
HOOGEVEEN EN DE LUCHTOORLOG
ALBERT METSELAAR
HET EINDE VAN EEN LIBERATOR
De 6de maart 1944 werden er boven zuidoost Drenthe vier Vliegende Forten en drie Duitse jagers neergeschoten. Een achtste toestel dat hier verloren ging was de B-24J Liberator "Roll Call" (42-100424) van het 567 Bombardement Squadron en de 289ste Bombardement Group. Het toestel werd boven Zuid-Drenthe verlaten. De bemanning kwam hier aan de grond, maar "Roll Call" zelf vloog op de automatische piloot Duitsland in, de ondergang tegemoet. "Roll Call" was één van de 80 geallieerde vliegtuigen die niet terug kwamen van de eerste grote daglicht aanval van de USAAF op Berlijn. Aangezien verwacht werd dat het weer boven het vasteland van Europa vroeg in de morgen en laat in de middag wat minder gunstig zou zijn, werd besloten de strijdmacht niet via een omweg maar direct op het doel aan te laten vliegen. Zowel de heen- als de terugweg voerden over zuid-Drenthe. "Roll Call" vloog in de achterhoede van de grote luchtvloot, samen met de andere Liberators van de 2de Bombardementsdivisie. De eerste formaties van de voorhoede passeerden de Nederlandse kust ter hoogte van Bergen, omstreeks 10.45 uur.
Ongeveer 1200 zware bommenwerpers trokken oostwaarts, beschermd door grote aantallen jachtvliegtuigen. Ze vlogen op een hoogte van ± 7000 meter, hoog boven het wolkendek, dat tussen de 1000 en de 2600 meter hing. Omstreeks 11.30 uur vlogen de eerste bommenwerpers boven zuidoost Drenthe. Boven Duitsland kwam het tot verbitterde luchtgevechten. Om 12.47 uur begonnen in Berlijn de sirenes te loeien. Hevig afweervuur verwelkomde de eerste Amerikanen. De eigenlijke doelen van de luchtvloot, enkele fabrieken, werden niet of nauwelijks getroffen. In verschillende stadswijken stierven samen ongeveer 345 burgers. De Duitse jagers bleven aanvallen. Toestel na toestel viel ten offer aan hun vuur, terwijl de Amerikaanse schutters verbeten terugvochten. Op de terugweg bleef de strijd aanhouden. Even voor het bereiken van de Nederlandse grens werden de Amerikanen van alle kanten aangevallen door Focke-Wulf FW 190's. Al vechtend kwamen ze boven Drenthe. Tegen het eind van de middag werd "Roll Call" zo zwaar getroffen, dat commandant l/Lt. Kenneth Griesel uit Seattle (Washington) het commando "Abandon Aircraft" moest geven. Alle elf bemanningsleden sprongen eruit. De laatste was piloot Griesel zelf, die eerst iets ongewoons deed: voordat hij sprong draaide hij de Liberator in de lucht. "Alsof hij dacht: Die moeten de Duitsers maar op hun kop hebben", zo zei een getuige, die vanaf de grond het toestel een ongewone draai zag maken.
De aanvallen op Duitsland boden een schouwspel dat velen bezighield. Landarbeiders keken op van hun werk en waren leunend op hun spade aan het vliegtuigen tellen. Ze maanden zichzelf tot stoppen, omdat ze anders nergens meer aan toe kwamen. Hendrik Kelly uit het Krakeel vertelde hierover: "Daags lag je soms even op de rug op het land, de hand boven de ogen als de zon scheen. Je zag dan allemaal groepen vliegtuigen, van zo'n dertig bij elkaar. Met drie groepen had je al zo'n honderd vliegtuigen, zodat je er zo achter elkaar zo'n duizend telde. De ruiten trilden in de sponningen van het geluid. Je voelde dan de bevrijding dichterbij komen. Maar toe maar, het was toen nog wachten". Zo nu en dan waren ze getuige van een luchtgevecht of het einde van een vliegtuig, dat elders de grond raakte: "In het voorjaar van ‘45 kwam er een vliegtuig, die in bombarderen geweest was, schuin in het zuidoosten. Er sprongen ineens vijf parachutisten uit. Het vliegtuig draaide in de lucht en vloog terug, richting Duitsland. Ik heb nooit gehoord waar het toestel neergekomen is. Ik was toen half op een wijk op het Krakeel, waar nu Aaldert Jan Strijker woont. Er waren ook wolken in de lucht, maar daartussen was een groot blauw gat. We zagen even dat vliegtuig en zagen de mensen eruit springen. Ik weet niet waar ze gebleven zijn. Ze waren zo achter de wolken weg". Tot zover Hendrik Kelly.
