit liepen op de eigenlijke kerkdiensten in de nog te bouwen kerk. We stellen ons zo voor dat er een meditatie werd gehouden en dat er gebeden en gezongen werd. Ds. De Holl had zelf de zaak van de velden steeds gesteund, maar zijn handen waren aanvankelijk gebonden door de onwil van de Hoogeveense kerkeraad. Nadat men hem na een conflict in zijn salaris had gekort, voelde hij zich vrij om zich volledig voor de velden en Geert Raak in te zetten. Dit alles met steun van onder meer ook ds.Cornelis van Schaick, toen predikant te Dwingelo.
Een bouwarchief is niet voorhanden en alles wat we weten van de bouw op zich, moeten we halen uit de schaarse secundaire bronnen. Deze zijn lang nog niet allemaal onderzocht. Als er een lezer in Den Haag of omgeving woont, dan kan hij mij en de Hervormde Gemeente van Hollandscheveld een groot plezier doen als hij eens zou willen kijken in het Algemeen Rijksarchief. Er is vast nog veel moois te vinden in het archief van het ministerie van Waterstaat, terwijl ook correspondentie met de Nederlandse Hervormde Kerk en Koning Willem II omtrent de nieuwbouw van de kerk in diverse archieven terug te vinden zal zijn. We doen het hier met wat we nu al hebben. We laten ons eerst leiden door de kerk zelf. "Uit liefdegiften is deze kerk en pastory in den jare 1851 gesticht, onder toezicht van de heeren Mr.H.G.van Holthe tot Echten, Mr. A.H.Witsenborg, J.G.de Jonge, Hk. Berghuis, W.ten Oever, in commissie vereenigd." We lezen het op één van de beide gevelstenen op de voorkant van de kerk. Wat hielden deze liefdegiften in, en wie waren de mannen van de commissie? In 1849 deed Koning Willem II de toezegging, dat Hollandscheveld kon rekenen op een bedrag van f 600,- per jaar uit de kas van het Rijk, op voorwaarde dat men een zelfstandige gemeente, los van de Hervormde Gemeente van Hoogeveen ging stichten. Een commissie (de mensen van de gedenksteen) ging aan het werk en sloeg aan het cijferen. De commissie bestond uit één veldeling, Warner ten Oever, en vier grootgrondbezitters, hoofddirecteur en hoofdparticipanten van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen.

Deze compagnie had nog rechten op de aan Geert Raak in erfpacht uitgedane grond en beheerde het kerkenfonds. Uit de opbrengsten van de 100 morgen grond en veen van het kerkenfonds werd eveneens geld voor de kerk beschikbaar gesteld. Dit fonds (geleid door de hoofddirecteur en de hoofdparticipanten van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen) was dus in 1851 bij de bouw van de kerk weer eigenaar van de grond. Vandaar dus de namen van de grootgrondbezitters op de gevelsteen. Ze deden goed werk in de periode 1849-1851. Maar ze vertegenwoordigden ook de groep grootgrondbezitters die bijna 90 jaar lang kerkstichting in de velden hadden tegengehouden. In feite trokken ze een regelende rol naar zich toe, op het moment dat de kerk niet meer tegen te houden was. Ze hadden zo een bevoogdende rol over de arbeidersbevolking en hun kleine bovenlaag, inclusief meester Geert Roelofs Raak, de mensen die tegen de zin van de grootgrondbezitters en de Hoogeveense kerkbesturen de landelijke overheid en de hogere kerkelijke besturen er van hadden doordrongen dat de kerk echt nodig was.
De commissie rekende uit dat voor de bouw van een kerk met pastorie f 13.400,- nodig was. Daarvoor had men dan wel een kerk met een toren en een luidklok in gedachten, iets wat in de toenmalige gemeente Hoogeveen nog niet bestond. De Hervormde synode schonk in 1848, 1849 en 1850 jaarlijks f 2000,-. De provincie Drenthe schonk f 2000,- Koning Willem II offerde uit eigen fondsen een bedrag van f 500,-. Een collecte in de provincie en de gemeenten bracht f 961,27
² op. Particulieren gaven samen nog een bedrag van f 3.008,27. Daarvan was ruim f 500,- bijeen gebracht door tussenkomst van ds.Cornelis van Schaick. Rabbijn M.L.Kan uit Coevorden zamelde geld in uit Joodse kringen, door middel van een uitgegeven preek. Dhr. G.B.van Duijl uit Delfshaven sloeg op inspiratie van ds.C.van Schaick aan het dichten. Het boekje ’Het Hollandsch Veld in Drenthe’ werd over heel Nederland verspreid en leverde overal geld op. Het totaal van al deze liefdegiften was f 12.469, 54² . Genoeg om met de bouw te beginnen. In 1851 maakte de Hervormde synode bekend dat het traktement voor de nieuwe predikantsplaats f 600,- zou zijn.De bouw van de kerk werd op 31 januari 1851 aanbesteed. Geert Roelofs Raak is zijn grond op de kop van het Zuideropgaande kwijtgeraakt op de zelfde 31 januari 1851. In de overlevering is onder meer het verhaal bewaard gebleven dat Geert Raak de kerk bouwde op zijn eigen grond. Hij schonk de grond van de kerk, zo wordt wel verteld. We zien in de overdrachtspapieren feitelijk iets anders gebeuren. Geert gaf de grond terug aan de Compagnie van de 5000 Morgen. Voor het vele werk dat hij gestoken had in het verbeteren van de grond werd hij door de Algemene Compagnie goed betaald. Hij ontving van hen f 400,- als onkostenvergoeding. Daarna ging de grond over naar de Hervormde Gemeente, met Geert Raak in de hoofdrol. Vandaar dat de grond dus wel mede op zijn naam bleef staan, maar geschonken werd er niets. Hoeveel Geert ontving, wordt duidelijk als we het vergelijken met het loon van een arbeider. In maart 1851 ontving W.Hein voor grondwerk aan de weg naar de kerk f 0,60 per dag. Kortom, Geert Roelofs Raak ontving als vergoeding voor de boomgaard, bomen en verbetering van de grond een bedrag dat gelijk stond aan f 400,- : 0,60 = 666, 66 daglonen. Er van uitgaand dat zo’n arbeider niet het hele jaar werk had, stond dit ongeveer gelijk aan driemaal een jaarinkomen.
Voor er gebouwd werd, werd door de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen de weg naar de kerk in orde gemaakt. Bij de woning van meester Geert Roelofs Raak lag een vonder over de Kerkenkavel. Deze lag bij het begin van het noordelijke deel van de huidige Hendrik Raakweg. Dit vonder was van belang voor de schoolgaande kinderen en werd goed onderhouden. Het vonder bij Geert Raak lag in een zandpad. In maart 1851 werd dit zandpad verbeterd, door een ploegje arbeiders onder leiding van P.G.Benjamins. Er werden jonge boompjes langs de weg geplant. De bomen gaven de weg het aanzien van een prachtige laan, waaraan de weg de later zo bekende Franse naam ’Allee’ te danken heeft. Een zwak punt in deze weg was nog het vonder over de Kerkenkavel, even ten oosten van de woning en school van meester Raak. Dit vonder werd in opdracht van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen, de beheerder van de Kerkenkavel, vervangen door een brug. Timmerman en aannemer Roelof Wiechers ter Stege heeft dit in april 1851 voor elkaar gemaakt. Jentje Bakker, de vrouw van meester Raak, leverde aan de werklieden, op kosten van de Compagnie van de 5000 Morgen, tien dagen jenever en een dag brandewijn, voor een totale som van f 2,40. De meester had blijkbaar geen enkele moeite met drankgebruik. Sterker nog, zijn gezin was voor een deel van de inkomsten afhankelijk van wat het café van zijn vrouw opleverde. Het waren sommige negatieve uitwerkingen van het drankgebruik, waar hij tegen ageerde. De borrel zelf was voor meester Raak een totaal aanvaard onderdeel van de toenmalige samenleving.
