HaverSchmidt
François HaverSchmidt
   
 Homepage
 Vlug-schrift
 Vrij-zinnig
 VVH Den Helder
 Verdieping
 Geschiedenis
 Naardense Bijbel
 HaverSchmidt
 Predikanten
 Kerken 1.
 Kerken 2.
 Kerken 3.
 Kerken 4.
 Kerken 5.
 Contact/Links
 kerkplein D-H
 Geknipt
 Vrijzicht
 Jongerenpagina

Ds. François HaverSchmidt



Geboren te Leeuwarden 14 februari 1835, ook zijn jeugd bracht hij hier door.
 
Studeerde te Leiden theologie bij de professoren Scholten en Kuenen.
 
Predikant te Foudgum en Raard van 1859-1862
 
Predikant te Den Helder van 1862-1864
 
Predikant te Schiedam van 1864-1894
 
Op 6 augustus 1863 huwde hij te Utrecht met Jacoba Johanna Maria Osti (1841- 14 juni 1891)
 
Op 19 januari 1894 maakte hij door zich op te hangen aan zijn beddekoord een einde aan zijn
leven, dat zich kenmerkte door perioden van echt léven en van uitzichtloze strijd.

Hij schreef naast preken, voordrachten en vertellingen onder eigen naam, ook onder het door hem in zijn Leidse tijd tot leven geroepen pseudoniem Piet Paaltjens.
Deze geschriften vol zelfironie en satire, zijn ook vaak navrante documenten van zijn diepe innerlijke strijd. Zijn gedichten zijn de uitingen van een romantische en tragische persoonlijkheid. HaverSchmidt, die o.a. beïnvloed werd door Heine, is in de 19de-eeuwse letterkunde een veel meer overtuigende en aansprekende dichter dan andere domineedichters uit zijn tijd. Zijn werk doet, door het levensgevoel dat eruit spreekt, nog steeds modern aan.

Werk:

Snikken en grimlachjes (1867)
Familie en kennissen (1867);
Uit geest en gemoed (1894; tien preken).
 

Recent verschenen bij uitgeverij Querido:
 
Winteravondvertellingen
 
Familie en kennissen (1876, 1881, 1894, 1994)
 
Piet Paaltjes; Snikken en grimlachjes (1867, 6-1889, 7-1895, 15-1962, 1998)
 
Rob Nieuwenhuis; De Dominee en zijn Worgengel, van en over François HaverSchmidt    (1964, 2de zeer vermeerderde druk 1994)
 
 
Overig:
 
Peter Hovestad en Jan T. Bremer; François HaverSchmidt en Den Helder (1994)
 


Het Oera Linda Boek


Actueel:
 
Is het mysterie van het “Oera Linda”- boek nu eindelijk opgelost?

Was het toch François HaverSchmidt die het schreef om zo de “doodlopende weg” van de orthodoxie aan de kaak te stellen?
 
Goffe Jensma heeft hiernaar heel lang en zeer grondig onderzoek gedaan en zegt de oplossing van het mysterie te hebben gevonden.
De resultaten van dit jarenlange onderzoek heeft hij nu neergelegd in zijn proefschrift.
Met spanning kijken wij er naar uit. Hopelijk komt er een ook een versie voor de geïnteresseerde lezer op de markt.
 
Op 6 december 2004 is hij aan de universiteit van Groningen met zijn proefschrift over het “Oera Linda”- boek  tot doctor gepromoveerd.


 

Het mysterie van het Oera Linda Boek
 
In dit stukje wil ik iets schrijven over de bevindingen en ontdekkingen die dr. Goffe Jensma in het kader van zijn promotieonderzoek deed. Daar ik helaas niet kan beschikken over zijn proefschrift, zal ik mij in hoofdzaak baseren op het interview met dr. Jensma, zoals Omrop Frylân dat onlangs uitzond.
 

Cornelis over de Linden
 
Als uit het niets duikt in 1867 bij Cornelis over de Linden “eerste meesterknecht op Lands Marinewerf” te Den Helder het geschrift op. Het is een handschrift in unieke en even merkwaardige lettertekens op bruinachtig papier. Cornelis over de Linden is van Friese komaf. Hij vertelde het handschrift van zijn tante Aafke te Enkhuizen gekregen te hebben. Volgens de overlevering was het handschrift generatie op generatie bewaard in de familie. Een verre voorvader van Over de Linden, zo is te lezen in het handschrift, zou in het jaar 1256 het handschrift uit de golven hebben gered en om onleesbaar worden te voorkomen het geschrift hebben overgeschreven op “overlands-papier”. Het handschrift zou de geschiedenis van de Friezen vanaf  2000 tot 50 jaar v.Chr. beschrijven, met daarin een oeroude kroniek die zou het getuigen van de adellijke Friese komaf van de familie Over de Linden. Het zou al vanaf 500 v. Chr. in het bezit van de familie Over de Linden zijn.
 