Deze gebeurtenis werd ook gevolgd door landarbeiders bij Nieuw-Zwinderen. Eén van hen was Johannes ("Jans") Metselaar uit het Hollandscheveld, van de Schutswijk. Doordat de vliegtuigen zo hoog vlogen was het schouwspel kilometers in de omtrek te volgen. De landarbeider vertelde hoe een vliegtuig met pech (of aangeschoten?) zijn laatste weg ging. De bemanning sprong er op één na uit. De laatste draaide het vliegtuig eerst nog richting Duitsland, en sprong toen zelf. Er is in dit verhaal sprake van zeven parachutisten. Het was dag. Men zag ze dan ook al van verre aankomen. Eén van de parachutisten kwam neer in het land bij Klaas de Jonge, aan het dijkje ten westen van het Oostopgaande. Albert Metselaar van de Schutswijk, de vader van landarbeider Jans Metselaar, zag het gebeuren en zag hoe het met hem afliep. De parachutist werd al op de grond opgewacht door Duitse soldaten. Hij werd direct krijgsgevangen gemaakt, maar werd netjes behandeld.
Ongeveer tegelijkertijd kwam een parachutist neer op het land van Johannes ("Jans") Kleine, op de Meester Pieterswijk, ten oosten van het Fietsepad. Hij was de enige niet, die in die omgeving neerkwam. De toenmalige huisarts van Elim, dokter Brouwer, wist zich van hen het volgende te herinneren: "Het was aan het eind van de middag, in de herfst van ‘44. Er kwamen weer Amerikaanse bommenwerpers terug uit Duitsland. Ter hoogte van Schuinesloot, daar gingen ze zowat over, sprongen er een stuk of vier, vijf van die kerels uit. Die jongens kwamen naar beneden en het hele dorp zag dat en liep uit, inclusief de NSB'ers. Wat dat betreft was het al een verloren zaak om te proberen de jongens onder dak te brengen, als ze aan de grond kwamen. Ik ging erheen, stelde me voor als de dokter en vroeg of er iemand gewond was. Dit bleek niet het geval te zijn. Ik heb een stuk of drie, vier van die kerels mee naar huis genomen. Het duurde maar een klein ogenblikje, toen was het hele huis omsingeld door Duitse soldaten, van die jonge jongens. Ze kwamen binnen met het geweer in de aanslag. De Amerikanen werden er niet anders van. Ze zeiden alleen tegen mijn vrouw: "Are that soldiers? In America we call that boy-scouts!" De Duitsers vroegen mijn vrouw hen te vragen waar ze heen geweest waren. Ze waren benieuwd welke stad ze gebombardeerd hadden. Ze kregen als antwoord van de Amerikanen: "They will read it in the paper". "Das können Sie in der Zeitung lesen", bracht ze over. Ze namen de Amerikanen, grote forse kerels, mee als krijgsgevangenen".
Intussen hadden de omwonenden de parachutes al aan stukken gesneden en onder elkaar verdeeld. Ze moesten deze weer inleveren, voor zover na te gaan was waar de lappen stof gebleven waren. De Duitsers konden op zich niet veel met de lappen, maar voor privégebruik hadden ze er wel adresjes voor. Zo speelden ze bijvoorbeeld ook een lap stof door aan caféhouder Van der Weide, waar een groep soldaten ingekwartierd was. De soldaten hadden de beschikking over een motor, het enige voertuig waarmee ze zich in en rond Elim snel konden bewegen. Op die motor waren ze naar de plaats gereden waar de parachutisten neerkwamen. Ze vonden ze daar niet meer. Omstanders wisten waar ze gebleven waren.
