
HOOGEVEEN EN DE LUCHTOORLOG
ALBERT METSELAAR
DE CRASH VAN DE Z VAN 'ZERO"
Oakington, 3 december 1943. De mannen van het 7de squadron stromen binnen om hun orders voor die nacht in ontvangst te nemen. Als het gordijn weggeschoven wordt en de route van die nacht wordt door de op de kaart gespannen linten aangegeven, gaan hun ogen direct naar het doel van die nacht: Leipzig. Aanvankelijk zullen ze naar Berlijn vliegen, om de vijand te misleiden. Negen Mosquito's zullen die plaats aanvallen, maar de hoofdmacht zal afbuigen naar het eigenlijke doel. Ze noteren alles wat van belang kan zijn. Het weer, het ontmoetingspunt met de andere bommenwerpers, de verwachte flak en de misleide vijandelijke jagers. Als bemanningsleden van een Pathfinder-squadron zijn ze verantwoordelijk voor het slagen van de aanval. Het doel dat zij door hun bommen aan zullen geven, zal door de andere squadrons blindelings gebombardeerd worden.
Buiten wordt door het grondpersoneel de laatste hand gelegd aan het voorbereiden van hun toestellen. Zijn ze volgetankt, zijn de laatste reparaties goed uitgevoerd, is er voldoende munitie voor de boordkanonnen? Alles wordt nog eens gecontroleerd. Niemand wil verantwoordelijk worden voor het verlies van een toestel doordat er fouten gemaakt zouden worden bij de voorbereiding. Aanvankelijk vloog het squadron met Short Stirlings. In 1943 werd overgeschakeld op Lancasters. Juli 1943 werd de JA 685 afgeleverd. Het is een Lancaster III, hetzelfde type vliegtuig dat 25 maart 1944 in Het Meer, bij Hollandscheveld, neer zou storten. De JA 685 viel onder een bestelling van 550 toestellen, die al in 1941 geplaatst was bij de A.V.Roe fabriek te Chadderton, en in de maanden juni tot december 1943 afgeleverd zou worden. Het toestel had al heel wat vlieguren achter de rug. Het zouden er 215 worden. Als de captain, sergeant C.H. Phillips, even voor middernacht met zijn mannen naar het toestel toestapt, is het geladen met zes bommen. Eén bom van 500 pond, vier van 1000 pond en een bom van maar liefst 4000 pond. Eén voor één komen de vier Rolls-Royce Merlin 28 motoren knallend tot leven. Bij iedere motor zwelt het geraas verder aan en wordt de siddering die door het toestel gaat sterker en sterker. De Lancaster, met op de romp de letters MG-Z (van "Zero"), staat bij de startbaan te wachten op zijn beurt. De 4de december 1943 is net vier minuten oud als de warmgedraaide motoren de toestellen over de baan trekken, de lucht in, richting Duitsland. 24 Toestellen zullen die nacht niet terugkomen.
Voor de piloot bestaat een vlucht naar Duitsland zowel heen en terug uit een doorlopende opeenvolging van activiteiten. Het formatievliegen vergt concentratie, voortdurende oplettendheid en ervaring met het toestel. De schutters worden geacht steeds op hun taak geconcentreerd te zijn, maar voor hen gebeurt er meestal niet zoveel, waardoor oplettendheid gemakkelijk kan verslappen, met eventueel dodelijke gevolgen. Het verrassingseffect, van een plotseling vurende nachtjager, even daarvóór nog door het duister aan het oog onttrokken, kostte menige bommenwerper en deed velen sneuvelen. Maar ook als er vroegtijdig en hevig gevuurd werd, was het doelwit van de nachtjager vaak ten dode opgeschreven. Uit de informatie die de overlevenden van de crash van de Z van "Zero" gaven, is bekend dat ook zij het slachtoffer werden van een nachtjager. Als plaats van de crash meldden de Engelse bronnen het Duitse Meppen. De Z van "Zero" heeft Meppen niet gehaald. Uit de Nederlandse bronnen weten we dat het toestel ergens tussen 02.00 uur en 03.00 uur te pletter sloeg, nadat men het met minstens één motor in brand nog had zien rondvliegen. Pas om 03.58 uur was de hoofdmacht boven Leipzig. Dit en het feit dat het toestel zijn bommen nog aan boord had, maakt ons duidelijk dat de Lancaster op de heenweg aan zijn einde kwam.