Harmanus Siderius en Jan Frederik Jansen
 
In eerste instantie overhandigde Cornelis over de Linden het handschrift aan een zekere Harmanus Siderius te Harlingen. Deze wist er mogelijk niets mee aan te vangen, want al snel gaf hij het handschrift door aan Jan Frederik Jansen, journalist. Het is mij niet duidelijk of deze journalist over het handschrift gepubliceerd heeft. Wat wel zeker is, dat ook hij het toch zo waardevol of curieus vond, dat hij het doorgaf aan iemand waarvan hij meende dat deze persoon er meer mee kon. Zo kwam het handschrift bij Eelco Verwijs te Drachten.
 

Eelco Verwijs
 
Eelco Verwijs was ten tijde van de ontdekking van het handschrift archivaris-bibliothecaris van Friesland. Hij was “een belangrijk mediaevist en kenner van de Middelnederlandse letterkunde.” (Nieuwenhuys, blz 47)
Degenen die iets over het leven van François HaverSchmidt gelezen hebben, weten dat Verwijs tot zijn sterven in 1880 tot de intiemste vrienden van Haverschmidt behoorde. Niet alleen waren zij vrienden; ook via het Dokkumse milieu waaruit Haverschmidts moeder voortkwam, lagen er gezamenlijke banden.
Tijdens HaverSchmidts studie te Leiden werden de banden tussen beiden misschien wel nog meer aangehaald. Getuige hiervan is een brief, gedateerd 1 maart 1858, door Eelco Verwijs geschreven vanuit Deventer. (Nieuwenhuys, blz 61) In deze vertrouwelijke en warme brief aan HaverSchmidt vertelt Verwijs een aanstelling als “Docent in de Nieuwere talen, Aardrijkskunde, Geschiedenis en Mathesis” te Franeker te hebben gekregen.
 
Uit het onderzoek van dr. Jensma komt met grote zekerheid HaverSchmidt als auteur van het handschrift naar voren.Gezien het bovenstaande is het dan helemaal niet zo opmerkelijk te veronderstellen dat ook Verwijs deel uit maakte van het complot. Dat het handschrift via een omweg bij Verwijs komt maakt de hele geschiedenis wel heel frappant en geeft aan Verwijs impliciet een neutrale status.
 
Eelco Verwijs beval het handschrift aan bij het Friesch Genootschap; dat vervolgens overging tot aankoop van het geschrift. Zo zorgde Verwijs er voor dat het handschrift in november 1870 bij dit genootschap op tafel kwam. Deze gang van zaken plaatste de archivaris Verwijs in een wat twijfelachtige rol.
 

Johan Winkler
 
In 1870 boog als eerste de dilettant-taalkundige Johan Winkler zich over het handschrift. Hij twijfelde sterk aan de authenticiteit en bracht in deze zin een negatief rapport uit.
Johan Winkler liet bij zijn sterven in 1916 een verzegeld kistje na, dat na een jaar geopend mocht worden.
In dit kistje bevond zich een brief van hem waarin hij zegt nooit in de echtheid van het Oera Linda handschrift te hebben geloofd. Ook wijst hij in dit document C. over de Linden, Eelco Verwijs en François HaverSchmidt aan als auteurs.
 

Dr. Jan Gerhardus Ottema
 
Vanuit het Friesch Genootschap nam ook dr. Ottema het handschrift mee.
Dr. Ottema was een alom erkend en gewaardeerd kenner van de klassieke letteren. De uitslag van zijn bestudering betekende een totale omslag. Hij was lyrisch enthousiast; hij vond het een meesterwerk en was overtuigd van de echtheid.
Dr. Ottema vertaalde het handschrift en verzorgde in 1872 een gedrukte uitgave.
De interventie van Ottema betekende een dramatische ommekeer in de Oera Linda Boek-geschiedenis. Hier ligt de breuk tussen wat de schrijvers hadden bedoeld en hoe het is ontvangen. Zowel HaverSchmidt en Verwijs lijken geprobeerd te hebben Ottema op andere gedachten te brengen, doch tevergeefs.
Deze erkenning en het voor echt houden van Ottema zou tevens tot in de 20ste eeuw verstrekkende gevolgen hebben; verschillende groepen zouden het handschrift aanwenden voor eigen ideologie.
 