"De eerste steen gelegd op den 12 mei 1851 door Mr.A.H.Witsenborg, namens de commissie", lezen we in de tweede gedenksteen in de voorgevel van de kerk. Daarmee ging de kerkbouw een actieve fase in. Er verrees in gewone lichtrode baksteen een bouwwerk in waterstaatsstijl, dat met zijn lengte-as op het oosten werd gericht. Het gebruik om oostwaarts gericht te bidden, is uit christelijke bronnen bekend vanaf de tweede eeuw n.Chr. Dit houdt oorspronkelijk waarschijnlijk verband met de opkomende zon, als symbool van het heil. Ook de wederkomst van Christus werd in het oosten verwacht. Van oudsher werden vrijwel alle kerken zo gebouwd, dat ze ’geoost’ stonden, gericht op het oosten, waarbij de gelovigen tijdens de kerkdiensten oostwaars keken en baden. Zo ook de Hervormde kerk van het Hollandsche Veld.

Het is een zogenaamde ’Waterstaatskerk’geworden. De term ’Waterstaatskerk’ herinnert aan de periode dat de burgerlijke overheden grote invloed hadden in de Nederlandse Hervormde Kerk. Bij Koninklijk Besluit werd in 1824 besloten dat de bouw van nieuwe kerken vanaf dat moment uitsluitend nog kon gebeuren onder toezicht van Waterstaatsingenieurs. Deze ingenieurs ontwikkelden een eigen bouwstijl, een variant van het in de periode 1820-1850 bloeiende neo-classisisme. Kerken van hun hand leken dan ook nogal eens op elkaar. In Drenthe zien we dat eveneens terug. De Hervormde kerk van Hollandscheveld heeft zusterkerken in Nieuw-Amsterdam en Nieuw-Buinen. Het torentje van Hollandscheveld, kan men op tal van andere kerken tegenkomen. Niet alleen de bouwstijl was dus vrij algemeen, zelfs het hele ontwerp van de kerk is niet origineel. Er stond in die dagen min of meer een soort basiskerk op papier, en dit basisontwerp kreeg kleine aanpassingen, al naar gelang de behoefte van streek waar hij gebouwd moest worden, en al naar gelang de hoeveelheid geld die voor de geld beschikbaar was.
Op 26 december 1851 werd de kerk ingewijd door ds.C.van Schaick, naar aanleiding van I Samuël 12:24. De feestrede werd nog in 1852 uitgegeven. In 1989 volgde een heruitgifte. Wie de sfeer van die dagen wil proeven, doet er goed aan de toespraak nog eens door te lezen. Het eerste in de kerk gezongen lied, was: ’Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort’, zo zegt een overlevering. Geert Roelofs Raak had dit lied jaren tevoren als in een droombeeld horen zingen, toen hij over de zandhoogte liep, waar later de kerk zou verrijzen, zo werd verteld. Dit droombeeld kan op een door Geert Roelofs Raak doorgegeven verhaal terug gaan, want wie zegt er dat het niet waar kan zijn dat Geert deze droom gehad heeft? Maar dat dit lied als eerste in de kerk werd gezongen, daaruit blijkt niets uit de inwijdingsdienst, de eerste dienst in deze kerk. Het eerste lied tijdens de inwijdingsdienst was, volgens de uitgegeven feestrede, Psalm 103 vers 1: "Loof, loof den Heer, mijn ziel met alle krachten." Meester Geert Roelofs Raak bleef actief betrokken bij de diensten en alles wat met de nieuwe kerk te maken had. Hij werd namelijk voorlezer, voorzanger en koster. Hij zal dus zelf dit lied hebben ingezet. Overigens staan er veel meer namen uit de bouwperiode op het kerkgebouw vermeld dan we op de voorzijde kunnnen lezen. Op de balken, in de slecht toegankelijke ruimte direct onder de kap, lezen we bijvoorbeeld: "B P Benjamins 1852" en voluit in het zelfde handschrift "Benjamin Pieters Benjamins". Om maar een voorbeeld te noemen, want er staan er meer. Er staan ook namen van later datum, zoals "W. Martinus, Hoogeveen 1911". Waarschijnlijk hebben al deze heren werkzaamheden aan de kerk verricht.
De toren
Het hoogste en bekendste punt van het dorp Hollandscheveld, is het puntje van de kerktoren. Hoe hoog dat puntje zit, wordt duidelijk als we Bé Veuger aan het woord laten. Dit gemeentelid was werkzaam aan de kerk nadat de bliksem in december 1999 zijn verwoestende werk had gedaan. Van de vloer tot de rand van het gewelf in de kerk is 6 meter. Het gewelf zelf is 3 meter hoog. Tussen het gewelf en de punt van het dak zit ook ongeveer 3 meter. Dan komt er ongeveer 1 ½ meter tussen de dakpunt en het houtwerk waarin we de wijzerplaten vinden. Het houtwerk rond de wijzerplaten is zo’n 2 ½ meter. De pilaartjes en boogjes bij de klok meten ongeveer 2 meter. Het puntdakje is 5 meter hoog, maar daar bovenop zit nog zo’n 2 meter ijzerwerk. Zo komen we op een hoogste punt van ongeveer 25 meter. Bovenop de kerktoren vinden we een windvaan, in de vorm van een glimmende koperen veenschop. Deze veenschop lijkt nog het meest op een zogenaamde ’schoffel’, een schep met een enigszins hartvormig blad, waarmee de bovenlaag van het veen werd weggeschept. Maar hij leek toch niet helemaal. De indruk bestaat dan ook, dat de onbekende maker van de windvaan wel een veenschop als model heeft gebruikt, maar daarna deze naar eigen inzicht heeft gestileerd en gemodelleerd. Dit is onder meer nodig geweest om in de steel van de schop een stevig draaipunt te creëren, dat over het puntje van het torenkruis geschoven kon worden. Momenteel is het blad van de veenschop weer mooi gaaf. Tot lang na de Tweede Wereldoorlog hebben er twee kogelgaten in het blad gezeten, omdat de SS uit de school naast de kerk hem als schietschijf had gebruikt.
Hoezeer de veenschop op de kerk model stond voor het leven van de veenarbeiders, ook al in vroeger dagen, mag wel blijken uit de tekst van het openluchtspel ’De Nevelhekse’, dat op koninginnedag 31 augustus 1935 werd opgevoerd, op de markt te Hoogeveen. Het toneelstuk was gebaseerd op de novelle ’Nevelhekse’ van Albert Steenbergen. De hoofdrolspeelster, een meisje uit de velden dat flink werd gediscrimineerd en werd uitgemaakt voor een heks, vinden we nu in brons bij de Hervormde kerk van Hollandscheveld. In het toneelstuk werden de mensen meegenomen naar de grotendeels verzonnen wereld van 1704. De heer van Echten sprak daar een fictieve volksvergadering toe, waarin alle rangen en standen van het dorp Hoogeveen vertegenwoordigd waren, met de volgende woorden: ’Mijne heren, op heden de 79e verjaardag van de stichting onzer veenkolonie Echtens-Hoogeveen is het mij een genoegen U hier allen aanwezig te zien. Gij stelt daarvoor belang in de daden van het dagelijks bestuur van Uw landschap. Wij willen dankbaar in herinnering roepen, hoe 79 jaren geleden Jonkheer van Echten hier onze kolonie Echtens-Hoogeveen heeft gesticht door het kopen van 5000 morgen veen, en hoe gij, nijvere veenarbeiders - die als beeld van uw werk de schop ziet op de toren van de Hervormde Kerk in de Hollandsche Velden - kwamen om de venen af te graven, hetgeen later vruchtbare landouwen zullen kunnen worden. Veel turf hebt gij reeds gegraven, maar méér is er nog te graven, waardoor gij en uw nageslacht nog eeuwen arbeid zult kunnen vinden." Wat knap van die veenarbeiders, dat ze al in 1704 een schop op de kerk konden zien, die beiden pas in 1851 geplaatst zouden worden!