Twee parachutisten kwamen neer in de landerijen rond Moscou. Ze wisten elkaar op te zoeken en zich te verstoppen. Tegen de tijd dat het donker werd besloten ze contact te zoeken met de plaatselijke bevolking. ze hadden geluk. Er woonden nogal wat pro-Duitse mensen in die omgeving, maar het lot voerde hen naar enkele "goede" vaderlanders. Ze kwamen aan de deur bij Rieks Kroezen, die aanvankelijk niet wist wat er gebeurde. De woningen moesten volledig verduisterd zijn en ‘s avonds mocht niemand meer op pad. Onder die omstandigheden de deur opendoen voor vreemden kon risico's met zich meebrengen. Toen hij doorkreeg waar het om ging was zijn argwaan over. De parachutisten werden opgevangen, gevoed en ondergebracht. ze sliepen die nacht bij Rieks in het hooi. De andere dag zocht Rieks contact met meester Pennings, van de school te Moscou. Deze was in staat zich in het Engels met hen te onderhouden. Die avond, toen het goed donker was, bracht Rieks hen over de grens met Overijssel. Ze wandelden over de Riegshoogtendijk langs het "Amstelbosje", dat op de grens staat.
De parachutes van toen waren slecht of niet te besturen. Men was een speelbal van de wind. Vandaar dat de mensen zover uit elkaar dreven. Hoewel de getuigen verschillende jaren en tijden van het jaar aangaven, waarvan ze 50 jaar later geen van allen zeker waren, en er geen eenduidigheid is over het aantal parachutisten, is uit de herinneringen duidelijk dat ze over één en dezelfde gebeurtenis spreken. De getuigen verwezen naar de gebeurtenissen op de andere plaatsen, waar ze niet zelf bij waren geweest, en bevestigden dat dit op dezelfde dag gebeurd was. De verhalen van elkaar aanvullende getuigen passen in elkaar als de stukjes van één puzzel. Het laatste fragment, waarmee de stukken een geheel gaan vormen, is het dagboek dat in deze periode werd bijgehouden door Arnold Douwes, een medewerker van Johannes Post. Hij maakt melding van de parachutisten bij dokter Brouwer te Elim, het punt van aansluiting op de vorige gedeelten, en dateert het gebeuren. Het relaas van Arnold over Roberts, de bommenrichter van "Roll Call":
"Maandagavond, 6 maart ‘44. (-)Toen we in de Nieuwe Krim waren, vlogen er weer massa's Amerikanen over, geweldige formaties. Er kwamen luchtgevechten. verwoed werd er geschoten. De mensen zochten dekking. Plotseling zagen we een Duitse jager naar beneden komen. Een ontzettende modderfontein spoot omhoog toen hij de grond raakte, misschien 400 m. van ons verwijderd. We wilden er juist op af, toen we in een andere richting een paar benen naar beneden zagen komen. Aan die benen zat het overige van een man en daaraan weer een parachute. Wij erheen met een topgangetje. We vroegen de kortste weg erheen aan verschillende personen. Niemand wilde ons inlichten. Enfin, we benaderden de parachute en vonden een eind verder de bijbehorende piloot een Amerikaan. Er stond al een troep volk omheen, niemand sprak Engels. Ik heb me aan hem voorgesteld, heette hem welkom en vertelde hem dat we ogenblikkelijk op stap moesten. "Yes, I want to get out of here", zei hij. Ik verzekerde hem, dat het dik in orde zou komen. om te beginnen verzocht ik de omstanders om weg te gaan, wat ze prompt allen deden. Daarna namen we Roberts, -zo heette de man- mee naar een schuurtje waar we hem van zijn vliegenierskleding verlosten. Helm, bril, overschoenen en handschoenen verstopten we onder een bult aardappelloof. We kregen een paar klompen, en een overall voor hem en liepen het veld uit, zo goed en kwaad als het maar kon, want hij had zijn voet verstuikt bij de sprong. Overall en klompen had Nico gehaald bij boer Frans v.d. Vinne.