In het interbellum
 
In het Duitsland van het interbellum (de periode tussen de beide wereldoorlogen) ontdekten medestanders van Hitler dat de in het boek beschreven geschiedenis van een (blank-) Germaans/Fries volk vrijwel naadloos in hun ideologie paste.
Ook bepaalde godsdienstige elementen uit het Oera Linda boek bleken heel goed te verenigen met bepaalde godsdienstige opvattingen van de Nazi’s.
Zaken zoals de suprematie van het blanke ras, waar ten tijde de ontdekking van het handschrift in 1867 heel anders tegen aan werd gekeken of zelfs helemaal geen rol speelden, konden nu in hun ideologie ingepast worden. Zo kwam het handschrift geheel onbedoeld in de handen van kwade krachten.
Prof. dr. Hermann Wirth vertaalde het geschrift in de Nazi-tijd; dit boek met voorin een aanbevelingsbrief, bevindt zich in het Fries archief.

Prof. Wirth schrijft in deze brief o.a. 

“In oorzakelijk verband met het ontwaken der Duitse natie schenkt de auteur hierbij het Duitse volk de oudste bron van Germaanse geestesgeschiedenis en tevens Germaanse geestesadel."

"Met Duitse groet en Hitler heil, Hermann Wirth.”
 

De Angelsaksische wereld
 
Door de uitgave van Ottema zou het handschrift later ook in de Angelsaksisch georiënteerde new age-beweging ingang vinden. In deze beweging kreeg het, geholpen door de verschijning van diverse engelse vertalingen van het boek, bijna de status van een bijbel. Ook werd het door de grote verspreiding van de Engelse taal wereldwijd bekend.
 
 
J. Beckering Vinckers
 
Weer even terug in de 19de eeuw. Beckering Vinckers schreef al in 1876 een brochure waarin hij de onechtheid aantoont uit de “wartaal” waarin het handschrift geschreven is.
Hij was er van overtuigd dat het handschrift een “vervalsing” was en dat het de schrijver simpelweg niet gelukt was het in kloppend en authentiek Oud-Fries te schrijven.
 

Goffe Jensma
 
Zo werd er meer dan een eeuw lang, soms bij pieken zeer intensief, gespeculeerd over het Oera Linda handschrift “het Over de Linden boek”.  Wat in 1867 allemaal begon te Den Helder bij Cornelis over de Linden, eerste meesterknecht op Lands Marinewerf en een niet onverdienstelijke overschrijver van historische werken, zou een vrijwel onuitputtelijke stroom van speculatie en bij velen een enorme prikkel tot het ontrafelen van het mysterie tot gevolg hebben.
Het handschrift blééf mensen boeien, prikkelen en bezighouden; zo ook de zeer geëngageerde onderzoeker Goffe Jensma. Al in 1992 schreef hij in De Vrije Fries over het handschrift. Nu, eind 2004 legt hij de resultaten van dit jarenlange onderzoek neer in een proefschrift.
 
Brengt het  proefschrift van Goffe Jensma nu een einde aan alle verwarring en speculatie rondom het handschrift?
 
Al zullen er nog steeds mensen zijn die het mysterie heel graag intact laten. Ik voor mijzelf zeg, met de fragmentarische kennis van het proefschrift die ik nu heb, ja, dit ís het einde van de discussie. Het werk van Dr. Jensma betekent m.i. een doorbraak in het onderzoek naar de auteur en de betekenis van het handschrift. Zijn onderzoek geeft vanzelfsprekend ook niet hét juridisch waterdicht bewijs. De daarvoor benodigde concrete en materiele bewijsstukken, zoals vingerafdrukken e.d. zijn nu eenmaal niet meer voorhanden, zo stelt ook Goffe Jensma.
 
Beckering Vinckers meende dat het een vervalsing in “mislukt” Oud-Fries was. Hij had niet door dat het juist de bedoeling van de auteur was dat het zogenaamde Oud-Fries ontmaskerd werd. Dit is één van de conclusies die Dr. Jensma stelt na zijn uitvoerige onderzoek. Hieruit bleek duidelijk dat het allemaal doordacht en weloverwogen op deze wijze geconstrueerd was. Het zogenaamde Oud-Fries moest de illusie van authenticiteit wekken, zodat de lezers van het handschrift eerst zouden denken “het is echt!”, om er daarna “doorheen te prikken” en zich te realiseren dat het in het verhaal gaat om theologie en de kwestie van de richtingen in de kerk.
 
Het papier waarop geschreven is, dateert overduidelijk van na 1850. De bruine kleur kwam tot stand door het papier in de thee te hangen.
 