Onder de windvaan vinden we een smeedijzeren torenkruis, dat met zijn beide zijarmen naar het noorden en het zuiden wijst. Het kruis zit enigszins weggewerkt in eenvoudige versieringen. Onder dit torenkruis vinden we een vergulde bal. Deze bal staat voor de appel van Adam en eva uit het paradijs, de zonde. Een bal met een kruis erop kennen we ook als symbool van macht, afgebeeld in de handen van vorsten, waarbij de bal staat voor de aarde. De torenspits van Hollandscheveld wil, binnen deze symboliek, de mensen zeggen dat er op deze aarde maar één ware heerser is: Jezus Christus. Traditioneel staat er op een kerktoren vaak een bal, een kruis en een haan. Ze symboliseren dan achtereenvolgens zonde, verlossing en waakzaamheid. Sommige mensen willen hierin ook de drie hoofddelen van de Heidelbergse Catechismus zien: ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar in Hollandscheveld gaat dit dus niet op. We hebben wel het symbool van de zonde, met daarop het kruis als symbool van de overwinning van Christus over de zonde. Van de veenschop is geen godsdienstige betekenis bekend, al kan men er natuurlijk wel van alles bij denken. Te denken is bijvoorbeeld aan de woorden van Genesis 3:19: "In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt......" De veenschop is dan het symbool van het ’zweet des aanschijns’ van de turfgravers die hier naar de kerk gingen.....
Klokkeluider was van begin af aan de koster, als eerste meester Geert Roelofs Raak. In 1893 is de klokkeluider enige tijd in staking gegaan, uit protest tegen de prediking van de predikant, ds.Jansonius. Vanaf 19 november 1893 werd de klok niet meer geluid, zo lezen we in de notulen van de Kerkvoogdij. De klok in de kerktoren had een belangrijke functie bij brand, waar dan ook in de omgeving. De klok werd dan geluid, zodat alle leden van de plaatselijke brandweer en alle omwonenden geallarmeerd werden. Voor zover bekend is de klok in de Tweede Wereldoorlog niet uit de toren geweeest. Veel Nederlandse klokken werden ’gevorderd’, ingepikt om in de smeltovens te verdwijnen, zodat er wapens en munitie van gemaakt kon worden. Gelukkig heeft onze klok de smeltoven nooit bereikt. De klok heeft geen opschrift.
De zuilen van het torentje rusten op een grondvlak, waar omheen een smeedijzeren hek geplaatst is. Dit niveau van de toren kan belopen worden. De traditie om hier op oudejaarsavond om 24.00 uur het ’uren, dagen, maanden, jaren’ te blazen op het koperwerk van de plaatselijke muziekvereniging, stamt al van voor de Tweede Wereldoorlog. In de dertiger jaren stonden hier voor het eerst fotograven, opnames makend voor ansichtkaarten. De plaatjes tonen nog steeds het fantastische uitzicht over het oude dorp. Wie hier rondloopt, zal zijn gevoel van veiligheid niet ontlenen aan het hekwerk. Dit is eigenlijk te laag om echt praktisch te zijn. Het komt een gemiddelde man maar net tot zijn broekriem. Het is dan ook niet echt bedoeld voor de veiligheid. In de Tweede Wereldoorlog was de toren gevorderd om dit plateau. Er werd wacht gelopen door brandwachten. De SS in de school naast de kerk stelde er zijn wachtposten op. Alle wachtposten rond de kerk hadden slechts zicht op een gedeelte van het terrein, behalve de post op de toren. Vanuit dit punt konden ze de hele omgeving overzien en onder vuur nemen, zodat er geen enkele gevangene ongezien kon ontsnappen.
Het uurwerk op de toren is hier voor het eerst geplaats in 1904. Toen het dorp een tramverbinding kreeg, was het ineens belangrijk om op de tijd te letten! De verlichting van het uurwerk is geschonken door de hele bevolking. In 1975 werd daarvoor, en voor een extra wijzerplaat, een aktie gehouden. Zaterdag 8 februari 1975 was er een feestdag in zaal Mol, ter afsluiting van een grote huis-aan-huis-collecte van de voorafgaande week. De hele aktie moest in totaal f 10.000 opbrengen. Veel tijd om dat geld op tafel te krijgen was er niet, want de restauratie van de kerk was in volle gang en wijzerplaat en verlichting zouden daarbij meegenomen moeten worden. De actie liep boven verwachting. Zaterdagavond 8 februari 1975 om 23.00 uur was er een bedrag bij elkaar van ongeveer f 12.000,-!
Nu we het toch over de toren hebben: De grote vraag is of we het bouwsel op de Hervormde kerk zo mogen noemen. Een toren is een ingebouwde of vrijstaande constructie, met eigen fundamenten, welke hoog boven zijn omgeving uittorent. De toren van de Hervormde kerk van Hollandscheveld is eigenlijk niet meer dan een groot uitgevallen dakruiter. Een dakruiter is een ’torentje, meestal van hout, met een spits of koepel, dat op de nok van het dak van een gebouw schijnt te rijden, meestal op de kruising van een kerkdak’, volgens een heldere definitie. De houten toren van Hollandscheveld voldoet min of meer aan deze beschrijving. De houten constructie van de toren is gebouwd op de nok van het dak en op het houtwerk van de gebinten eronder. Er is geen in de kerk ingebouwd torengedeelte, dat de bovenbouw draagt. In tegenstelling tot wat je als bezoeker denkt te zien, is de toren niet meer dan datgene wat op het dak staat. Een houten constructie, van hout gemaakt om hem zo licht mogelijk te houden.
Dat er in werkelijkheid geen sprake is van een volledige toren, dat zou je niet zeggen als je voor de kerk staat. Kijk maar eens bij de voorgevel. Met de voorgevel bedoel ik de westgevel van de kerk, waarin de hoofdingang zit. In het geheel van de gevel lijkt de hoofdingang te zitten in het onderste deel van de toren, waarbij de zware stenen de stevige onderbouw van de toren suggereren. Boven deze stenen gaat een enigszins uit de gevel naar voren springend muurgedeelte omhoog, dat uitloopt in de witte houten toren. Het geheel suggereert een vrijwel geheel in de kerk ingebouwde toren. Dit is suggestie, omdat in de kerk zelf geen torenmuren en geen toren te zien is. De suggestie wordt nog versterkt door een waterlijst, half tussen de hoofdingang en het witte torentje, welke het zogenaamd in de kerk ingebouwde deel van de toren in tweeën lijkt te delen. Echte torens zijn nogal eens opgebouwd uit meerdere segmenten, etages.
Wie voor de hoofdingang staat, maakt op deze wijze kennis met een optisch grapje. Hij of zij krijgt de indruk voor een ’echte’ toren te staan. Wie hier omhoog kijkt, ziet de geledingen van de toren overgaan in het witte houten bovenstuk. Omdat de onderste ’segmenten’, de muurgedeelten onder en boven de waterlijst op de voormuur, meters hoog zijn, verwacht onze beleving ook een hoog bovenstuk. Daardoor krijgen we de indruk met een zeer hoge toren te doen te hebben. Maar de hoge toren zelf bestaat alleen in onze geest, opgeroepen door de uitstekende muurdelen en de waterlijst, en het bovenstuk is in werkelijkheid veel kleiner dan onze ogen ons willen doen geloven. Nu wordt ook duidelijk waarom het hekwerk op de toren zo laag is. Wat ver weg is, is klein. Als het hekwerk een goede veilige hoogte had, voor wie op de toren loopt, zou het hoger moeten zijn. Maar om de optische illusie in stand te houden, is er juist een laag hekwerk nodig, dan lijkt het bovenstuk van de toren verder weg. De bouwers van de waterstaatskerk moesten met weinig geld wat moois tot stand brengen. En door dit optische grapje, leek het nog groter ook.....