Roberts op Nico's fiets, ik met Nico op de bagagedrager, reden we tot bij Otten. Daar leenden we ‘n derde fiets en reden naar de bossen, waar wij een hol hadden voor eventueel gebruik. Helaas, we konden er niet terecht, er was te veel volk in de buurt. Toen maar door naar Bouwe Zijlstra. Onderweg kwamen ons moffen op motoren met zijspan tegen, die op zoek waren naar parachutisten. Bij B. Zijlstra stopten we onze vriend in het hooihol, een prima schuilplaats. In en om de boerderij strooiden we al maar peper, tegen eventuele speurhonden. Bouwe was die dag jarig, dat troffen we. Er waren oliebollen, taart en andere lekkernijen in huis..... Roberts vertelde ons, dat ze naar Berlijn geweest waren en op de terugweg werden aangeschoten. Zijn kist was een Liberator, bemand met 11 personen, die allen waren uitgesprongen. Ik ben nog op zoek geweest naar zijn kameraden, maar ik vond hen niet. Twee van hen zijn, naar ik spoedig vernam, bij Dr. Brouwer in huis geweest, maar door de moffen gepakt. Ik ben nog even bij Kats geweest, die me vroeg hoe het met de Amerikaan was afgelopen, ik, stom verbaasd dat hij al van 't geval wist. Ja, de man die ons verleden zomer bij de distributie-overval de weg had gewezen, had het geval voor zich zien afspelen. Kats zegde zijn volle medewerking met zijn auto toe als het ooit nodig mocht zijn. ‘s Avonds bij Otten aangekomen heette het: "Kom, ga zitten en vertel....... enz. Ze wisten er al van. Allerlei verhalen deden de ronde.
Dinsdagavond, 7 maart 144. Nico heeft vannacht bij Roberts gewaakt. Peter en Herman zijn tot 5 uur ‘s nachts bezig geweest om voor Roberts een tekening te maken. Ik had namelijk een foto van hem gekregen, en Herman heeft er een keurige tekening van gemaakt. Juffrouw Otten deed er een gedicht bij, waarvan ik een vertaling maakte. Peter heeft gedicht en vertaling op de achterkant van Herman's tekening geschreven, geflankeerd door de Nederlandse en de Amerikaanse vlag. Ook maakte Peter een aantekeningboekje voor hem. We hebben heel Nieuwlande afgezocht naar een voorbeeld van een Amerikaanse vlag, we konden ons maar niet herinneren of de bovenste streep rood of wit was. (-)Ik ging weer naar B. Zijlstra, waar Nico - die vannacht gewaakt had - lag te slapen. Ik Heb veel met Roberts zitten praten en pannekoeken gegeten. We lieten dokter Reynierse komen om R's voet te behandelen, die erg gezwollen was. Hij, Reynierse, had schik in 't geval. "Noem me maar Texas Slim voortaan", zei Roberts. Ik overhandigde hem de tekening met bijbehoren van Herman. Hij was er heel blij mee, maar -omdat hij er geen weg mee wist- beloofden we 't voor hem te bewaren en na de oorlog hem na te zenden. We hebben nog een gezellige tijd gehad en op zekere avond is Texas Slim, in een verpleegsters-costuum gestoken, met 2 echte verpleegsters uit het Ziekenhuis Bethesda, naar Hoogeveen gefietst. Eén der begeleidsters was Zuster Tinie, de dochter van B. Zijlstra. Hij had er zelf de meeste schik van, toen hij voor de spiegel stond. Namens de Ondergrondse Beweging van Drenthe zal hij H.M. de Koningin in Londen bloemen aanbieden. Ook heeft hij een blanco stamkaart mee om in Engeland te laten drukken. Zijn adres in Amerika is: 1008 Jefferson Str., Fort Worth, Texas."
Tot zover het dagboek van Arnold. Roberts ontmoette op een volgend adres zijn captain weer, Kenneth Griesel. De mannen kwamen op 23 maart 1944 aan bij de familie Otten te Erp, waar ze bleven tot 9 april. Toen werden ze naar Bakel gebracht. Beiden reisden (met de trein?) via Maastricht, Eben-Emaël en Luik verder naar het zuiden. Verder loopt het spoor dood. De "Otten" in Arnolds verhaal, is meester Otten van Nieuwlande. Bouwe Zijlstra woonde aan de Coevorderstraatweg.