In 1945 schreef captain Phillips een brief aan de nabestaanden van de gesneuvelden. In de brief aan George Hewitts familie gaf hij het volgende verslag van de gebeurtenissen in de laatste minuten voor de crash: "We werden aangevallen en geraakt door een nachtjager, voor we hem gezien hadden, en vlogen in brand. Ik deed wat ik kon om het vuur te laten doven, maar het had geen succes. We werden toen voor een tweede keer aangevallen en weer geraakt. Het vliegtuig was zwaar beschadigd. Ik besloot dat we het toestel moesten verlaten en gaf het bevel aan de bemanning om dat te doen. De boordwerktuigkundige probeerde het ontsnappingsluik te openen, maar dat was niet open te krijgen. Het moet beschadigd geweest zijn. Terwijl hij dit los probeerde te krijgen werden we voor de derde keer aangevallen. Bij deze aanval werd mijn apparatuur weggeschoten, waardoor ik alle controle over mijn vliegtuig verloor, dat in een spin terecht kwam. Ik werd uitgeworpen door de bovenkant van mijn cockpit. Na de eerste aanval was ik niet meer in staat contact te hebben met mijn schutters of George, want het communicatiesysteem was vernield en door een aanwakkerend vuur bij de ingang van het navigatorsverblijf waren we niet in staat naar achteren te gaan, dus ik ben niet in staat te zeggen of George werd gedood door de vuurstoot van de nachtjager of op een andere manier".
Hetzelfde gold voor Cochrane, Bale en Smith. Ze waren het contact met de drie mannen in de cockpit kwijt en moesten op eigen houtje de beslissing nemen om te springen. Aangezien ze geen van allen in het wrak aangetroffen werden, hebben ze dat ook gedaan. Alle vier sprongen ze te laat. Het bevel om te springen kon hen niet bereiken, waardoor ze een beslissing moesten nemen die ze onder andere omstandigheden nooit zelf hadden mógen nemen. De laatste ogenblikken waren luttele momenten van twijfelen, voor ze beseften dat het toestel op de grond afraasde en ze niet langer kónden wachten. Captain Phillips schreef over George Hewitt persoonlijk: "George kwam pas bij mijn crew kort voordat we neergeschoten werden, maar in die korte tijd werd hij geliefd bij de rest van de bemanning en mij persoonlijk. Ik had nooit iets verkeerds aan te merken op de manier waarop hij zijn werk deed".
Het toestel kwam vanuit het oosten aanvliegen en draaide boven het gebied Nieuwlande-Elim-Moscou-Schuinesloot. Het was en is een landelijk gebied met weiden en bouwland, hier en daar afgewisseld door een stukje bos en wat boerderijtjes. Het is een gebied dat ooit in zijn geheel onder het Hollandsche Veld viel en in 1792 voor Drenthe en Echtens-Hoogeveen voor de helft verloren ging bij een voor hen nadelige uitspraak in een grensgeschil. Van de kant van Overijssel zou gezegd kunnen worden: het is het gebied dat Drenthe gedeeltelijk van hen ingepikt heeft. De boeren uit deze provincie eisten namelijk zelfs de grond rond het huidige Elim op, tot aan de Bakkerswijk. Voor het brandende vliegtuig bestonden er geen grenzen. Toen het in de omgeving van Schuinesloot weer oostwaarts vloog, vielen er stukken van de vleugel af. Voor het toestel verder uit elkaar viel en voor er meer hoogte verloren werd moesten ze eruit zijn. De piloot, Sgt. C.H. Phillips en de boordwerktuigkundige Sgt. W.J.R. Craze verlieten het toestel. Craze zag dat Cochrane zich klaar maakte om ook te springen. Voor hem en de anderen was het al te laat. Vanwege de geringe hoogte waarop men vloog, had de parachute geen nut meer. Vier van de zeven bemanningsleden sloegen dood op de bevroren grond. Volgens getuigen vielen ze dwars door de vorstlaag heen. Het waren:
-Sgt. John Henry Forrester Cochrane (1586300), navigator, 29 jaar oud, zoon van Commander Morris Edward Cochrane en Charlotte Cochrane, uit Braydon, Wiltshire.