Onder de toren
De oorspronkelijke stoep voor deze kerk was gemaakt van een grote, platte natuursteen. De door de voeten van duizenden kerkgangers uitgesleten steen kwam bij de restauratie weer naar boven, en ligt nu voor de noorder zij-ingang. Als we via de huidige gemetselde stoep van de hoofdingang en via de zware deur naar binnen lopen, komen we in een klein voorportaal. Een ruimte met drie deuren. We bevinden ons hier onder de toren, zoals gewoonlijk gezegd wordt. Wie de linkerdeur neemt, komt in de consistorie, de kamer waar de kerkeraad en de kerkvoogdij placht te vergaderen. De kamer wordt iedere zondag voor en na de dienst gebruikt door de dienstdoende ambtsdragers en de predikant. Men bereidt zich hier voor op de dienst en kan er napraten. Ook doopzittingen worden hier gehouden. De ruimte van ongeveer 4 bij 5 meter is eenvoudig ingericht. Langs de wanden hangen lijsten met de namen van alle predikanten die de kerk hebben gediend, en de foto’s van de meesten van hen. Ze lijken toe te zien op het werk van hun opvolgers en de na hen functionerende kerkeraadsleden. Lief en leed werd hier besproken. Vroeger vergaderde hier namelijk ook de kerkeraad. Het lief en het leed kon gemeenteleden betreffen, maar ook de onderlinge verhoudingen tussen de kerkeraadsleden onderling of de kerkeraadsleden en de predikant. De geschiedenis van de gemeente is echter een andere studie waard. We houden ons hier bij het gebouw.
We stappen weer het portaal in, en gaan naar de tweede kamer ’onder de toren’. Voor wie van buitenaf de hoofdingang inloopt de tweede deur rechts. De ruimte is even groot als de consistorie, ongeveer 4 bij 5 meter, maar komt iets kleiner over, omdat er een gedeelte in beslag is genomen door de naastliggende trap naar boven. We kunnen hier onze jassen kwijt en ons haar even kammen. Deze garderobe was oorspronkelijk bedoeld als extra vergaderkamer. We bevinden ons hier in de ruimte waarin het kerkelijke verenigingswerk is begonnen, voordat in 1901 de zaal achter de kerk werd gebouwd. Nadien vergaderden hier nog tal van groepen en commissies. Een Maranatha-bijbelstudiegroep, in 1931 gestart als reactie op de in de kerk gehouden Maranatha-conferentie van december 1930, kwam hier ook bij elkaar. Toen op 7 oktober 1944 de Duitse troepen de ontruimde scholen van Hollandscheveld bezetten, werd dit lokaal een schoollokaaltje. Juffrouw Van Doorm en haar 1e en 2e klas werden onder de toren geplaatst. Van lesgeven kwam niet veel. De beperkte ruimte en het regelmatige luchtalarm, als er weer geallieerde vloten overtrokken en de kinderen onder de banken moesten, verlamden het onderwijs. Ze probeerde er wat van te maken, samen met haar Hollandscheveldse kinderen en haar beide in de klas opgenomen Joodse onderduikertjes.
Hier, onder de toren, maakt de mooie jonge juffrouw Van Doorm een van de moeilijkste momenten van haar leven mee, als een ’charmeur’ van de SS haar klas binnenkomt, kort nadat op 22 november 1944 haar schoolhoofd (meester Wiegman) is gearresteerd. Met alle informatie op zak uit de verhoren van de Wiegmans, had Van Oort, de leider van de plaatselijke Nederlandse SS, juffrouw Van Doorm zo op kunnen pakken. Toch is dat niet gebeurd. Blijkbaar hadden de SS'ers een zwak voor de onderwijzeres, die ze vanuit de pastorie enkele weken aan het werk zagen. Juffrouw Van Doorm hierover: "Het was een dag of enkele dagen na de arrestatie van meester Wiegman. Een hele mooie Duitse officier kwam onder de les bij mij binnen. Ik dacht: "Nou hebben we de poppen aan het dansen". Ik was bezig met collectes. De kinderen mochten wat zendingsgeld meebrengen. Ik gaf toen les in het lokaaltje onder de toren. De officier kwam naast mij zitten, op een bank. Hij vroeg mij hoe allerlei dingen in elkaar staken. Ik zei dat ik echt nergens wat van af wist. Hij vroeg naar onderduikers, over de Wiegmannen, en meer van dat. Ik heb mij totaal van de domme gehouden. Ik verzon allerlei dingen, in een waas van waarheid, zodat ze leken te kloppen. Hij heeft mij een hand gegeven toen hij wegging. Ik dacht: "Nou, man, is dit nu een waarschuwing? Wat is er eigenlijk?" Juffrouw van Doorm dook onder, net als haar verloofde al had gedaan. Die avond nog, kwam de SS naar haar kosthuis, om haar te arresteren. Ze kwamen vergeefs, ze was weg. Later identificeerde ze de officier die naast haar was komen zitten als de beruchte Auke Pattist, de beul van Hollandscheveld. De herinneringen aan de noodschool en de jonge juffrouw zullen voor altijd aan het zaaltje blijven hangen.
De kerkzaal
Als we terug stappen in het portaal en oostwaarts de kerkzaal instappen, komen we in het ’hart’ van de kerk. Hier wordt gezongen, gebeden, geluisterd naar Gods Woord, en hier wordt nagedacht over de eigen heilstaat en de eigen levenswandeling met de Heer. Ieder ander gebruik van deze kerkzaal moet dan ook in overeenstemming zijn met deze gewijde functie. Wat voor geschiedenis hier in de harten van de mensen geschreven is, staat alleen opgeschreven in het Boek des Levens. Hoeveel mensen zijn het er geweest, die hier hebben gezeten? Veel, dat is het enige wat we met zekerheid kunnen zeggen. Tijdens de restauratie uit de jaren 1974-1976 is de kerk aan de buitenkant grotendeels intact gebleven, maar in deze ruimte moest men wel een en ander veranderen. De mensen waren gemiddeld groter geworden en vroegen meer zitgemak dan vroeger. Alle banken werden dan ook verbreed, zodat men er niet zo gauw af zou glijden. Ds. Kooiman sprak ooit over 500 plaatsen in de kerk. Bij de restauratie werden er 90 verwijderd, zodat er ruim 400 over zullen zijn. Op woensdag 2 april 1976 werd de geheel gerestaureerde Hervormde kerk weer in gebruik genomen.