Wie van het drietal in het complot, HaverSchmidt, Verwijs en Over de Linden, de merkwaardige lettertekens bedacht heeft, blijft in het duister.
De letters zijn allemaal gebaseerd op de grondvorm van een cirkel; het “Jol”.
Het Jol is een wiel van zes spaken. Het is niet alleen de grondvorm van de letters, maar ook “het wiel van de tijd”; een centraal symbool in het handschrift. Trouwens, deze vorm vinden we ook terug in de plattegrond van Foudgum, de eerste gemeente van ds. HaverSchmidt.
 
Duidelijk is wel dat Cornelis over de Linden verantwoordelijk is geweest voor het daadwerkelijk op papier zetten van de tekst.
De inhoud en het verhaal lijken toch vooral voor rekening te komen van de theoloog François HaverSchmidt, waarbij Eelco Verwijs als kenner van oude handschriften mogelijk tekende voor de merkwaardige lettertekens en de meer historische componenten in het geschrift.
 
Ds. HaverSchmidt behoorde als theoloog in zijn tijd tot de “moderne richting”; deze stroming wilde de theologie zoveel mogelijk in overeenstemming brengen met de natuurwetenschappen. Dit had vanzelfsprekend ook grote consequenties voor de bijbeluitleg. Wij zouden tegenwoordig de moderne richting omschrijven als “vrijzinnig”.
De orthodoxe richting ging uit van de al eeuwen door de kerk gekoesterde en vastgestelde dogma’s. Het spreekt dat deze beide totaal verschillende uitgangspunten op veel plaatsen tot hevige strijd leidden.
 
Het Oera Linda handschrift bestaat –zo toonde dr. Jensma aan- eigenlijk uit twee lagen, twee verhaalslijnen. Het is tegelijk een verhaal over de oudste geschiedenis van de Friezen en daarnaast ook een weergave van de strijd tussen de Orthodoxie en Vrijzinnigheid.
 
Op historisch niveau is het de oude geschiedenis van de Friezen in hun strijd tegen de kinderen van Lyda en Finda. Historisch gezien en naar wetenschappelijke normen kan dit verhaal niet kloppen; geen volk in het Europa van 2000 v. Chr. voldoet aan de beschrijving in het Oera Linda Boek. Het lijkt veel meer een “mix” van flarden geschiedenis, oude sagen en fantasie. Maar toch; er bestaat in Friesland wel een oudere historische traditie, de zogeheten apocriefe of fantastische geschiedschrijving. Het Oera Linda epos gaat echter verder en overdrijft deze oude historische traditie nog weer.
 
Op godsdienstig niveau zijn de Friezen “de kinderen van Frya”, zij zijn de vrijzinnigen en  hun tegenstanders “de kinderen van Lyda en Finda”, zijn de orthodoxen, of ook wel de “fijnen” of zij die in magie, het bovennatuurlijke geloven.
 
Een centrale plaats in het handschrift wordt ingenomen door een soort bovennatuurlijk godswezen: “Wralda”.
Wralda schiep alles, is het oudste, is alles in alles, is eeuwig en oneindig, is overal en nergens te bezien.
Omdat het wezen niet te zien is, wordt het geest genoemd; het enige dat we van het wezen zien, zijn schepsels.
 
Wralda is Wrâld is Wereld is God.
 
Ook hier zijn duidelijke overeenkomsten met de God die wij kennen uit met name het Oude Testament.
 
Het handschrift is letterlijk een allegorie van de 19de-eeuwse richtingenstrijd tussen de vrijzinnigheid en fundamentalistische orthodoxie. Als je het zo leest heeft het samenhang en betekenis.
Het geschrift is geschreven vanuit het perspectief van het modernisme en wij weten vanuit het andere nagelaten werk van ds. HaverSchmidt dat dit hem na aan het hart lag. Goffe Jensma ziet dan ook HaverSchmidt als belangrijkste auteur.
 
Het blijft echter weerbarstig. Dr. Jensma concludeerde na zijn jarenlange onderzoek: “niets spreekt vanzelf” in de Oera Linda Boek-affaire. Misschien doet dit laatste de schrijver van het handschrift wel het meeste recht; was het niet steeds zijn bedoeling om de mensen te prikkelen tot denken. Niet zomaar aannemen, al staat het al eeuwen vast, maar op weg gaan, zoekend, struikelend, tastend over een vaak bochtig en onbegaanbaar pad. Wie voelt zich geroepen?

Die boodschap is ook nu anno 2005 nog niet achterhaald, maar nog voor een belangrijk deel van de kerk in Nederland actueel en relevant.
 
                                        Den Helder, 18 januari 2005      Ben Sloothaak.