-Sgt. Aubrey Herbert Bale (1338274), staartschutter, zoon van Herbert F. en Hilda F. Bale, uit Mortlake, Surrey.
-Sgt. George Walter Hewitt (955034), radiotelegrafist, 23 jaar oud, zoonvan Willie en May Hewitt, uit Nether Green, Sheffield.
-Sgt. Robert Vivian Duncan Smith (1435478), rugkoepelschutter, 20 jaar, zoon van Walter Raleigh Smith en Elsie Maud Smith, uit Burton-on-Trent.
Ze stierven in het Kikkersveld, tussen Elim en De Krim, in de gemeente Gramsbergen. Hun toestel boorde zich daar in een oude veenwijk in de aarde van wat gezien wordt als een uitloper van Nieuwlande. Hoewel de grens van 1792 duidelijk gemaakt had waar Drenthe ophield, was de ondernemingslust van de Drentse verveners niet te stoppen geweest. In het gebied dat nu onder de gemeente Gramsbergen valt, werd veen gekocht en werden wijken gegraven die uitkwamen op het Hoogeveense water van de Jeulenwijk en de Meester Pieterswijk. Bij de kolonisatie van die wijk was het de bevolking van de gemeente Hoogeveen die er een stempel op drukte. De naam van de familie Kikkert leeft hier voort in de Kikkertsveldweg. De familie leende zijn naam aan de (voormalige) Kikkerswijk en deed de nog door de bevolking gebruikte naam Kikkersveld ontstaan. Vanuit de Meester Pieterswijk werden drie wijken in zuidoostelijke richting gegraven. Op één daarvan, de meest oostelijke, werd een boerderij gebouwd. Het pand kennen we nu als Kikkertsveldweg no. 1. In de situatie van vóór 1792 kende men de grond als de zuidkant van de Groot Hendrikswijk. Van Drentse kant beschouwde men ooit als eigenaar de bekende Hollandscheveldse vervener en Oranje-aanhanger Hendrik Thijs Thalen, voorouder van de auteur dezes.
In de jaren rond de Tweede wereldoorlog was het huis eigendom van de erven Van de Vinne uit De Krim. Het werd bewoond door het gezin van Geert Stoter en zijn vrouw Jantje Moman. De woning stond vrij afgelegen, midden in het veld. Alsof het om een voorbode ging, kwam daar op 12 oktober 1941 om 22.00 uur met een joelend geluid een bom naar beneden, om vlak naast Geert Stoters woning in de grond te slaan, dichtbij een slaapkamer. Een muur lag eruit, en het hele huis was een ravage. Geert’s dochter Grietje, nog een baby, moest naar Groningen om glas uit het oog te laten verwijderen. De woning werd weer opgeknapt. In de eerste uren van de 4de december kwam in 1943 een compleet vliegtuig op de grond af. Nadien viel er een brandstoftank naast de woning, die ook nog eens in brand vloog. Voor het pand werd gevreesd. Het bleef gelukkig behouden. Terug naar 4 december 1943:
Terwijl hij een doordringend loeiend geluid om zich heen verspreidde, legde de Z van "Zero" zijn laatste meters af. Het toestel raakte de grond, werd in zijn vaart opgevangen door een veenwijk, ± 160 meter van de woning van Geert Stoter, klapte tegen de wal van de wijk, met de neus richting De Krim, dwars door het ijs heen, en vloog uit elkaar. Als de wijk er niet geweest was, was Geerts huis weggevaagd. De omgeving werd één vuurzee. Een deel van de romp bleef in de wijk achter en de staart en de vleugels verspreidden zich in stukken over de (voormalige) Groot Hendriks- en Samuëlswijk. De wielen lagen zo'n 60 meter voor Geerts woning. Een geschutskoepel lag erachter (= er ten oosten van). Alle ruiten uit Geerts woning waren door de klap en de luchtdruk verdwenen.