Nu kan iedereen overal in de kerk vrij gaat zitten. Het kost geen geld en er zijn geen plaatsen verhuurd. Vroeger was dit anders. Het per opbod verhuren van plaatsen in de kerk leverde de gemeente veel geld op, en bracht een situatie van ongelijkheid met zich mee. Voor God waren de gelovigen misschien gelijk, voor de kerkvoogdij niet. In de dertiger jaren probeerde een oude Albert van de Schutswijk een plaatsje voorin de kerk te krijgen. De weduwnaar had aan één plaatsje genoeg, en hij had dit plaatsje nodig om de diensten goed te kunnen volgen. Hij hoorde niet zo best meer. Op de dag dat er op zitplaatsen geboden kon worden, was hij erbij. Eén van de meest gegoede winkeliers van het dorp, was er ook. Het plaatsje ernaast was al van hem, en als Albert het plaatsje kreeg dat Albert op het oog had, zouden ze naast elkaar in de kerk komen te zitten. Albert en de winkelier boden tegen elkaar op. Wat Albert ook bood, de winkelier ging er steeds weer overheen. Daar was niet meer tegen te bieden, en de winkelier kreeg ’zijn’ plaats. Albert heeft vanaf die dag dit plaatsje, iedere keer dat hij in de kerk kwam, nauwlettend in de gaten gehouden. In een jaar tijd zat er welgeteld één keer iemand. Op de dag af een jaar na de plaatsverkoop, sprak Albert de winkelier erop aan. Waarom had de winkelier deze plaats gekocht, terwijl hij, Albert, die eigenlijk nodig had om de dienst te kunnen volgen? De winkelier antwoordde, dat hij dit had gedaan, voor eventueel bezoek, dan kon die met hem mee naar de kerk. Dit vond Albert wel erg overdreven, en hij zei dat er maar één keer iemand op gezeten had. De winkelier antwoordde met een bijbelcitaat: ’Ja Albert, maar er staat geschreven: verschil tussen rijk en arm zal er altijd zijn!’ Tussen Albert en de winkelier kwam het niet meer goed. Gelukkig is er na het afschaffen van het verhuren van banken alle ruimte gekomen voor ouderen, zieken en gehandicapten, om de dienst bij te wonen op de plaats die het best bij hen past.

De aandacht wordt voor wie binnenkomt al snel getrokken door drie zaken in de kerk. Het orgel, de preekstoel en de beide glimmende koperen kroonluchters. De kroonluchters kwamen hier tijdens de restauratie te hangen. De grootste, het dichtst bij de preekstoel, werd geschonken door de provincie Drenthe. De ander werd gekocht door de gemeente zelf. In de oorspronkelijke kerk waren het enkel het orgel en de preekstoel, en voor 1910 alleen de preekstoel die de aandacht trokken. Kortom, het ging de bouwers vooral om de verkondiging van het Woord, en dat werd duidelijk gemaakt door de indeling van de kerk. Er was geen enkele versiering aan de witte wanden of aan het rondlopende witgeschilderde plafond, dat de aandacht van de mensen kon afleiden. De oorspronkelijke kerk was dan ook een voorbeeld van protestantse soberheid, die goed paste bij de arme kerkelijke gemeente. Er was ook geen geld voor versiering. Momenteel is een kleine concessie gedaan aan de protestantse soberheid. Dit in de vorm van twee in koper uitgeslagen en beschilderde afbeeldingen, voorstellende de stad Jeruzalem en Mozes met de twee stenen tafelen van de Tien Geboden. Ze hangen links en rechts onder het orgel, tegen de witte achtermuur van de kerkzaal.
Doordat aller ogen gericht worden op de preekstoel en de ruimte er omheen, is het duidelijk waar het liturgisch centrum van de kerk te vinden is. Hier, onder de preekstoel, vinden we een deels halfronde ruimte van ongeveer vier meter diep en zes meter breed. Oorspronkelijk was de ruimte veel kleiner. In 1851 waren alleen het Woord en de sacramenten belangrijk. Daarvoor was maar weinig ruimte nodig. Nu is de kerkdienst een moment waarop de gemeente met God in contact treedt. De gemeente kan in dit tweerichtingenverkeer ook zelf inbreng hebben. En daar is veel meer ruimte voor nodig. Ten tijde van de restauratie hadden al enige generaties moesten worstelen met de beperkte ruimte, want het eerste kerkkoor, de verdwenen Christelijke Gemengde Zangvereniging ’Looft den Heer’, was al van ver voor de Tweede Wereldoorlog. Maar voor een koor heeft men meer ruimte nodig dan voor een doopplechtigheid. Door het verwijderen van enkele banken en het verschuiven van wat moest blijven staan, werd bij de restauratie voorin de kerk meer ruimte geschapen. Hierdoor verdween ook het zogenaamde zondaarsbankje, een kleine bank, precies midvoor in de kerk en pal voor de preekstoel.
In het liturgisch centrum bij de preekstoel vinden we ook de benodigdheden voor het bedienen van de sacramenten. De eerste doop werd hier in 1852 bediend door de consulent van de jonge gemeente, ds. De Holl uit Hoogeveen. Ds. De Holl was zondag 4 januari 1852 dienstdoend predikant. Blijkbaar hadden sommige veldelingen in afwachting van de eigen kerk het dopen van hun jonge spruiten uitgesteld, want er waren er die dag maar liefst acht in de kerk aanwezig, zo lezen we in het toen nog nieuwe doopboek. Het eerste kind van het rijtje was Geert Metselaar. Geert was 29 november 1851 geboren als zoon van Jan Hendriks Metselaar en Hermanna Klos. Het tweede kind was Johannes Giethoorn, op 30 november 1851 geboren als zoon van Hendrik Giethoorn en Aaltje Roelofs Bouwmeester. Helaas weten we niet wat in 1852 gebruikt werd voor de doop. In ieder geval niet het nu nog aanwezige doopbekken. Het tinnen doopbekken met dito deksel is bepaald niet nieuw meer, maar aan de onderkant staat in de bodem ’GERO’ en ’HOLLAND’. Voor zover bekend is een dergelijke wijze van het merken van tingoed puur 20e eeuws. Het tinnen doopbekken is geplaatst op een zware eikenhouten standaard, van boven breed uitlopend, en in zijn geheel een doopvond uitbeeldend.
Het avondmaalstel uit de kerk kent een geschiedenis dat terug moet gaan op 1852. De 24e maart 1852 werd binnen de kerkeraad afgesproken dat ouderling Warner Ten Oever de voorbereidingen voor het eerste avondmaal in de kerk zou verzorgen, en daarbij ook zou zorgen voor de aanschaf van een beker en andere benodigdheden. Misschien dat een oud tinnen bord, zonder enig merkteken, gevormd en al enigszins misvormd door het lange gebruik, uit deze eerste jaren over is. Een gebruikte tinnen kan en dito beter dragen de letters ’Daalderop’ en ’Made in Holland’ onder de voet. Dit en de goede staat ervan verraden een beperkte ouderdom. Het gebruikte tinnen avondmaalservies werd in de loop der jaren aangevuld en vervangen, zo moeten we concluderen. Het avondmaal wordt hier gevierd door de belijdende leden te vragen naar voren te komen. Rij voor rij komen ze uit hun banken en lopen naar het liturgisch centrum, bij de preekstoel. Ze ontvangen brood en wijn, en lopen terug naar hun plaatsen. Al het hierbij meubilair is geplaatst ten tijde van de grote restauratie. Voordien werd gebruik gemaakt van een inklapbare oude halvemaanvormige avondmaalstafel, op schragen.
In 1901 is de symmetrie van de oostelijke muur, bij de preekstoel, doorbroken. Dit moest omdat de aanbouw van een vergaderlokaal hier een doorbraak in de vorm van een deur nodig maakte. In de situatie voor 1901 vond men aan weerszijden van de kansel een bord voor de preek en de liederen, en enige kollektezakken, alles op gelijke afstand van de lengte-as van de kerk. Alleen de trap van de kansel deed hier niet in mee. Op de kansel vinden we een kanselbijbel op een houten katheder, met afhangend doek. Daarop vinden we een Alfa, een Omega en een kruis, op een rood veld. Symbolen voor Christus, welke het begin en het eind van alles is. De aandacht van wie in de kerkzaal zit, gaat vooral uit naar het rode doek. Wie op de kansel staat, zal niet om de grote kanselbijbel heen kunnen. De oude kanselbijbel is een in leer en met koperen sloten uitgevoerde Statenbijbel. De kanselbijbel van Hollandscheveld is een Statenbijbel uit 1757, "Te Leyden te bekoomen by Samuel en Johannes Luchtman", zoals er in vermeld staat. Het jaar 1757 was ook het jaar waarin de kerkgeschiedenis van Hollandscheveld pas echt begon, met de vestiging van meester Pieter Jans Steen in de velden! Een Leidse bijbel op de preekstoel, legt onbedoeld een link met de stad waar in 1635 de Hollandsche Compagnie ontstond, de verveningsmaatschappij waaraan de naam Hollandsche Veld werd ontleend!