Geert Stoter vertelde: "We waren in huis en hebben er geen schrammetje van gekregen, geen van allen. Het gebeurde ‘s nachts om 02.00 uur. Ik dacht dat het hele huis in brand stond, maar dat ging goed. De vlammen klapperden op het dak, maar er lagen cementpannen op en daarom kwam er geen brand van". Captain Phillips en Cooper hadden dicht bij deze plaats veilig de grond bereikt. Ze liepen naar Geerts woning en wensten hem dwars door de kapotte ruiten heen een "Good morning", zo werd nog jaren later verteld. Geert nam ze in huis. De vier gesneuvelde bemanningsleden werden in het licht van de brandende bommenwerper in het veld ontdekt, door de toestromende omwonenden. Net als bij de bommenwerper in Het Meer kwamen de mensen uit de wijde omgeving kijken wat er aan de hand was. Bij sommige bemanningsleden hadden ze de indruk dat er nog even leven te ontdekken was, maar de verwondingen waren zo zwaar dat de dood geconstateerd kon worden zonder dat er ook maar één van de gesneuvelden nog bij kennis geweest was.
Eén van de mensen die al vrij snel bij het wrak kwamen was A.J. Kolkman, van de marechaussee uit De Krim. Kolkman schreef 28 mei 1947 een brief aan een zuster van George Hewitt, waarin hij de volgende beschrijving gaf van de crash: "Grote formaties machines vlogen in de richting van Duitsland. Om ongeveer 3 uur werden de machines plotseling beschoten en na een paar minuten moesten ze de formatie opbreken, waarbij er één werd neergeschoten. Ik ging onmiddellijk naar het wrak, maar ten gevolge van de geweldige hitte kon ik er niet dichtbij komen. Samen met een plaatselijke boer (= Geert Stoter) ontmoette ik twee van de bemanningsleden, die door hun parachute gered waren. Eén van hen werd, naar ik meen, Cooper genoemd, maar de naam van de andere ben ik vergeten. Een derde die gered was heb ik nooit gezien. Hij werd later gevonden met een gebroken arm en werd meegenomen naar het ziekenhuis in Hoogeveen. Diegenen die het overleefd hadden vertelden me dat ze in een Lancaster gevlogen hadden, met een bemanning van zeven man. In het donker, bij het licht van de brandende overblijfselen van de machine, slaagden we er niet in de andere leden van de bemanning te vinden. We vonden ze niet voordat het morgen was, en ze waren al dood. Door een wonder, God zij dank, waren ze niet verbrand. U kunt me op mijn woord geloven, niemand was vermist".
Een brief van de burgemeester van Gramsbergen van 13 december 1943 noemt als tijdstip van de crash 02.15 uur. Hij schreef aan de Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken te Amsterdam: "Bij dezen heb ik de eer U mede te deelen, dat ten gevolge van het neerstorten van een Engelsch vliegtuig op 4 December 1943 des v.m. te 2.15 uur in de onmiddellijke nabijheid van de woning bewoond door G. Stoter, wonende te Nieuwlande, I. no. 253, in deze gemeente, het huisraad van gemelden bewoner is beschadigd. Beleefd verzoek ik u maatregelen te willen treffen tot het verleenen van financieele hulp aan het door oorlogsgeweld getroffen slachtoffer".
Geert Stoter heeft zijn onverwachte gasten maar even in bed gehad. Hij vertelde: "Die soldaten heb ik weggebracht. Eerst hebben ze nog een poosje op bed gelegen. Ik zei: "Jullie moeten weg, want als de Duitsers komen dan pakken ze je". Ik bracht ze weg naar iemand waarvan ik wist dat hij bij de ondergrondse was. "Gao daor maor in, die zal wel veur oe zorgen." Ik kwam weer terug en liep over het land op huis aan. Er kwam een Duits jagertje boven die een schijnwerper aanzette. Ze schoten op mij. Ik ben direct in een sloot gesprongen, zodat ze me niet meer konden zien. Ze draaiden een paar keer rond en gingen weg. Toen kon ik naar huis lopen. Ze hebben me niet geraakt". Bij het aanbreken van de ochtend werden Phillips en Cooper weggebracht door Kolkman en diens collega uit Gramsbergen. Ondanks de inzet van de marechaussee werden ze nog diezelfde dag krijgsgevangen gemaakt. Dit gebeurde nadat de Duitsers uit Hoogeveen een onderzoek ingesteld hadden. Ze kwamen pas in de loop van de ochtend aan bij de plaats van de crash, stuurden iedereen bij de wrakstukken weg, en ondervroegen de aanwezigen en omwonenden. De beide krijgsgevangenen werden afgevoerd via de plaats des onheils, via de plaats waar het toestel de grond had geraakt. Craze kon zich later nog herinneren dat hij de lichamen van Hewitt en Smith had zien liggen. Daarna werden ze lopend richting Elim gedreven, een geweer in de rug. Via de Carstensdijk, de Riegshoogtendijk en de Langedijk bereikten ze Hoogeveen. Onderweg zwaaiden ze zo af en toe tegen de omwonenden, voor zover de bewakers dit toestonden.