De bijbel werd geschonken in 1890, tijdens de afscheidsdienst van ds.Callenbach. Voorin de bijbel vinden we zijn woorden geschreven: "Num.6:24-27. Geschenk van Ds.C.H. Callenbach bij het afscheid nemen van zijn Gemeente aan de Kerk te Hollandsche Veld heilbiddend aangeboden. 2 Tim. 3:16. Joh.17:17. Hollandsche Veld 26 oktober 1890." Ds. Callenbach zal de bijbel niet voor niets hebben gegeven. Daarvoor kende de kerk blijkbaar geen kanselbijbel. De predikanten na hem zorgden ervoor dat, door het veelvuldig gebruik van de kanselbijbel als ondergrond voor hun eigen boeken, papieren en ellebogen, de punten van de bladen flink afsleten. Eind september 1995 werd de bijbel van de kansel gehaald. Schenkingen, akties van gemeenteleden en een gift van het Anjerfonds van f 2500,- maakten restauratie van het kostbare boek mogelijk. In de zomer van 1996 was de oude kanselbijbel weer terug in de kerk en kon weer compleet opgeknapt op de kansel gelegd te kunnen worden. De emotionele waarde van deze kanselbijbel is nog groter dan de geldelijke. Ben de Jonge, die namens de kerk de contacten met de restaurateur onderhield, verwoorde het aldus: "Rondom deze bijbel is onze gemeente altijd vergaderd geweest!". Hij zorgde ervoor dat de statenbijbel onder een plaat plexiglas kwam te liggen, zodat de papieren, bijbel en mouwen van de voorgangers de oude bijbel niet opnieuw zullen beschadigen. In de Tweede Wereldoorlog stond hier ds. Volger op de preekstoel. De Hervormde predikant was tevens hoofd van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers, in Hollandscheveld en omstreken. Hij was zo verstandig om zijn bonkaarten, krantjes en andere illegale materiaal niet in de pastorie te bewaren. Hij bewaarde het in de preekstoel, vertelde zijn weduwe.
Vanaf de preekstoel kijken we uit op het prachtige orgel van de kerk. Op dit orgel staat met vergulde letters onder meer ’Anno 1910'. Verder lezen we er de namen van de mensen van de orgelcommissie, die in 1910 ervoor gezorgd hebben dat dit orgel hier werd gebouwd. De commissie van 1910 bestond uit de heren R.H.Giethoorn, G.L. Zwiggelaar, F.E.Klooster, A.A.Mol en P.J.Steenbergen. Roelof Hendriks Giethoorn was een broer van de eerste dopeling in deze kerk. De huidige organist, Geert Koops, is een nazaat van Geert Roelofs Raak, de voornaamste bewerker van deze kerk. Het huidige orgel van de Hervormde kerk van Hollandscheveld is niet het eerste in deze kerk. Het eerste orgel werd geplaatst in 1862. Het was een gebruikt orgel, afkomstig uit de Grote of St.Clemenskerk te Steenwijk, en op 15 november 1862 in de kerk van Hollandscheveld geplaatst door orgelmaker A.van Bloemen uit Steenwijk. Het orgel was klein en handzaam, en daarnaast zeer oud. Volgens de voorlopige lijst van monumenten in Nederland, deel 2, provincie Drenthe, uit 1909, stond er in de kerk een orgelkast uit de periode 1675-1700! De eerste organist van de kerk was meester Berend Veldkamp. Overigens is het huidige orgel, dat al enige malen grondig werd gerestaureerd, niet helemaal zo jong als het lijkt. Eén van de pijpen, de Trompet 8', is zeer waarschijnlijk afkomstig uit een orgel uit de eerste helft der 18e eeuw! Ouder dan de kerk zelf, en ouder dan de kanselbijbel!
De bijgebouwen
Als we door de deur naast de preekstoel naar achteren lopen, komen we in een gebouwtje dat voor het dorp Hollandscheveld op zijn minst net zo belangrijk was als de kerk zelf. In 1901 werd er een vergaderzaal achter de kerk gebouwd. Deze was nodig, om het nieuw opgestarte verenigingsleven op te kunnen vangen. In 1896 werd namelijk de Christelijke Jongemannen Vereniging ’Gideon’ opgericht. De jongemannen van Gideon hadden vergaderruimte nodig, waarin ze met de Schrift bezig konden zijn en in een gezellige sfeer serieuze onderwerpen konden bespreken. Op 28 november 1901 werd door Leffert Johan Boersma, de zoon van ds. Gerrit Boersma, de eerste steen gelegd voor de vergaderzaal achter de kerk. Een beschadigde gevelsteen in het gebouwtje herinnert eraan. De ’metselaar’ van de eerste steen was 25 juni 1898 geboren, en tijdens zijn daad nog maar drie jaar en vijf maanden oud. De jongemannen van Gideon zetten zich flink in voor het nieuwe gebouw, en verzetten zoveel werk bij de bouw, dat ze de zaal voortaan voor niets zouden mogen gebruiken. Vervolgens bood het zaaltje ruimte aan zangverenigingen, meisjesverenigingen, knapenverenigingen, de begrafenisvereniging, de kerkelijke tegenhanger van Plaatselijk Belang van Hollandscheveld, de eerste christelijke vakbond van het gebied, de muziekvereniging, uitvaartdiensten, een kleuterschool, een klas van de basisschool, de bibliotheek van Hollandscheveld, noem maar op. Kortom alle mogelijke verenigingen en instellingen die een christelijk stempel droegen, of om wat voor reden dan ook niet in een café wilden vergaderen, of gewoon ruimte nodig hadden. In de Tweede Wereldoorlog werden hier de bonkaarten uitgedeeld. Het gebouw was toen ook een tijdje ingericht als keuken, voor de in deze streek gelegerde Duitse soldaten.
In 1985 werd in het in 1901 gebouwde vergaderlokaal een mortuarium ingebouwd, in gebruik door de uitvaartvereniging van Hollandscheveld. Om dit te kunnen doen, werd het gebouw inwendig in tweeën gesplitst. Er kwam een ingang op de noordkant, die toegang gaf tot een zaaltje, met muren afgescheiden van het restant van het vergaderlokaal van de kerk. Dit vergaderzaaltje werd minder dan de helft van het oorspronkelijke lokaal. Verder werd een brandkast ingebouwd, waarin de Hervormde Gemeente het archief onderbracht. Omdat het mortuarium niet groot genoeg was, en omdat men ook koelruimten wilde creëren, werd op de noordkant van het in 1901 gebouwde lokaal een extra ruimte gebouwd. Deze ruimte vormt samen met de oorspronkelijke ingebouwde opbaarruimte het nieuwe mortuarium. Het mortuarium van drie rouwkamers en drie koeltafels werd 26 februari 1994 geopend door Aaldert Bijl, oud-aanspreker van de uitvaartvereniging. Het gebouwtje achter de kerk mag door al deze verbouwing veel van zijn oude luister verloren hebben, daarmee blijft het een monumentje van grote historische waarde. De diverse verenigingen en andere kerkelijke aktiviteiten komen nu bij elkaar in de nieuwe aanbouw, of in het Jeugdcentrum, aan het Hoekje.