Bommenrichter Craze had op dat moment al wat anders achter de rug. Hij kwam een flink eind ten westen van het wrak neer, wat erop wijst dat hij als eerste uit het toestel gesprongen moet zijn. Bij de landing raakte hij gewond aan zijn been. Het leek er op het eerste gezicht niet al te best uit te zien. Op zoek naar een plaats om zich te verstoppen, kwam hij terecht in de turfschuur van Hendrik Kikkert, op de Samuëlswijk bij Elim. In die omgeving was hij ook aan de grond gekomen. Hendrik Kikkerts echtgenote wou in alle vroegte turf halen om de kachel op te stoken. Ze vond daar Craze en is zich wild geschrokken. Al snel was de hele omgeving op de hoogte van zijn aanwezigheid. Dokter Brouwer van Elim werd ingeschakeld: "Dokter, direct komen, er ligt een kerel in de schuur en hij zegt ook goeie morgen......." De huisarts kon zich in het Engels met Craze onderhouden. De wond bleek oppervlakkig te zijn. Het been hoefde er niet af, zodat zijn eigen angst voor verminking ongegrond gebleken was. Later gingen er over de aard van zijn verwondingen de wildste geruchten, getuige ook Kolkmans brief. Achterop de motor van de huisarts werd Craze naar diens woning vervoerd, waar hij diens zoontje op chocola trakteerde. Daarna werd Craze weer achterop de motor gezet en naar het ziekenhuis gebracht, waar dokter Van de Velde toentertijd nog werkte. Deze had geen mogelijkheden meer om hem onder te laten duiken, daar er inmiddels teveel mensen op de hoogte waren. Craze werd vanuit het ziekenhuis als krijgsgevangene afgevoerd. Hij, Phillips en Cooper overleefden de oorlog in een Duits krijgsgevangenenkamp.
In het Kikkersveld werden die 4de december de doden verzameld en vervoerd. Aan koster Schreur en Kroeze uit De Krim was de taak van de kisting opgedragen. Ze ontdekten daarbij dat de persoonlijke bezittingen, ringen en horloges al verdwenen waren. In die dagen ging het gerucht dat de vliegtuigbemanningen altijd veel goud bij zich zouden hebben. Dit verhaal werd algemeen geloofd. De feiten waren anders. Geert Stoter vertelde hoe het kwam dat de persoonlijke bezittingen weg waren: "Kolkman van de marechaussee kwam ‘s morgens bij mij. Toen zijn we samen bij de slachtoffers langs gegaan. We hebben ze de ringen, de horloges en de sigarettenkokers afgenomen. Die zijn via het Rode Kruis allemaal weer bij de ouders teruggekomen. In 1947 kwamen de ouders van één van de jongens bij ons. Die vroegen of hij ook nog geleefd had en wat zijn laatste woorden waren. Ik zei dat ze direct weg (= overleden) waren. Ze vertelden mij dat de sieraden allemaal teruggekomen waren".
De geruchten van diefstal van deze spullen wees hij dan ook van de hand. De meeste mannen droegen ook al geen laarzen meer. De nachten na de ramp is het nog erger gaan vriezen dan daarvoor en de dag erop kon er al geschaatst worden op de wijk waarin het toestel neerkwam. we mogen aannemen dat de laarzen die winter goede diensten bewezen hebben, aan de voeten van bewoners van die streken. De lichamen werden diezelfde dag nog vervoerd naar Gramsbergen, waar ze in het baarhuisje gezet werden. Het onderzoek op de lichamen leverde ook de identiteitsplaatjes op. Eén plaatje werd meegegeven in de kist, het andere plaatje werd meegenomen door een Duitse officier, die ook de resterende persoonlijke bezittingen meenam. De lichamen werden 6 december begraven, naast die van de bemanningsleden van eerdere crashes in de gemeente Gramsbergen. Het was een begrafenis waarbij officieel maar enkele mensen aanwezig waren. Belangstellenden keken op afstand toe. Geert Stoter was één van de mensen die de begrafenis zo, van op afstand, meemaakte. Behalve de grafdelver(s) waren bij de begrafenis aanwezig: burgemeester baron Van Voerst van Lynden, J. Kenemans uit Ane (het toenmalige hoofd van de luchtbeschermingsdienst), diens plaatsvervanger, ds. J. Bavinck (van de Gereformeerde Kerk van Gramsbergen) en een Duitse officier. De graven werden gesloten en voorzien van houten kruizen, tot enkele jaren na de oorlog de bekende witte stenen geplaatst werden, die we overal op de graven van Engelse bemanningen aantreffen.