De pastorie
Zoals de gevelsteen in de kerk al aangeeft, is gelijk met de kerk ook een pastorie gebouwd. Deze inmiddels afgebroken pastorie werd ooit beschreven door de journalist Joh.G.C. ("Jo") Kooiman, een zoon van de ds.Jan Kooiman en een broer van de bekende Lutheraan professor Willem Kooiman. Hij groeide op in de oude pastorie, in de eerste helft van de 20e eeuw. Hij herinnerde zich de oude pastorie als een boerderij, die meer en meer pastorie werd. Het was: "Een groot, log en bijna vierkant ’woonhuus’, met een wat lagere maar veel grotere schuur. Aan de achterkant een stevig rieten dak. Dat zal aan de voorkant ook wel het geval zijn geweest, maar dat heeft dan door de verbouwing plaats moeten maken voor een pannendak. In die schuur, met een vloer van keihard opgedroogd leem, eendubbele paardenstal met afgeschutte ruimte voor een paar veulens, alles voorzien van een heuse voederruif. Bovendien was er nog een geitenstal. Een kippenhok met legbakken. En dan natuurlijk een kippenren. En.... al die voorzieningen die voor een boer nu eenmaal onmisbaar waren, bleven ook na de verbouwing, toen ik dus ’pastorie’ werd, gelukkig intact. Op de deel werden - blijkbaar gedreven door de wat kromme gedachte dat een predikantengezin meer leefruimte nodig heeft dan een boer - twee tuinkamers bijgebouwd. Pas veel later werd er bovendien nog een soort serre ’aangeplakt’. Een bijkeuken was er al en gelukkig werd er aan het oude woonhuis ook niet veel veranderd. Zo bleven dus de twee enorme kamers aan de voorkant bestaan, net als de lange, bijna drie meter brede gang met marmeren tegels, die van voor naar achteren liep. Aan de keuken, die oorspronkelijk zonder twijfel als woonkeuken was gebruikt, werd ook al nauwelijks iets veranderd. Ook bleven de opkamer met kelder daaronder, de drie slaapkamers op ’eenhoog’ en de enorme droogzolder in de oude staat, precies zoals de vijf bedsteden die verspreid waren over het hele oude gedeelte. Nog toegerust met ’beddeplank’, ’trekkers’, ’schellekoord’ en wat niet al.

Opmerkelijk waren ook de beide fascinerende dubbele schoorstenen op zolder. Niet alleen gebouwd om er de rook door af te voeren ,maar voor een goed deel ook om die te benutten voor het roken van de ’eigen slacht’. Vier gietijzeren deurtjes gaven toegang tot die ’privé-rokerij’, waarin ook tijdens de pastoriale periode heel wat zijdjes spek en handgestopte worsten consumptierijp werden gemaakt. Veel mensen hebben in de loop der jaren met die oude pastorie kennis gemaakt. Voor het grootste deel ’Ollansevelders’ natuurlijk. Honderden. Nee: duizenden. Maar.... hoevelen zullen er nog leven die zich dat alles nog herinneren? Een handvol. En elk jaar wordt dat aantal kleiner...."
Tot zover Jo Kooiman. Zijn laatste woorden worden steeds meer bewaarheid. Hoevelen leven er nog, die zich de oude pastorie kunnen herinneren?Begin 1939 werd de oude pastorie afgebroken. Nadat men een goede indruk gekregen had van het gemeentewerk van ds. Volger van NieuwAmsterdam, en zijn preek de kiescommissie zeer goed had gedaan, werd 1 februari 1939 door de Hollandscheveldse kerkeraad besloten een beroep op hem uit te brengen. Het zou nog tot 16 juli 1939 duren voor ds. Volger zijn werk in Hollandscheveld op kon pakken. Die dag werd hij ingeleid tot zijn dienst door ds. J.A. Van Nie uit Hoogeveen. Ds. Volger was al daarvoor betrokken bij de bouw van zijn nieuwe pastorie. Hij heeft de eerste steen gelegd op 28 april 1939. Een in de muur van de hal gemetselde gedenksteen herinnert daar nog aan. We lezen daarop: "Ter herdenking eerste steenlegging 28-4-1939 door Ds. W.Volger. De kerkvoogden; A.Gruppen, K.Vaartjes, G.Veld, E.ten Hoorn Boer, J.Wiegman, K.Berkenbosch adm. Arch. R.ter Stege G.W.zn."
De nieuwe pastorie werd een voor Hollandscheveldse begrippen uitzonderlijke moderne woning, waarvan er toentertijd geen tweede in het gebied te vinden was. In de Tweede Wereldoorlog werd dit het hoofdkwartier van de SS. De soldaten waren gelegerd in de lagere school, ten noorden van de kerk, en de officieren woonden in de pastorie. Een van hen, de later ter dood veroordeelde en gevluchte Auke Pattist vertelde over zichzelf en de andere officieren in de pastorie: "Na de dienst zaten we thuis te praten of te kaarten en misschien twee keer per week naar Hoogeveen 's avonds voor stafbesprekingen of gewoon om een borrel te drinken. (....) Wat ons 'hoofdkwartier' (de pastorie) betreft, Van Oort woonde met zijn vrouw in de kamer met het balkon, Hoogendam en ik in een kamer met vensters aan de kanaalkant, wij aten en kletsten tezamen in een grote kamer beneden en wikkelden de militaire zaken in een kleiner kantoortje daarnaast af. Een 'Putzer' - ordonnans voor de officieren - woonde in een zolderkamertje." Dit kantoortje, waar de militaire zaken werden besproken, was en is de werkkamer van de predikant. Waar tijdens pastorale gesprekken en het werken aan de vele honderden preken die hier zijn gemaakt de deur van het Koninkrijk voorzichtig op een kier wordt gezet, werd in de Tweede Wereldoorlog door discipelen van een Duivelse macht gewerkt aan de terreuracties tegen de Hollandscheveldse bevolking. Als herinnering aan deze periode staat op de noordkant van de kerk, in het park, een gedenkteken met de namen van 27 slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog uit Hollandscheveld en omstreken.

Hemelvuur in de kerk.......
Dit alles in de schaduw van het bekende Hollandscheveldse torentje. Een torentje dat al tweemaal beneden is geweest. De eerste keer was tijdens de grote restauratie. Reparaties bleken zo ingrijpend te zijn, dat het torentje naar beneden getakeld werd, om naast de kerk opnieuw opgebouwd te kunnen worden. Voor dat doel werd op woensdag 11 september 1974 de hele torenspits van de toren gehaald, met behulp van een hydraulische kraan van de gebroeders Van der Leest uit Emmen. Dit alles onder toeziend en bewonderend oog van veel Hollandschevelders, vooral schoolkinderen, omdat het net mooi hun vrije woensdagmiddag was. De hele operatie nam ruim anderhalf uur in beslag. President-kerkvoogd meester K.Bakker, architect Kruithof en A.Visscher van het gelijknamige bouwbedrijf (sleutelfiguren tijdens de restauratie ) werden die dag met de windvaan, de veenschop, in handen op de foto gezet voor het Hoogeveens Dagblad van 12 september. Heel wat minder vredig ging het toe toen de torenspits voor de tweede keer naar beneden kwam.
We schrijven dinsdagavond 7 december 1999, zo rond half 8. De toren van de Hervormde kerk van Hollandscheveld licht op boven een grauwsluier van water. Als de klok half acht slaat, is dat voorlopig voor het laatst geweest. De wijzers schuiven over de verlichte wijzerplaat. Een flinke onweersbui trekt over de gemeente Hoogeveen. Enkele flinke ontladingen zorgen voor een helverlichte omgeving, waarbij het licht en de donderslagen enkele tientallen kilometers in de omtrek gezien en gehoord worden. Over het kruispunt bij de Hervormde kerk van Hollandscheveld rijden wat auto's, een scooter, en fietsers, door de stromende regen. Een enkeling staat te schuilen onder een overstekend dakdeel bij de supermarkt van Ten Hoeve. Jong en oud vind zijn of haar weg naar de bijgebouwen van de kerk. 'Achter' de kerk begint een twintigtal jongeren van een meisjesclub met het Sinterklaasfeest. Het kerkkoor bereidt zich voor op de repetities. Een laatste dame en een laatste clublid snellen door de regen naar binnen, voor 'het' gebeurt.