Het hoofd van de luchtbeschermingsdienst beschreef zijn betrokkenheid bij de crash en de gebeurtenissen daaromtrent als volgt: "Ik Johannes Kenemans, Commandant van den Luchtbeschermingsdienst in de gemeente Gramsbergen verklaar hierbij het navolgende: "Op Zaterdag, 4 december 1943, omstreeks 6 uur deelde Wybe de Jager, wijkhoofd te De Krim, in deze gemeente mij telefonisch mede, dat in de buurtschap Nieuwlande een vliegtuig was neergestort. In een gevorderde auto begaf ik mij naar de woning van voornoemd wijkhoofd, waarna De Jager en ik naar de plaats van het verongelukte vliegtuig reden. Op de plaats des onheils aangekomen, zijnde een terrein gelegen in de nabijheid van de woning van den landarbeider G. Stoter te Nieuwlande, I.no.253, trof ik op voormeld terrein de lijken van vier vliegers alsmede de resten van een viermotorige bommenwerper; volgens mededeeling van Duitsche zijde zou het hier een Lancaster bommenwerper betreffen. Op mijn last werd onmiddellijk tot afzetting van het terrein overgegaan. De bewaking hiervan werd om 13 uur door de Duitsche weermacht overgenomen. Drie vliegers, welke met parachuten waren gedaald, zijn door de Duitsche weermacht krijgsgevangen gemaakt. Inmiddels verrichtte ik de voorgeschreven telefonische meldingen. Te omstreeks 15 uur zijn de lijken van de verongelukte vliegers vrijgegeven. Den volgenden dag zijn de lijken gekist en op 6 December 1943 op de algemeene begraafplaats te Gramsbergen ter aarde bestelde. Waarvan is opgemaakt dit rapport, gesloten en geteekend te Gramsbergen, den 7 December 1943. De Commandant voornoemd, J. Kenemans."
De Duitsers zochten in de loop van de crash-dag een woning om enkele dagen ingekwartierd te kunnen zijn. Als eerste kwam de woning van Geert Stoter in aanmerking. Geert vertelde: "Ze (de Duitsers) kwamen ‘s middags en vroegen wie er woonde. Ik had mijn vrouw en kinderen weggebracht naar de buren. Ik zei niks, net zolang tot één van de mensen die waren komen kijken zei: daar is hij. De overste van die Duitsers kwam bij mij en zei: we moeten hier ingekwartierd. Kolkman zei dat ‘s morgens al tegen mij: jong, je krijgt ze in kwartier. Ik zei: waar een Duitser in huis is, daar kan ik niet zijn en waar ik ben kan geen Duitser zijn. Die overste kwam in huis en zei: o, wat mooi, daar kunnen we wel slapen. Ik zei: daar slaap ik! Daar slapen wij en daar de kinderen! Ik had toen al alle meubels eruit gehaald en opgestapeld in een slaapkamer. Ik had de klink uit de deur gehaald en in mijn zak gestoken. Die Duitser zei tegen mij: wat is daar? Ik zei: doe de deur maar los. Het was de voorkamer, die helemaal leeg was. Hij zei: maar hier kunnen we wel zijn! Hij zei: ga jij maar naar de burgemeester, dan kun je wel een lamp en een kachel krijgen. Ik zei: ga jij maar, ik niet! Hij zei: wat is daar, achter die deur? Ik zei: alles is aan splinters. Ik wou er ook graag in maar kan er niet in komen. Dat was de slaapkamer met alle meubels en bedden erin. Hij liep achteruit en zou op die deur aanvliegen en hem intrappen. Ik greep hem bij de keel. Hij kon geen adem meer krijgen. Hij werd rood en blauw. Toen hij bijna viel liet ik hem weer los. Ik zei: en nu eruit! Hij de deur uit! Hij heeft mij nooit meer aangesproken. Iedereen zei: het is een wonder dat hij je niet doodgeschoten heeft. Ik was alleen met hem in huis en overblufte hem. Later zijn ze bij Walraod Kreeft in kwartier geweest. Ik had geluk gehad. Als we zo terugkijken kunnen we zeggen hoe groot de macht is van God, die je bewaren kan".
Bij Walraod Kreeft, op de Meester Pietersvijk in Drenthe (meester Pieterswijk 103) zijn tot 17 december een onderofficier en zes soldaten in huis geweest. Ze bewaakten het wrak, dat aan een uitvoerig onderzoek onderworpen werd. Eén van de soldaten bleek in zijn eigen dialect goed te kunnen praten met de omwonenden. Hij kwam helemaal niet zo ver weg, vertelde hij. Hij had vier kinderen, verlangde naar ze terug, maar had ze al maanden niet gezien. Hij wist niet eens of ze nog leefden. Contacten als deze deden de afstand tussen de soldaten en de bevolking verkleinen.
Rond het wrak werd veel munitie gevonden, afkomstig van de boordkanonnen. Tot grote verrassing van iedereen bleken er ook nog zes bommen in het vliegtuig gezeten te hebben, waaronder een hele zware. Die bom was wel 2 ½ meter lang, wist men zich te herinneren. Die was zo zwaar, zeiden de Duitsers, dat de hele buurtschap in het Kikkersveld weggevaagd was, als hij ontploft was. Ze noemden het een luchttorpedo. De andere bommen waren "gewone" bommen, "kleintjes". Aangezien bij de herinnering aan de bomlading zowel het aantal als het soort bommen overeenkomt met de in Engelse bronnen opgegeven lading (de "luchttorpedo" was de bom van 4000 pond), kan de herinnering betrouwbaar geacht worden. Geert Stoter vertelde over de bommen: "Eén bom ontplofte. Die viel net in zo'n hele diepe waterlossing. De luchtdruk smoorde in de grond, anders was het huis niet meer blijven staan. Die hele zware bom viel ook, maar die is niet ontploft. Die hebben ze later uit de grond gehaald. Die heeft een poos aan de weg gelegen, halfweg Nieuwlande en De Krim. Eén van de kleine bommen was middendoor gevallen en niet geëxplodeerd. De andere lagen in de grond. Later kwamen ze een keer en vroegen ze me waar ze waren. Ik heb ze aangewezen. Toen hebben ze die ook eruit gehaald".
Nadat de wrakstukken verwijderd waren, kon het land geëgaliseerd worden. De Duitse soldaten verlieten Walraods woning. De oorlog ging verder. In Engeland kwam een bericht aan van het Nederlandse Rode Kruis. Deze had van de burgemeester van Gramsbergen vernomen wie daar begraven waren en dat de andere drie bemanningsleden gevangen genomen waren. Hij had hun namen niet vermeld, maar de RAF wist genoeg. Phillips, Craze en Cooper leefden nog en waren krijgsgevangenen. Na de oorlog werden ze weer met hun familie herenigd. De vier graven werden in een brief van 24 december 1946 door de burgemeester ter adoptie toegewezen aan inwoners van zijn gemeente, evenals de andere graven van geallieerde soldaten. De graven van Hewitt, Cochrane, Smith en Bale werden sindsdien onderhouden door (in dezelfde volgorde): A. Veldsink, Gramsbergen A.18a, J.L. Lensen, Gramsbergen A.137, gemeentesecretaris H.R. Koek en J.W. Hulter, Ane B.55. Deze mensen legden jaarlijks bloemen op de graven bij de dodenherdenkingen. Een enkele keer kwam er familie over, om een bezoek aan de graven te brengen. Ze bezochten daarbij ook de plaats waar het toestel neergekomen was. Zo nu en dan komt er nog een laatste tastbare herinnering aan het vliegtuig uit de grond. Voor de rest ligt het Kikkersveld er nog even rustig en verlaten bij als toen in die noodlottige vroege uren van 4 december 1943. Het water stroomt nu niet meer naar Hoogeveen. De wijken in het aansluitende Drentse gebied verloren hun functie en werden gedempt. De wijken in het Kikkersveld werden eveneens gedempt of aangesloten op het vaartenstelsel van De Krim. Kleine veranderingen in een omgeving waar je de tijd soms even stil voelt staan.