Ooggetuigen zien ineens een vuurbol boven de kerk zweven. De bolbliksem ontlaadt zich. Een bliksemafleider is niet aanwezig. Een enorme hoeveelheid energie zoekt zijn weg naar het hiltje van de schop, die als windwijzer op het puntje van de toren staat. Dit hiltje verpulvert voor de helft, want het toch zo stevige metaal kan de lading niet aan. De energie gaat naar beneden via het smeedijzeren torenkruis en de ijzerdelen waarmee dit kruis op de torenspits staat. Waar het smeedijzer van het over de torenpunt geschoven gedeelte van het torenkruis ophoudt, zoekt de pure energie zijn weg naar beneden, en slaat half op het dak van de spits gekomen naar binnen, getuige een gat in de torensplits, met naar binnen gerichte houtdelen. Onder de spits hangt de luidklok. De klok wordt gepasseerd en blijft onbeschadigd. Onder de bronzen klok bevindt zich een elektrisch uurwerk met verlichte wijzers, in een vierkante houten opbouw op het dak van de kerk. Als de energie in aanraking komt met de elektriciteit volgt er een explosie, welke het effect heeft van een bom.
Drie van de vier wanden van de houten opbouw van rond het uurwerk worden als complete schotten weggeblazen. De veenschop, de windvaan, wordt losgerukt van zijn draaipunt en samen met dakleien van de spits als een serie projectielen omhoog geslingerd. Een grote wijzer van de klok vliegt als een metalen imitatie bliksemflits, en gelijktijdig als een dodelijke speer, door de lucht, en boort zich in de tuin van de koster in de grond. Via de elektriciteitsdraden welke vanaf het uurwerk omlaag lopen, baant de energie zich een weg naar de meterkast, waar deze over de rest van de bedrading in de kerk verdeeld wordt. De meterkast explodeert. Alle elektrische apparatuur in de kerk en het ingebouwde mortuarium wordt door de energielading in één klap verwoest. De elektrische bedrading in de kerk en de bijgebouwen blijft verschroeid achter. De luchtdruk die door de ontlading op het oude kerkgebouw staat is zo groot, dat het dak wordt opgetild, om direct weer met een rommelend en kreunend geluid terug te vallen op zijn plaats. De dakpannen vliegen door de lucht. Over het hele dak van de kerk blijven lege plekken achter, die de regen vrij spel geven. Het stucwerk van de muren binnenin de kerk spat deels van de wanden en valt naar beneden, door het door de drukverplaatsing losgerukte dak. Stucwerk, stof en vuil dwarrelen neer over het interieur van de kerk, waardoor het zo prachtige gebouw in één klap het aanzien krijgt van een gemeubileerde ruïne, als een kerk in oorlogstijd nadat deze een bom heeft moeten incasseren. Een groot aantal gipsen lijsten is gebroken. Een natuurlijke 'handtekening' van het natuurgeweld, een 'bloemvormige' afdruk blijft in de kerk achter, als de stilte na de donderslag over Hollandscheveld valt, en de ritmisch klaterende regen het geluid weer overneemt.
Dit alles speelt zich af in een fractie van een seconde. De ooggetuigen zien niet anders dan een oogverblindende lichtflits, terwijl er ineens 'allemaal vuur' is rondom de toren. De lichtflits wordt gezien, en gevolgd door een oorverdovende knal, alsof er een zware bom inslaat. Het is een lichtflits, die op enige honderden meters afstand van de kerk gepaard gaat met een blauwige, spookachtige gloed, zoals men zich niet kan herinneren dat deze ooit eerder gezien is, tijdens een onweer. De luchtdrukverplaatsing van de explosie is op honderden meters afstand eveneens te voelen. Een Hollandschevelder, in een gesloten werkschuurtje aan het knutselen, krijgt een ervaring die hij later omschrijft als: 'De broek fladderde mij an de konte!' De flits valt te zien tot ver in Drenthe en tot over de grens van Overijssel, terwijl de knal als een rollende donder ettelijke seconden later volgen zal. Elders in het dorp Hollandscheveld slaat het vuur uit de stopcontacten. In de zaaltjes achter de kerk is het na de overdonderende inslag ineens donker, terwijl de kerk angstwekkend begint te kreunen, te bulderen en te kraken. De mensen stromen naar buiten, terwijl het dakpannen, leien, hout en glaswerk inmiddels de grond hebben bereikt. Niemand raakt gewond. Velen zijn geschokt en aangeslagen.
Terwijl de vonken nog uit de meterkast slaan, begint een gesprongen gasleiding in de kerk zelf de ruimte te vullen met een explosieve lading, die een tweede, dodelijke klap had kunnen veroorzaken. Gelukkig is het gaslek niet zo groot, dat de concentratie nog die avond groot genoeg wordt voor een algehele reactie. Voor die tijd is het laatste vuur al uit de kerk verdwenen. Maar dat weet nog niemand op dat moment. De brandweer is snel ter plaatse. Deze hield ten tijde van de blikseminslag juist een oefening in de Antares in Hoogeveen. De oefening werd niet afgemaakt. Onmiddellijk vertrokken de wagens naar Hollandscheveld, gevolgd door de eerste journalisten. In de meterkast was een beginnend brandje uitgebroken. Omdat de brandweer er zo snel bij kan zijn, blijft de kerk zelf behouden. Met de ladderwagen werden brandweerlieden op de toren gebracht, maar er viel niets meer te blussen. De taak van de brandweer werd beperkt tot het voorkomen van nog meer ongelukken. De zwaar toegetakelde spits van het uit het lood geslagen bouwwerk, en het laatste houten schot op de westzijde van de toren, waarop een wijzerloos uurwerk te zien was, zouden een gevaar zijn voor passerend verkeer, als er alsnog door weer en wind stukken los zouden raken. Dat dit houten schot, boven de openbare weg, bij de klap is blijven hangen, is nog een geluk geweest. Omdat bij de restauratie van de toren de spits er toch af zou moeten, werd ter plaatse besloten om geen risico te lopen, en deze te laten verwijderen. Nog diezelfde avond kwam een kraan van Kraal om de spits eraf te halen, en het schot naar beneden te brengen.
De schrik zat er flink in. Journalisten, radio- en tv-ploegen maakten Hollandscheveld even landelijk nieuws. Men sprak van een ontplofte kerktoren. De indruk die dit alles gemaakt had op de bevolking was zeer groot. "KERKGEMEENSCHAP AANGESLAGEN NA VERWOESTENDE KLAP", kopte een avondblad op woensdag 8 december 1999. 'De verslagenheid is groot onder de leden van de kerkgemeenschap van de hervormde kerk in Hollandscheveld.' Nog een typering van de kerkelijke gemeente, in een krant van woensdag 8 december: "De knal is aangekomen als een stoot van een bokser, waar de kerkelijke gemeente een dag na dato nog van staat te duizelen." Wat er ook waar geweest mag zijn van deze teksten, de gemeente kwam er snel weer bovenop. Na enige maanden in het Jeugdcentrum gekerkt te hebben, kon op zondag 12 maart 2000 eerste dienst weer in de kerk gehouden worden. Er kwam in de weken daarna een geheel nieuwe toren op de kerk. De klok luidde op 4 mei weer als vanouds, toen de jaarlijkse Stille Tocht gehouden werd. Hollandscheveld heeft en houdt zijn kerk en zijn toren. Punt uit.