Wat bleef zijn de herinneringen aan de slachtoffers en de emoties van de bergers. George Walter Hewitt was geboren in Dalton Brook, een dorpje dichtbij Rotherham, South Yorkshire, op 9 februari 1920. Hij was de enige zoon van Willie en May Hewitt. Hij had twee zussen, Annie en Sadie. Annie was vier jaar ouder en Sadie vier jaar jonger. Hun vader was kapper van beroep en verkocht in zijn kapperszaak allerlei randwaren. Ze verhuisden in 1929 naar Sheffield, waar George de Greystones Infants and Junior School bezocht. Na deze basisschool bezocht hij de Greystones Intermediate, een vorm van middelbaar onderwijs. Als kind gingen zijn interesses vooral uit naar alles wat met de kerk te maken had. Hij was koorknaap in de Ecclessal Church, terwijl hij bij dezelfde kerk ook deel uitmaakte van de Scouts en de Rovers. Op zijn vijftiende zei hij de school vaarwel. Hij kreeg een baantje op een kantoor, waarna hij aan het werk kwam op de kantoren van de Arthur Balfours Steel Works te Sheffield. Al bij het uitbreken van de oorlog meldde hij zich vrijwillig bij de Royal Air Force. De training sloot hij af als Sergeant Wireless Operator Air Gunner, radiotelegrafist en schutter.
In het begin van 1942 werd hij naar het Midden Oosten gezonden. Na 48 operationele vluchten kwam hij in april 1943 terug naar Engeland. Hij had zeven dagen verlof. Daarna hield hij zich een paar maanden bezig met de opleiding van andere vrijwilligers. Dat was toch niet wat hij wilde. Hij meldde zich weer als vrijwilliger voor operationele vluchten. Het liefst had hij gediend bij de transportvloot, maar daarvoor moest hij 2 "tours" afgemaakt hebben. Zijn 48 operationele vluchten golden als 1 ½ tour. Hij moest dus eerst weer een serie vluchten boven Europa maken, in een bommenwerper. Voor hij klaar was voor een nieuwe serie vluchten werd hij naar verscheidene plaatsen gestuurd. Hij kreeg daarop wel gelegenheid om de lucht in te gaan, maar had nog geen vaste bemanning. Hij was invaller voor anderen. Uiteindelijk werd hij weer onderdeel van een vast team, maar daarmee kreeg hij slechts enkele malen de kans om naar Europa te vliegen, voordat hij omkwam.
A.J. Kolkman schreef in zijn brief aan Hewitts zuster: "Met alle eerbied voor Uw broer; hij bleef waarschijnlijk tot het laatste moment in de machine, voor hij het waagde te springen, want zijn parachute was al wel los getrokken, maar had zich nog niet ontplooid". Als hij zo van grote hoogte neergekomen was, was hij óf ernstig beschadigd geweest, óf zijn parachute had de kans gekregen hem te redden. "Zo gauw ik mij realiseerde dat ik niets meer kon doen, noteerde ik de namen van alle vliegers die gedood waren. De Duitsers arriveerden ondertussen met een Rode Kruis-officier en begonnen de bezittingen van de vliegers te verzamelen, die ze naar het Rode Kruis zouden zenden. Ik ben er vrijwel zeker van dat dit niet gebeurde, want de "heren" liepen al snel rond met horloges om hun polsen, hoewel ze de foto's misschien teruggezonden hebben", aldus Kolkman, die dus ook twijfelde aan de eerlijke inzameling van persoonlijke bezittingen. Een pen en een defect horloge was alles wat de familie van George ontving. Meestal ontving men niets. Wat er verder allemaal mis ging is onduidelijk, maar pas na de oorlog werd de familie ingelicht over de dood van George. Tot dat moment was hij vermist en hield zijn moeder een slaapkamer voor hem ingericht. Haar zoon kon zo weer terugkomen.....